Nieuwsbrief

Gestrand – Petra Kruijt

Gestrand

Eileens vakantie zit erop, maar door een staking op de Franse luchthaven kan ze niet terug naar huis. Joey is voor zaken in Frankrijk, maar ook hij strandt bij de incheckbalie. Eileen, type pluk-de-dag, en Joey, workaholic, lijken tot elkaar veroordeeld.

Petra Kruijt


Petra Kruijt (1987) studeerde journalistiek in Utrecht. Als freelance journalist schrijft ze voor diverse tijdschriften. Tussen de bedrijven door gebruikt ze haar creativiteit voor het schrijven van korte en lange verhalen. 



Eileen

Alles waarvan je wilt dat er nooit een einde aan komt, moet toch ooit een keer ophouden. De grootste lolly uit de snoepkraam op de kermis. De verkering met je eerste vriendje. De beste vakantie van je leven.

Ik stap uit de bus en haal mijn bagage uit het ruim onderin. Ik heb zonder reisorganisatie deze vakantie geregeld en moest dus alles zelf uitzoeken, ook het vervoer naar het vliegveld. Dat is een hele uitdaging als je Eileen de Wit heet. Maar ik mag trots op mezelf zijn, want het is me gelukt: ik ben er, en nog op tijd ook.

Om zeven uur precies rijd ik mijn grote, roze rolkoffer de vertrekhal binnen. Daar is het opvallend druk. Toen ik hier twee weken geleden aankwam kon ik zo doorlopen naar de uitgang, zonder één keer voor een tegenligger te hoeven uitwijken. Nu is het slalommen geblazen.

Ik parkeer mijn rolkoffer voor een vertrektijdenbord en kijk op om te controleren bij welke balie ik moet inchecken. Hé, dat is gek. Alle vluchten staan op vertraging of zijn gecanceld. Er is toch geen sneeuw gevallen?

Ik kijk voor de zekerheid naar buiten: nee, geen sneeuw.

Misschien is er weer een aswolk. Dat was drie jaar geleden ook zo’n gedonder. Ik had net in de week van die stomme Ejferjokul, of hoe heette dat ding ook alweer, met een vriendin een stedentripje gepland naar Barcelona. Dat kon op het allerlaatste moment niet doorgaan. Om toch maar ergens heen te gaan zijn we toen uitgeweken naar Texel. Ook leuk, maar niet bepaald Barcelona.

De afgelopen twee weken heb ik niet één keer het nieuws gecheckt. Ik heb sowieso weinig gedaan. Op het strand liggen, heel veel boeken lezen, in mijn eentje door stadjes flaneren en op terrasjes zitten; daarmee heb je het wel zo’n beetje gehad. Deze vakantie was bedoeld voor niks anders dan niksen.

Geloof mij maar als ik zeg dat dat moeilijk voor me is. Op het werk en ook thuis heb ik al-tijd iets te doen. Vandaar dat ik mezelf niet echt het type vond voor een vakantie waarbij ‘nietsdoen’ de belangrijkste activiteit is. En dan ook nog in mijn eentje, omdat Babette – de vriendin met wie ik naar Barcelona zou gaan en uiteindelijk naar Texel ging – nu een vriend heeft en liever met hem op vakantie wilde.

Zij raadde me aan om naar Turkije te gaan. Goedkoop, warm en alles is inbegrepen. Het idee om me bij een buffet te identificeren met een polsbandje ging me echter iets te ver. Misschien dat ik ooit nog overstag ga, als ik kinderen heb die de hele dag vermaakt moeten worden terwijl ik onder een parasol aan het zwembad lig te genieten van het enige rustmoment in mijn leven. Zover is het nog lang niet. Ik heb niet eens een man, laat staan dat ik hoef te prakkiseren over vakanties met kinderen.

Officieel was nietsdoen niet mijn enige doel deze vakantie. Babette had me de opdracht gegeven om het mannelijk schoon goed in het oog te houden. Ze maakt zich een beetje zorgen om me, denk ik, nu ik afgelopen februari dertig ben geworden en nog steeds geen vriend heb. Ik heb zelfs al drie jaar geen relatie gehad.

Mensen denken dat het voor mij makkelijk is om aan de man te komen. Ik zie er redelijk goed uit – dat komt vooral omdat ik goed voor mezelf zorg – en ik heb een goede baan als vestigingsmanager van een grote winkelketen. (Ik mag niet zeggen welke, maar we verkopen lingerie – die ik met personeelskorting mag kopen: bonus!) Hoe dan ook, ik heb op het eerste gezicht alles mee om een man te versieren. Soms proberen ze míj zelfs te versieren. Maar de echt leuke mannen, waarvan ik heus wel geloof dat ze bestaan, die kom ik niet tegen.

Ook de afgelopen twee weken niet. De opdracht om tijdens deze vakantie mijn manloze bestaan te doorbreken, is jammerlijk mislukt. Ik ben zo druk geweest met op het strand liggen, heel veel boeken lezen, door stadjes flaneren en in mijn eentje op terrasjes zitten, dat ik de mannen een beetje uit het oog ben verloren.

Ach, wat boeit het ook. Ik zou niks hebben aan een Franse man die mijn hart op hol bracht als ik een paar dagen later alweer naar huis moest. Reken maar niet dat zo’n man dan mee zou gaan. We zouden elkaar beloven dat we contact hielden en de eerste tijd lieve berichtjes uitwisselen op Facebook terwijl we wegzwijmelden bij foto’s van de mooie dagen samen, maar na verloop van tijd zou de vlam uitdoven en waren we allebei weer alleen. Nee, de tijd van vakantieliefdes ben ik officieel ontgroeid.

Ik sleep mijn koffer mee naar de informatiebalie en informeer naar de reden van alle vertragingen en gecancelde vluchten. De medewerker tegenover me zucht demonstratief en wijst naar een scherm dat pontificaal op de balie is geplaatst. ‘Oh, je m’excuse,’ mompel ik. Alsof ik meteen kon weten dat daar de informatie op stond waarnaar ik op zoek was.

De verklaring komt eerst in het Duits en het Frans voorbij, voordat de Engelse tekst op het scherm verschijnt. Ik lees dat het luchtvaartpersoneel in heel Frankrijk vandaag staakt en dat alle vluchten tot nader order geen doorgang kunnen vinden. O, en er staat ook nog bij of ik begrip wil hebben voor hun schreeuw om betere arbeidsvoorwaarden. Maar natuurlijk.

Naast me hoor ik een stevige vloek. Ik kijk opzij en zie een Nederlandse man de Fransen uitmaken voor alles wat verdorven is. ‘Die kloterige stokbroodvreters ook altijd. Staken om elke scheet.’ Hij praat tegen niemand in het bijzonder, vermoedt misschien ook dat niemand hem kan verstaan. Al ben je dan wel heel erg dom. Zelfs in de jungle van Papoea kom je naar het schijnt Nederlanders tegen, dus op een Frans vliegveld zal het er wel van stikken. Als ik een voorzichtige inschatting mag maken denk ik dat de helft van alle aanwezigen hier uit Nederland komt. Of liever gezegd: naar Nederland toe wil. Maar dat gaat eventjes niet lukken.

De man kijkt van het marmer van de vertrekhal, dat smoezelig is van de vele voetstappen en etensresten en door het gebrek aan schoonmaakcapaciteit, naar zijn nette kostuum.

‘Doe het niet,’ flap ik eruit voor ik er erg in heb.

‘Heb je het tegen mij?’

Joey

De vrouw maakt een vaag handgebaar en mompelt iets wat ik niet versta. Ik zou toch zweren dat ze gedachten kon lezen, want ze zei net ‘Doe het niet’ terwijl ik op het punt stond om mijn broek vuil te maken aan de vloer. Ik sta al veel te lang op mijn benen, en alle stoeltjes zijn bezet en zullen dat voorlopig ook wel blijven. Als ik een zitplek had, zou ik die ook niet opgeven.

Het was ook weer te mooi om waar te zijn. Er bestaat gewoon niet zoiets als snel heen en weer naar Frankrijk. Gisteren vloog alles nog; ik had een van de laatste vluchten van de dag en dat ging zonder enige vertraging. Ook het hotel was perfect georganiseerd. Vanmorgen stond er een taxi klaar naar de vergaderruimte waar ik vandaag de hele dag in overleg heb gezeten, met een goede lunch en lekke-re koffie. Diezelfde taxi bracht me ruim op tijd terug naar het vliegveld.

Het ging allemaal té perfect. Dat moest een keer fout gaan.

Om eerlijk te zijn hoorde ik het al tijdens de lunch. Mijn Franse collega’s hadden niets dan begrip voor de stakers, maar ja, zij hoefden ook geen vlucht te halen. Ik besloot het er toch maar op te wagen en naar het vliegveld te gaan. Er glipt altijd wel een vliegtuigje tussendoor, er zijn altijd wel een paar fanatiekelingen die toch besluiten aan het werk te gaan. Ik had geluk kunnen hebben. Maar goed, dat geluk had ik dus al opgebruikt bij dit tripje.

‘Hier,’ zegt de vrouw. Ze heeft haar roze koffer opengeklapt en daar haalt ze een handdoek uit, die ze op de grond legt. ‘Ga hierop zitten. Dan wordt je broek niet vies.’

‘O, dank je wel,’ zeg ik. Ik laat me op de handdoek zakken. ‘Kom jij er niet bij zitten?’

Ze glimlacht. ‘Wil je dat?’

‘Jouw keuze.’ Ik haal mijn schouders op. ‘Blijven staan heeft ook geen zin.’

De vrouw haalt een tweede handdoek uit haar koffer en legt die tegenover de plek waar ik zit. Haar handdoeken zijn al net zo roze als haar koffer. Zodra ze zit, haalt ze een elastiekje van haar pols en draait dat met het grootste gemak in haar haar, zodat een soort knot ontstaat. Met haar haar uit haar gezicht zie ik pas hoe knap ze is. Wow.

Nadat ze dit alles heeft gedaan, zucht ze en kijkt me onderzoekend aan. ‘Het is me wat, hè.’

‘Sorry dat ik net zo tekeerging. Ik moest even wat kwijt.’

‘Ik snap het wel. De stokbroden komen mij na twee weken ook m’n neus uit.’

Ondanks alles kan ik het niet laten om te lachen. ‘Daar kan ik me alles bij voorstellen.’

‘En jij? Hoeveel stokbroden heb jij gegeten?’

‘Niet één,’ geef ik toe. ‘Ik ben gisteravond aangekomen en heb vandaag een warme lunch gehad.’

‘Gisteravond aangekomen… En nu ga je alweer terug. Jemig, jij bent gek.’

‘En bedankt.’

‘Sorry, zo bedoelde ik het niet. Ik dacht meer van: da’s toch zonde van alle moeite. Had je niet op z’n minst een dagje eraan vast kunnen plakken, even de stad in, misschien naar de kust. Het is zulk mooi weer. Het is zomer!’ Haar ogen lichten op bij deze laatste vaststelling.

‘O, echt waar? Ik heb alleen maar in de airco gezeten.’

Ze lacht; ze denkt waarschijnlijk dat ik een grapje maak. Dat doe ik alleen niet. De trieste waarheid is dat ik van de airco van het vliegtuig naar die van de terminal, de taxi, mijn hotelkamer, opnieuw een taxi, de vergaderzaal, nóg een taxi, en nu dus weer de terminal ben gegaan. Nog triester is het dat ik me nu pas realiseer dat ik al die tijd de zon niet op mijn huid heb gevoeld.

‘Het is voor mij nou eenmaal geen vakantiereisje,’ zeg ik. ‘Ik had een vergaderdag met een aantal Franse collega’s, en mijn secretaresse had alles zo georganiseerd dat ik maar één dag in Nederland hoefde te missen. Daarom baal ik hier ook nogal van, want morgen staat mijn agenda weer gewoon volgepland met afspraken.’

‘Dat meen je niet.’

Ik begin een beetje geïrriteerd te raken. Het is dat ik op haar handdoek zit, anders was ik allang weggelopen. Het is dat ik nergens naartoe kan, dat heeft er ook mee te maken. Maar ik voel me niet geroepen om haar uit te leggen hoe het leven van een hardwerkende Nederlander eruitziet.

Ik heb Saskia, mijn secretaresse, net gesproken. Ze was al thuis en logde speciaal voor mij in op het netwerk om te zien of ze iets kon regelen. Helaas kon ze weinig voor me doen. Ze bood wel aan een auto voor me te huren, maar wie weet hoelang ik dan onderweg ben. Dan kan ik beter wachten op een vervangende vlucht. Voor de zekerheid zou ze wel alvast mijn afspraken voor morgen een mailtje sturen dat die mogelijk niet door konden gaan.

‘Nou, de kans dat je dat nog redt wordt met de minuut kleiner, hè,’ zegt de vrouw tegenover me.

‘Ik vrees van wel. En jij dan, moet jij morgen niet werken?’

‘Ben je gek. Ik hoef pas volgende week weer. Dit is mijn vakantie, weet je nog.’ Ze lacht naar me. ‘Ik ben trouwens Eileen.’

‘Hoi Eileen, ik ben Joey.’

Eileen

Joey? Voor een man zoals hij? Dat had ik niet verwacht. Ik dacht dat hij een Arnoud zou zijn. Misschien een Edward. Hij ziet er zo netjes en volwassen uit in zijn pak. Ik wil niet zeggen ‘stijf’, maar het komt wel in de buurt. En dan heetie Joey. Opmerkelijk, op z’n minst.

‘Jouw ouders hadden vast een heel andere toekomst voor je in gedachten,’ zeg ik ginnegappend.

‘Hoezo dat nou weer?’

‘Hé, rustig maar. Ik bedoelde het niet vervelend.’

‘Dat ik hard werk, wil niet zeggen dat ik zielig ben.’

‘Zo bedoelde ik het al helemáál niet!’ Ik wil net een uitleg geven over wat ik dan wel bedoelde, dat zijn naam niet past bij zijn carrière, maar bedenk me op tijd. Ook dat kan weleens kwetsend zijn. En trouwens, wat kan het hem schelen wat ik ervan vind.

Hij reageert niet meer, kijkt zwijgend om zich heen. Dan gaat zijn telefoon. Hij haalt het toestel uit de binnenzak van zijn jasje en neemt op. Ik hoor alleen zijn kant van het gesprek en die heeft weinig om het lijf, want hij zegt alleen maar af en toe ‘ja’ en ‘nee’ en meer van dat soort kleine steekwoorden.

Na ongeveer drie minuten is het gesprek afgelopen. ‘Mijn secretaresse heeft een hotel voor me geregeld,’ zegt hij. ‘Alles rondom het vliegveld zat al vol, dus ik moet naar de stad. Heb je zin om een taxi te delen?’

Ik kijk verbaasd naar hem. Wat een lief aanbod ineens. Dat is vast omdat ik zo vriendelijk was hem een handdoek te geven waar hij op kon zitten.

Als zijn secretaresse een hotel voor hem heeft geregeld, kan ik er wel van uitgaan dat er vanavond echt geen vluchten meer gaan. Dat wordt sowieso morgen. En op het vliegveld slapen zie ik niet zo zitten. Ik kan dus beter de stad in gaan, waar er misschien nog plek is in een niet te duur pensionnetje.

‘Graag,’ zeg ik.

Joey staat op, vouwt mijn handdoek tot een net pakketje en overhandigt me dat. Ik stop de vieze handdoek samen met die waar ik op zat in mijn koffer. ‘Zo.’

‘Zo,’ herhaalt hij. ‘Zal ik die voor je sjouwen?’

Voor ik antwoord kan geven heeft hij mijn koffer al gepakt.

Even later zitten we in een taxi. De meeste mensen blijven toch op het vliegveld in de hoop dat er iets gaat vliegen, dus de toegesnelde taxichauffeurs hebben weinig te vervoeren.

Ik vind het wel leuk dat ik weer onderweg ben naar Marseille. Mijn eigen hotel voor de twee weken was iets verderop aan de kust, maar ik ben wel een dagje in de stad geweest. Toen ik eerder vandaag mijn spullen pakte om naar het vliegveld te gaan, dacht ik echt dat ik hier niet gauw weer terug zou komen. Maar kijk aan, ik krijg gewoon een verlenging van mijn vakantie cadeau.

‘Denk jij eigenlijk dat ik in de problemen kom als ik niet op het vliegveld ben en de boel gaat wel weer vliegen? Dat ik dan geen aanspraak kan maken op een vlucht omdat ik ben weggegaan?’ vraag ik.

‘Dat zal wel loslopen. Voorlopig zijn er duizenden mensen die een vlucht willen en er is nog geen aanbod. Eerder dan morgen zal het sowieso niet worden. En trouwens, mijn secretaresse houdt het wel in de gaten.’

‘Voor jou, ja, maar niet voor mij.’

‘O ja. Eh… Anders geef je me je nummer en als er weer vluchten gaan, stuur ik je een sms’je.’

Ik ben een beetje bang dat ik te veel van hem vraag, maar noem toch mijn nummer. En trouwens: ik vraag helemaal niks. Hij biedt het allemaal zelf aan.

‘Waar moeten we jou afzetten?’ vraagt hij dan.

Goeie vraag. ‘Doe maar ergens in de stad,’ zeg ik. ‘Ik moet toch nog op zoek naar een slaapplaats.’

‘Kun je niet naar het hotel waar je al zat?’

‘Dat is nogal een omweg,’ zeg ik lachend. ‘Ik zat niet in de stad.’

‘Nou, als je toch nog niks hebt, dan kun je ook wel naar het hotel waar ik naartoe ga. In dat geval maakt het niks uit.’

‘Ik vrees van wel,’ zeg ik voorzichtig. ‘Ik denk niet dat ik dat kan betalen.’ Terwijl ik het zeg voel ik me een enorme sloeber, maar ik ga me niet rijker voordoen dan ik ben tegenover iemand die ik niet ken. De afgelopen twee weken is mijn vakantiebudget ruimschoots opgegaan. Ik zou nog net een nachtje in een goedkoop hotel kunnen betalen, maar vast niet in een dure hotelketen waar zijn secretaresse voor hem een kamer heeft besproken.

Of zal ik het toch doen? Het zou wel een ervaring zijn. Ik heb nog nooit in zo’n chic hotel geslapen. Zoals in Lost in Translation, met een hotelbar waar elke avond een zangeres optreedt en waar je drankjes krijgt aangeboden van tall, dark and handsome strangers. En dat ik met een van die mannen een zinderend oogcontact heb elke keer dat we elkaar zien. Dat zou dan wel iemand anders moeten zijn dan Joey, want die heeft me tot nu toe alleen maar argwanend bekeken. Toch lijkt hij niet wanhopig van me af te willen. Zou hij nog steeds het gevoel hebben dat hij me iets schuldig is vanwege die handdoek? Die schuld is inmiddels wel ingelost, lijkt me.

‘Ik betaal wel een kamer voor je,’ hoor ik ineens.

Dit gaat werkelijk te ver. ‘Dat hoef je echt niet te doen, Joey.’ Op de een of andere manier vind ik het leuk om hem bij zijn naam te noemen. Die is ook zo ongewoon. Maar elke keer dat ik het zeg, gaat het iets meer bij hem horen.

‘Jawel. Ik vind het niet erg. Jij biedt me jouw handdoek aan om op te zitten omdat ik er zelf geen heb, ik bied jou een hotelkamer aan om in te slapen omdat je er zelf geen geld voor hebt. Zo staan we weer quitte.’

Dus toch nog die handdoek. Heel even hoopte ik dat hij me gewoon aardig vond en het daarom aanbood.

Ook in de hotellobby is het aardig druk. Joey loopt meteen door naar de incheckbalie en groet de receptioniste in vloeiend Frans. Ze praten best snel, maar ik kan het redelijk volgen, en wat ik grofweg meekrijg is het volgende: hij heeft zelf een kamerreservering, die is helemaal in orde, hij vraagt of er nog een kamer vrij is voor mij, dat is niet het geval in verband met de stakingen, en dan kijken ze mij allebei vragend aan.

‘Wat is er?’ vraag ik.

‘Ze hebben geen kamers meer vrij.’

‘Oké. Dan moet ik dus toch ergens anders heen.’ Ik heb er helemaal geen zin in, ik ben moe en zou graag een tukje doen. Vanmorgen ben ik al om negen uur opgestaan (het vroegterecord van de afgelopen twee weken, dus het kostte enige moeite) om mijn koffer in te pakken, waarvan de inhoud verspreid lag over mijn hele hotelkamer.

‘Je kunt anders wel bij mij op de kamer slapen.’

‘Wat? Nee, dat hoef je echt niet te doen, hoor…’ Ik probeer het niet te overtuigend te zeggen, want hier meen ik natuurlijk geen snars van. Ik zou dolgraag bij hem op de kamer willen slapen. Alles beter dan nu weer de straat op te moeten om op zoek te gaan naar een ander hotel.

‘Ik heb a gezegd, nu moet ik ook b zeggen,’ vindt Joey. ‘Kom maar mee naar boven.’

Als we met al onze bagage in de lift staan (oké, eigenlijk vooral mijn bagage, want Joey heeft alleen een koffertje bij zich en zo’n grote draagtas voor een pak waar aan de bovenkant een kleerhanger uitsteekt), zeg ik tegen hem: ‘Joey, je bent liever dan je denkt.’

Joey

Dat ben ik volledig met haar eens. Hoewel: ik wist al dat ik lief was. Maar dat ik zó ver zou gaan voor iemand die ik niet eens ken, had ik niet achter mezelf gezocht.

Ik vraag me af wat me bezielt. Het komt waarschijnlijk door alle consternatie op het vliegveld.

Ach nee. Wie hou ik eigenlijk voor de gek. Het komt door haar. Ze doet iets met me waardoor ik alles voor haar wil doen. Vooral wil ik haar in mijn buurt houden. Geef haar een vinger, en voor ik het weet geef ik haar mijn hele hand. Ik moet nog gaan uitkijken dat ik haar niet binnen vierentwintig uur ten huwelijk vraag en met haar naar Vegas vlieg om het te laten inzegenen door een Elvis-imitator. Al is dat wel mijn droom voor áls het ooit zover komt. Ja echt, ook mannen fantaseren weleens over hun bruiloft. Maar we fantaseren natuurlijk veel vaker over seks.

Ik zal niet ontkennen dat het ook nu door mijn hoofd is geschoten. Vooral als Eileen voor me uit loopt, zoals nu door de gang naar onze kamer, en ik een goed zicht heb op haar billen. Bij elke stap die ze zet gaat een van haar billen iets omhoog, en dat wisselt in hoog tempo af, linkerbil-rechterbil-linkerbil-rechterbil, een ritme waarbij het onmogelijk is om níét te denken aan hoe ik met mijn handen haar billen zou kneden, en dus aan seks. Echt onmogelijk.

Eileen steekt de sleutelkaart in het slot van de kamerdeur en drukt de klink naar beneden. Ze heeft mijn koffertje vast en legt dat op het bed terwijl ik haar grote, roze rolkoffer de kamer in sleep. Ik vraag me af wat er allemaal in dat ding zit. Hij is gigantisch en loodzwaar. Misschien krijg ik straks nog een glimp van de inhoud.

De kamer is volstrekt identiek aan die waar ik de afgelopen nacht heb geslapen. Dat was alleen op de tweede verdieping en nu zijn we op de zesde, waardoor we een mooier uitzicht hebben. Niet dat ik nou van plan was om naar buiten te kijken als ik ook naar een vrouw kan kijken. Ik ben gekke Henkie niet.

Eileen gaat zitten aan het voeteneinde van het bed en test de vering. ‘Wat een fijn bed!’ zegt ze. ‘Als je zag waar ik de afgelopen twee weken op heb geslapen… dan is dit gewoon de hemel!’

‘Ja, je kunt wel zien waar dat extra geld in gaat zitten.’

‘Zouden ze hier ook een zwembad hebben?’ vraagt ze met grote ogen.

‘Ja. Natuurlijk.’ Ik ben nog nooit in een hotel geweest waar geen zwembad was. Nou nee, dat lieg ik. Maar lang geleden is het wel.

‘O mijn god. Daar móét ik heen. Ik heb de laatste twee weken alleen maar in de zee gezwommen, want mijn hotel had geen zwembad.’ Ze klapt haar roze koffer al open en begint ergens naar te zoeken. Even later houdt ze haar bikini omhoog. ‘Ik ga me omkleden. Ga je ook mee?’

‘Ik heb geen zwembroek bij me.’

‘Joey, ik begrijp steeds minder van jou. Je komt naar een hotel als dit en dan laat je je zwembroek thuis?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Kennelijk.’

‘Nou goed, dan zul je het in je boxershort moeten doen.’ Na deze mededeling verdwijnt ze in de badkamer. Ik hoor haar zingen terwijl ze zich omkleedt. Het is een of ander top 40-nummer, ik herken het van de radio.

Wanneer Eileen weer uit de badkamer komt, heeft ze tot mijn teleurstelling een badjas aan. Shit. Daar gaat mijn kans om haar in bikini te zien. Wat had ik ook verwacht, dat ze in bikini de lift naar beneden zou nemen? Ze is misschien vrijpostig – al is dat ook maar een aanname op basis van wat ik tot nu toe heb gezien – maar ze is niet dom.

‘Ga je mee?’ vraagt ze.

Ik knik. In de badkamer trek ik gauw mijn pak uit en een badjas aan. Zometeen moet ik bij de receptie maar even een nieuwe onderbroek kopen, of twee. Dan kan ik morgen ook nog een schone aantrekken.

Eileen

Wow. Dit zwembad is helemaal Lost in Translation. Het is er doodstil als Joey en ik aankomen; geen enkele bejaarde banentrekker te bekennen. (En gelukkig ook geen bejaarden-aquarobicsklasje zoals in die film.) Thuis ga ik nooit naar het zwembad, hoeveel ik er ook van hou. Slalommen langs de grijze hoofden is niet mijn sport.

‘Het is bijna zonde om dit te doorbreken,’ zeg ik. Ik heb mijn superzachte badjas nog aan en kijk naar mijn eigen weerspiegeling in het wateroppervlak. ‘Wat mooi.’

Joey zal wel denken dat ik gek ben. Eerst zeg ik nog dat ik na twee weken alleen zeewater verlang naar een zwembad, nu vind ik het weer zonde om erin te springen.

Ik hang mijn badjas aan een haakje en loop weer naar de waterkant. Het zwembad heeft over de hele breedte traptreden waarmee je erin loopt, en ik zet voorzichtig mijn voet op de eerste trede. Er komen wat rimpelingen in het water. Dan zet ik mijn andere voet op de trede eronder en ontstaat er nog meer reuring. Nu de orde zo verstoord is, loop ik snel verder tot ik omringd ben door het koele en schone zwembadwater.

‘Is het lekker?’ vraagt Joey.

‘Kon niet beter. Kom erbij, dan voel je het vanzelf.’

Hij lacht en loopt naar de badjashaakjes. Stiekem ben ik heel benieuwd hoe hij er onder zijn badjas uitziet, maar ik ga niet te opvallend naar hem kijken. Dat doet hij ook niet naar mij en het zou onbeschoft zijn om te doen. Ik heb nog steeds het gevoel dat Joey afstand probeert te houden. Hij laat niet zoveel doorschemeren en kijkt me nauwelijks aan. Alsof hij me toch maar raar vindt. Dat zou natuurlijk best kunnen en het zou zijn goed recht zijn, maar ik vraag me wel af waarom hij me dan uitnodigt om bij hem op de kamer te slapen. Het kan nooit zo zijn dat het nog steeds allemaal vanwege die handdoek is.

Misschien heeft hij gewoon medelijden met me.

Zodra ik hoor dat Joey achter mij de eerste stap in het water zet, draai ik me glimlachend om. Maar ik ben al te laat om iets te zien van zijn lichaam: hij duikt meteen voorover in het zwembad en is binnen een paar seconden borstcrawlend aan de andere kant. God, ik ben zó jaloers op mensen die kunnen borstcrawlen. Het is zo ongeveer het stoerste wat ik kan bedenken. Op dit moment tenminste.

Met mijn zielige schoolslagje kom ik er als een slak achteraan. Voor elke baan die ik zwem, crawlt Joey er drie. Inclusief pauzeren aan de badrand.

Het lijkt hem niet uit te maken dat ik zo sloom ben. Ik zou er zelf ook meer van moeten genieten. Wanneer krijg ik weer de kans om te zwemmen in een zwembad met maar één andere zwemmer, die ook nog zo jong en aantrekkelijk is? Misschien wel nooit meer.

Als ik voor de vierde keer richting de kant van de trap zwem, zit Joey op een van de bovenste treden. Eindelijk zie ik iets meer van hem dan alleen zijn gezicht. En ik kan zeggen, ook zijn bovenlichaam mag er zijn. Echt zonde dat hij het zo vaak verstopt in een driedelig kostuum.

Joey

Ze blijft tegenover me in het water staan en kijkt me aan. ‘Heb jij een vriendin, Joey?’

‘Nee,’ zeg ik zo zwoel mogelijk. Ik hoop dat mijn toon impliceert dat ‘wat niet is kan nog komen’.

‘O.’

O? Is dat alles?

‘Heb jij een vriend dan?’ vraag ik.

‘Nee, ik niet. Jij soms?’ Ze duikt meteen onder water na deze vraag. Zodra ze weer bovenkomt, kijkt ze me uitdagend aan. ‘Daar hoef je geen antwoord op te geven. Ik laat iedereen in zijn waarde, ook als onwijs knappe mannen ervoor kiezen om op andere onwijs knappe mannen te vallen. Jammer voor de vrouwen, dat wel, want ik moet zeggen dat de vrouwen die op vrouwen vallen meestal niet de allermooiste zijn. Maar ook daarover verschillen de meningen waarschijnlijk.’

‘Ik val niet op mannen,’ zeg ik toch maar, gewoon voor de zekerheid.

‘Oké. Dus je bent wel op zoek naar een vrouw? Op de versiertoer?’

‘Dat ook weer niet.’

‘Jeetje, Joey. Je bent niet zomaar in een hokje te stoppen.’

‘Ik kom gewoon niet de juiste vrouwen tegen. Ik ben er ook niet zo erg mee bezig, ik ga bijna nooit uit of zo.’

‘Wat doe je dan op zaterdagavond?’

‘Eh…’ Komt het heel kansloos over als ik haar de waarheid vertel, namelijk dat ik op zaterdagavond – zoals op ongeveer iedere avond – meestal met mijn laptop op de bank zit, half te werken en half televisie te kijken? Het is niet omdat ik werkverslaafd ben. Het is gewoon omdat ik mijn werk leuk vind en niets beters te doen heb. Zo kom ik ook nog eens toe aan mijn steevast overstromende mailbox, waar ik overdag geen tijd voor heb omdat mijn agenda meestal volgepland staat met afspraken. Ik vind dus dat ik me nergens voor hoef te schamen. Toch zeg ik: ‘Je weet wel. Beetje hangen met vrienden.’ Volgens mij klonk dat geloofwaardig genoeg. ‘Maar jij gaat dus meestal uit?’

‘Ja, meestal wel. Al is het wel wat minder geworden sinds mijn beste vriendin een vriend heeft.’

‘O, en sinds wanneer is dat dan?’

‘Paar maanden,’ mompelt ze, en ze duikt weer onder water. Dit keer duikt ze op aan de andere kant van het zwembad. ‘Ze is er niet leuker op geworden,’ roept ze vanaf daar. ‘Eigenlijk zouden we deze zomer samen op vakantie gaan, maar ze wilde toch liever met hem. Ik zei nog dat het niet goed was voor een prille relatie om al samen op vakantie te gaan. Zo’n relatietest kan beter wachten tot je elkaar wat langer kent, ja toch?’

‘Ja, daar zul je wel gelijk in hebben.’

‘Tenzij je elkaar tijdens de vakantie ontmoet natuurlijk, dat gebeurt ook.’

Ik wil haar donders graag vragen of ze daar iets mee bedoelt en zo ja, wat dan, want ze moet niet denken dat wij nu al een vakantieliefde hebben. Ik zou hooguit willen spreken van een vakantieflirt. En dan nog wel een heel rare. Misschien komt het omdat ik het flirten ontwend ben aangezien ik het minstens de laatste zes maanden niet meer gedaan heb, maar ik durf wel te zeggen dat ik er iets over weet, en wat ik me ervan herinner is totaal anders dan dit.

Eileen is alweer naar me toe gezwommen en loopt nu de traptreden op en naar haar badjas. Voor ze die stevig om zich heen trekt, geeft ze me de kans om haar van top tot teen te bewonderen. Was ze toen ik haar eerder vandaag ontmoette nog vrij gewoontjes, toen we op de handdoeken zaten vond ik haar al een beetje leuk. Eenmaal in het hotel raakte ik daadwerkelijk onder de indruk en nu… nu kan ik me geen mooiere vrouw voorstellen dan zij. De stadia van aantrekkingskracht in sneltreinvaart, en niet tegen te houden zelfs al zou ik het willen. Maar dat wil ik ook helemaal niet. Wat ik vooral wil is haar aanraken en zoenen, de hele nacht.

Eileen

Ik moest het zwembad uit. Het was zelfbescherming: als ik het niet had gedaan, was ik hem vroeg of laat besprongen. Hij bleef maar op die trap zitten met zijn goddelijke verschijning en of ik nu vanuit de verte naar hem keek of van dichtbij, ik wilde alleen maar nóg dichterbij komen.

Gelukkig heb ik nu weer veilig mijn badjas aan. Joey lijkt niet geïnteresseerd in vrouwelijke aandacht. Hij zegt dat hij niet op mannen valt en dat geloof ik wel, maar het is alsof hij op dit moment ook niet op vrouwen valt. Alsof hij alleen op zijn werk valt. Misschien is het iets tijdelijks, dat hoop ik voor hem. Je werk houdt je hand niet vast als je verdrietig bent.

Joey komt ook uit het zwembad en voor het eerst krijg ik zicht op zijn gehele lichaam. Niet dat ik zo oppervlakkig ben om alleen dáárnaar te kijken, hoor. Toen ik alleen zijn gezicht zag vond ik hem ook al leuk. Tenminste, dat geloof ik wel. Het is altijd moeilijk te pinpointen op welk punt je precies op een man valt. Anyway, mijn luchtbubbel wordt niet doorgeprikt als ik het totaalplaatje op mijn netvlies krijg. Joey is een mooie man. Precies genoeg gespierd, een beetje getinte huid – opvallend getint voor iemand die niet op vakantie is geweest – en gewoon algeheel goed gelukt.

Ik ga er geen compliment over maken. Alle toespelingen die ik tot nu toe heb gedaan, heeft Joey niet beantwoord. En ik zou toch zeggen dat mijn hints duidelijk genoeg waren. Zo ad rem ben ik doorgaans nooit en zo easy to get al helemaal niet. Het zal wel komen door de vreemde situatie dat ik me zo laat meeslepen, dat ik een man probeer te versieren die daar totaal niet voor openstaat. De echte Eileen had allang eieren voor haar geld gekozen. Maar misschien is het daarom dat de echte Eileen geen vriend heeft. Misschien is de echte Eileen wel wat te kritisch. Ik speculeer maar wat, hoor, ik weet niet of het klopt.

De hele weg terug naar onze kamer zegt Joey niets tegen mij en ik niets tegen hem. Ik wil dat hij begint, misschien wil hij dat ik begin. Misschien ook niet. Het is niet erg om soms stil te zijn, zegt Babette altijd. Ik vind het hondsmoeilijk om in gezelschap stil te zijn, maar het is wel een streven van me om wat vaker mijn grote klep te houden. Beschouw dit maar als een oefening.

Als we weer op onze kamer zijn, grijpt Joey meteen naar zijn telefoon, die knippert om aan te geven dat er een gemiste oproep is. Nog steeds zonder iets tegen mij te zeggen verdwijnt hij met zijn telefoon naar de badkamer. Ik mag hopen dat hij niet gaat zitten poepen en bellen tegelijk. Ik heb ooit wat met een man gehad die dat een slimme combinatie vond: zoals sommige mensen hun telefoontjes altijd opsparen voor als ze in de auto zitten, zo bewaarde hij de goede gesprekken voor op de wc. Hij vond dat ik het als een compliment mocht beschouwen dat hij juist dat moment koos om mij te bellen, en het niet even tussendoor prop te. Door de achtergrondgeluiden bij dat telefoongesprek vond ik het toch moeilijk om zijn gebaar te waarderen.

Joeys gezichtsuitdrukking als hij weer uit de badkamer komt is moeilijk te lezen. Nu mag hij toch echt wel iets gaan zeggen, vind ik, anders doe ik het zelf.

‘Dat was mijn secretaresse,’ zegt hij.

‘Aha.’

‘Ze zei dat er morgenvroeg weer vluchten zijn en dat ze me op de eerst mogelijke heeft geboekt.’

Shit, dat betekent vast dat hij supervroeg op moet staan, en als hij niet kan uitslapen, kan ik het natuurlijk ook niet. ‘En hoe laat gaat die?’ vraag ik voor de zekerheid. ‘Morgen vroeg’ is een rekbaar begrip, sommige mensen vinden tien uur nog vroeg.

‘Halfzeven.’

‘Halfzeven!’ roep ik. Ik dacht dat ik het alleen maar dacht, maar het kwam uit mijn mond. Zie je, dat is dus mijn probleem: ik kan gewoon mijn klep niet houden. ‘Dan moet je om vijf uur opstaan of zo. Dat is toch geen doen. Het is nu al na middernacht.’ Ik kijk op de wekkerradio en zie dat het zelfs bijna één uur is. ‘Vier uurtjes slaap en dan weer vliegen, en dan wil je meteen door naar je werk?’

Joey

Dat was wel het plan, ja. Wat moest ik anders tegen Saskia zeggen? Ze heeft haar hele vrije avond opgeofferd om voor mij zo snel mogelijk een vlucht terug naar Nederland te regelen. Dat heeft ze zelfs zo goed gedaan dat ik er geen afspraak voor hoef te missen, want als ik om even voor halfnegen op Schiphol ben en meteen een taxi neem, ben ik hooguit een kwartiertje te laat voor de vergadering van negen uur.

Toch moet ik Eileen wel gelijk geven. Het is al zo laat, ik kan amper slapen voor ik weer op pad ga. Nou werk ik wel vaker met een licht slaapgebrek, maar dat is nooit echt bevorderlijk voor mijn prestaties. Al helemaal niet als ik ook nog een ochtendvlucht achter de rug heb.

Maar wat moest ik dan tegen Saskia zeggen? Bedankt voor al je moeite, maar ik heb toch liever dat je mijn afspraken afzegt? Dat zal de baas ook leuk vinden als hij er lucht van krijgt. Nou is Saskia wel trouw aan mij en zal ze het niet gauw doorbrieven naar hogerop, maar ik weet dat de secretaresses onderling ook praten, en voor je het weet gaat zo’n verhaal het hele bedrijf rond.

Ik zie Eileen afwachtend naar me kijken. Ze wordt met de minuut mooier, het is ongelooflijk. Als ik niet beter zou weten zou ik denken dat ik droomde. Word ik zometeen wakker op een handdoekje op de marmeren vloer van de vertrekhal. Nee, daar geloof ik niks van. Dan was ik al na vijf minuten uit mijn droom gerukt doordat er iemand een trolley in mijn rug parkeerde of zoiets.

Ik heb nog steeds geen antwoord gegeven op haar vraag. Ik héb ook geen antwoord op haar vraag. Niet dat ik haar een verklaring schuldig ben. Het is mijn keuze om die vlucht te nemen.

Of niet te nemen.

Als Eileen nu tegen me zou zeggen: ‘Ik wil dat je blijft’, dan zou ik blijven. Zo simpel ligt het. Maar ze gaat het niet zeggen, niet zo expliciet, ook al benoemt ze andere dingen wel expliciet. De bal ligt nu bij mij.

‘Momentje,’ zeg ik tegen haar.

Ik neem mijn telefoon weer mee naar de badkamer en kies het laatst gekozen nummer opnieuw. Het duurt even voor Saskia opneemt. Ik heb haar in het vorige gesprek op het hart gedrukt nu echt te gaan slapen omdat het al zo laat was en morgen de dag weer vroeg begint, en toen zei ze tegen mij dat ik ook echt moest gaan slapen, waarbij ik mezelf heel vluchtig betrapte op de gedachte dat ik liever iets anders zou doen, iets waar Eileen een verdacht grote rol in speelde.

‘Hallo? Joey?’ Saskia klinkt slaperig. Zo zeg, die valt snel in slaap. Ze moest wel doodmoe zijn.

‘Ja, ik ben het nog even. Ik heb besloten die vlucht van morgenochtend toch niet te nemen. Het spijt me voor al je moeite om het voor elkaar te krijgen, maar het is gekkenwerk om morgen zo vroeg het vliegtuig te pakken. Dan kom ik nauwelijks aan slaap toe.’

‘Oké,’ zegt ze. ‘Ik zal kijken of ik een latere vlucht kan krijgen en je afspraken van morgenochtend verzetten.’

‘Doe die van morgenmiddag ook maar. Dat is geen al te groot probleem, toch?’

Ik hoor haar de computer opstarten en even later zegt ze: ‘Nee, dat moet wel kunnen. Het is hoogzomer, dus je hebt nog wel wat gaatjes in je agenda om mee te schuiven.’ Saskia is mijn puzzelprinses. Geef haar een overvolle agenda en zij weet het zo te schuiven dat er een paar vrije uren ontstaan. ‘Zal ik dan een vlucht voor morgenmiddag voor je boeken?’

‘Morgenavond, als het kan,’ zeg ik. ‘En als er ruimte is, reserveer dan alsjeblieft twee stoelen. Ik heb nog iemand bij me.’

Ze lacht vrolijk. ‘Oooohhh.’

‘Ik ga weer ophangen, Saskia. Duizendmaal dank voor je hulp.’ Ik wil haar bijna vragen of ze in mijn agenda een reminder zet dat ik een gigantische bos bloemen voor haar moet kopen, maar bedenk net op tijd dat ik daarmee de verrassing tenietdoe.

Ik open de badkamerdeur weer en wil Eileen het goede nieuws vertellen, als ik zie dat ze voor pampus ligt. Ze heeft haar bikini nog aan en ligt diagonaal over het tweepersoonsbed. Ik ga in de stoel bij het raam zitten en neem vijf minuten om haar te bewonderen voordat ik het dekbed over haar heen trek en voor mezelf bij de receptie een stretcher ga halen, en ook meteen die schone onderbroek.

Eileen

Ik voel de zon branden op mijn huid. Mmm, wat is dat fijn. Ik ben gek op vakantie. Kon het maar altijd zomer zijn en dan ook nog altijd vakantie. Dat is wat ik zou doen als ik de loterij won: de zomer achternareizen.

Ik draai me nog eens om en probeer mijn ogen dicht te houden. Maar het lukt niet meer, ik ben te wakker. Ik open ze langzaam en zie dan waarvan ik wakker ben geworden: direct naast mijn bed probeert iemand een stretcher in elkaar te klappen. Hij stopt zodra hij ziet dat ik wakker ben. ‘Zo, schone slaapster.’

‘Joey?’

‘Ja, ik ben het.’

Vreemd. Het is al licht, de zon schijnt zelfs uitbundig, en hij is er nog. Is het al licht om vijf uur ’s ochtends? Nee toch? Ik herinner me van gisteravond dat hij een vlucht zou nemen om halfzeven en dat ik daar hoogstverbaasd op reageerde, maar daarna weet ik niets meer. Ben ik meteen in slaap gevallen? ‘Hoe laat is het?’ vraag ik.

‘Acht uur.’

O, dat valt nog mee. Ik dacht dat ik een gat in de dag had geslapen. ‘Maar dan heb je je vlucht gemist,’ zeg ik.

‘Nee. Ik heb nog met mijn secretaresse gebeld en haar de reservering laten cancelen. Ze stuurde me later nog een mailtje dat het geen probleem was, omdat er zo veel mensen weg willen uit Frankrijk. Maar snap jij dat nou?’

‘Nee, ik snap er helemaal niks van. Wie zou er nou terug willen naar Nederland als hij de kans krijgt om langer in Frankrijk te blijven. Dan ben je toch gek?’

Joey grinnikt. ‘Jaja, wrijf het er maar in.’

‘Ik ben blij dat je bent gebleven.’

‘Nou ja, we hebben maar één dag. Vanavond gaat het vliegtuig alsnog.’

Zei hij nou ‘we’? Hij gaat er dus van uit dat we deze dag samen zullen doorbrengen. Ik moet zeggen dat dat vooruitzicht me wel aanstaat. Als ik slim zou zijn, zou ik natuurlijk naar het vliegveld gaan om ook te proberen of ik een vlucht terug kon regelen, maar ik heb daar helemaal geen zin in. Het maakt niet uit of ik vandaag terugvlieg of morgen of overmorgen. Ik hou weliswaar wat minder tijd over om de vakantiewas weg te werken en thuis de voorraadkast aan te vullen voordat ik weer aan het werk moet, maar als dat het grootste probleem is, dan is er eigenlijk helemaal geen probleem. Ik kan gerust tot het weekend in Frankrijk blijven, en voor die tijd moet het wel een keer gelukt zijn om een ticket te bemachtigen.

‘Dat is goed nieuws,’ zeg ik. ‘Ik zal me even douchen en omkleden, dan kunnen we daarna de stad in of naar het strand.’

‘Of allebei.’

‘Ja, allebei kan ook. We hebben de hele dag.’

Onder de douche laat ik mijn gedachten nog eens gaan over het gesprekje van daarnet. Het voelde goed om ‘we’ te zeggen als het ging over Joey en mijzelf. Iets té goed. Ik moet uitkijken dat ik niet te hoge verwachtingen krijg en straks genadeloos het deksel op mijn neus krijg. Natuurlijk vindt hij het leuker om de dag met mij door te brengen dan in zijn eentje. Dat hij toevallig met mij is gestrand in plaats van met iemand anders, zegt verder niks. Voor hem ben ik misschien wel inwisselbaar gezelschap. Dat moet ik goed voor ogen houden.

‘Heb jij nou vannacht op een stretcher geslapen?’ vraag ik hem als we aan de ontbijttafel zitten. Ik heb schandalig veel op mijn bord gelegd omdat alles bij het buffet er even lekker uitzag en ik gisteren geen fatsoenlijke avondmaaltijd heb gegeten omdat ik de bus naar het vliegveld moest pakken, dus ik heb wat in te halen.

‘Ja. Ik heb er een opgehaald bij de receptie. Je lag zo lekker te slapen, dat wilde ik niet verstoren.’

‘Dus jij hebt op zo’n oncomfortabel ding geslapen en ik prinsheerlijk in het grote bed, terwijl jij voor deze kamer hebt betaald.’

‘Ik betaal niks. Dat zijn onkosten, die krijg ik allemaal vergoed.’

‘Oké. Maar dan nog vind ik het lief van je.’

Joey

Dat is al de tweede keer dat ze me een compliment geeft. Eerst was ik ‘liever dan ik dacht’, nu ben ik al gepromoveerd tot gewoon lief. Ik wil zeggen dat ik haar ook lief vind, maar dat zou stom zijn, want er is geen aanleiding om zoiets te zeggen, en dan zou ze denken dat ik een slijmbal ben.

We praten verder over Marseille en moeten lachen als we fantaseren dat we in de taxi belanden bij Daniel, de chauffeur uit de Taxi-films met zijn opgevoerde witte taxi die zo snel gaat dat de radars zijn snelheid niet eens kunnen waarnemen. Het is het enige wat we allebei weten over Marseille, want hoewel Eileen wel één dagje de stad in is geweest, heb ik die alleen gezien vanuit verschillende taxi’s.

Vanuit het hotel lopen we lukraak het centrum in. Deze dag heeft geen planning, we hebben geen reisgids om op te vertrouwen en geen van ons weet genoeg over Marseille om de ander rond te leiden.

‘Wat heb je die ene dag dan gedaan?’ vraag ik aan Eileen.

‘Geshopt. Nou ja, eigenlijk vooral winkels gekeken, want ik had niet genoeg geld om echt iets te kopen.’

Ik moet lachen omdat ik zo weinig begrijp van vrouwen. Als je geen geld hebt om iets te kopen, waarom zou je dan toch gaan shoppen? Waarom zou je jezelf kwellen met de aanblik van alle dingen die je niet kunt hebben? Zodat je thuis tegen je vriendinnen kunt zeggen dat je toch zó’n mooie jurk hebt gezien in Marseille, maar helaas, je kon hem niet meenemen?

‘Zat er wat moois bij?’ vraag ik haar.

‘Altijd. Ik heb best een makkelijk kledinglichaam, al schijn je dat niet te mogen zeggen als vrouw. Er moet altijd wel iets zijn waarover je mag zeuren omdat confectiekleding niet mooi past: te lange benen, te brede heupen, te dikke kuiten, te grote borsten. Ik heb daar geen last van. Mij staan de meeste dingen wel. Niet dat ik een perfect lichaam heb,’ voegt ze er met een lachje aan toe.

Het komt wel verdomd dicht in de buurt, dat perfecte lichaam, als je het mij vraagt. ‘Ik herken het probleem totaal niet,’ zeg ik, ‘maar ik ben dan ook geen vrouw.’

‘Geloof mij maar: genoeg mannen hebben hetzelfde. Als jij er geen last van hebt, heb je ook een makkelijk kledinglichaam, net als ik.’

‘Ik ben dus een ideale mannequin.’

‘Eigenlijk wel. Als je nog niet genoeg hebt aan je eigen carrière, zou je zo aan de slag kunnen als mannelijk model.’ Ze staat ineens stil. ‘We moeten wat anders voor je kopen. Als jij de hele dag in pak rondloopt en ik in een zomerjurkje, ziet dat er niet uit. Dit kan toch ook nooit comfortabel zijn voor je?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Ik ben niet anders gewend.’

‘Dat zal wel zo zijn, maar Joey, kom op, dit is geen vrijetijdskleding.’

Ik kan niet anders dan haar daar gelijk in geven. Toen ik vanmorgen mijn pak aantrok is het ook wel door mijn hoofd geschoten, maar aangezien ik niets anders bij me heb behalve nóg een pak, was de keuze snel gemaakt.

Ze sleept me een kledingwinkel binnen en begint meteen van alles bij elkaar te zoeken. Na tien minuten heeft ze een setje samengesteld van een luchtige broek en een overhemd met korte mouwen. ‘Trek dit maar eens aan.’

Ik neem de kleren mee naar de paskamer. Het kost meer tijd om mijn pak uit te trekken dan om de kleding aan te trekken. Tot mijn verbazing zit alles meteen goed. Blijkbaar heeft Eileen gelijk en heb ik daadwerkelijk een makkelijk kledinglichaam. Ik trek de kaartjes eraf en houd de kleren meteen aan.

‘Dat heb je goed gedaan,’ complimenteer ik haar. ‘Het zit uitstekend. Je hebt er oog voor, daar zou je wat mee moeten doen.’

Ze glimlacht. ‘Doe ik ook al.’

‘O ja? Wat doe je dan?’ vraag ik, want ineens realiseer ik me dat ze dat nog niet heeft verteld.

‘Ik ben vestigingsmanager bij een lingeriezaak.’

Kan deze vrouw nóg perfecter worden?

Eileen

Joey vond het onhandig om met zijn pak in een tas door de stad te blijven lopen en ik was dat met hem eens, dus zijn we eerst teruggegaan naar het hotel om het in de pakkenzak te stoppen en daarna weer de stad in gegaan. Hij ziet er een stuk relaxter uit in zijn nieuwe outfit. Toen we vanmorgen het hotel verlieten zou je gedacht hebben dat hij een zakenman was op weg naar een of andere vergadering en ik de escortdame met wie hij de nacht had doorgebracht. We matchten voor geen meter. Nou vind ik heus niet dat iedereen die toevallig naast elkaar over straat gaat een mooi setje moet vormen, en wij zijn überhaupt geen setje, wij zijn gewoon twee vreemdelingen die toevallig de dag met elkaar doorbrengen. En de afgelopen nacht. Maar dat was slapend en niet eens bij elkaar in bed, dus dat telt niet.

Toch voelt het een stuk beter dat hij in normale kleding naast me loopt.

De rest van de dag besteden we aan het bezichtigen van de stad op basis van een Engelstalige reisgids die Joey koopt bij een toeristenwinkeltje. We bezoeken de Marseillaanse versies van de Sacré-Coeur en de Notre Dame, en precies andersom dan in Parijs ligt hier de laatste op een heuvel.

Maar eigenlijk is het veel te warm om toeristische attracties te bezoeken, hoe koel het binnen in de kerken ook is. Aan het begin van de middag besluiten we (of eigenlijk: ik) een zwembroek te kopen voor Joey en nemen we vanaf de oude stadspoort de ‘Batobus’ naar Pointe-Rouge, naar het strand.

Het is gek om te bedenken dat ik eigenlijk alweer thuis had moeten zijn. Dan had ik nu een was in de machine gehad en was ik misschien bij de supermarkt geweest. Ik moet zeggen dat deze wending me toch een stuk beter bevalt.

Joeys nieuwe zwembroek is wat wij in Nederland een ballenknijper noemen. Iets anders konden we zo snel niet vinden, want in Frankrijk ben je verplicht een nauwsluitende zwembroek te dragen in zwembaden. (Al gold dat niet in ons hotel, daar mocht hij gewoon in zijn onderbroek zwemmen. Maar dat hebben we niet nagevraagd en niemand kwam ons controleren. Misschien was het wel hartstikke illegaal.) Ik had ook geen zin om verder te zoeken. Ik vind strakke zwembroeken namelijk wel sexy. Is dat een afwijking? Dan is dat maar zo. Joeys alles komt er prachtig in uit, voor- én achterkant. Mij hoor je niet klagen. Absoluut niet.

‘Wil je ook de zee in?’ vraagt Joey.

‘Nee, ga jij maar, dan blijf ik wel op onze spullen passen. Maar zou je mij eerst willen insmeren?’

Hij heeft de fles zonnebrand al gepakt voor ik mijn vraag kan afmaken. Ik ga op mijn buik liggen en maak mijn bikini aan de achterkant los zodat hij mijn hele rug kan insmeren. De rest lukt me zelf wel, al zou ik het niet erg vinden als hij dat ook deed. Zijn handen zijn warm en zacht en de geur van zonnebrandcrème brengt me altijd in een bepaalde stemming. Je zou haast denken dat ze er een stofje in doen dat je licht in je hoofd maakt.

Als Joey klaar is met mijn rug, geeft hij een kusje op mijn schouderblad. ‘Klaar.’

Ik klik de haakjes van mijn bikini weer in elkaar, draai me om en neem de fles van hem over om de rest van mijn lichaam in te smeren. Naast mij ligt een groepje Franse jongeren. Een van hen heeft een smartphone waarop hij Franse rap draait. Ik heb een hekel aan Nederlandse rapmuziek, vind het vaak belachelijk klinken, maar in het Frans is het geweldig. Het scheelt vast dat ik nauwelijks Frans spreek. Ik heb geen idee waarover het gaat en daarom klinkt het goed.

Joey houdt het niet lang uit in de zee. Hij loopt op de maat van de Franse rap op me af terwijl de druppels van zijn lijf lopen.

Joey

De zee kwam als geroepen. Ik had een genadeloze stijve gekregen van het insmeren van haar rug. Gelukkig kon ik me zo draaien dat ze het niet zag terwijl ik naar de zee liep. Nu ben ik weer even afgekoeld. Maar ik moet uitkijken dat ik niet naar haar kijk, met haar glanzende bruine benen in de zon, want anders komt hij net zo hard weer terug.

Ze is veruit de mooiste van het strand. Of ben ik blind geworden voor de rest van het vrouwelijk schoon? Als dat zo is, dan alleen omdat zij de mooiste is.

Er is iets wat maar weinig mensen over mij weten. Tegen Eileen heb ik het wel een beetje gezegd, maar dat was niet het hele verhaal, want daar vroeg ze niet naar. De waarheid is dat ik al jaren niet verliefd ben geweest. Maar ik weet nog wel hoe het was, en ik weet heel zeker dat ik verliefd ben op Eileen. Ik realiseerde het me net, toen ik in de zee lag af te koelen en naar haar keek. Ineens begreep ik het.

Ik weet niet meer zo goed hoe ik hiermee om moet gaan. Moet ik haar versieren of moet ik het gewoon zeggen? Ik moet in ieder geval snel zijn, want als ik het niet voor vanavond heb gezegd, gaan we uit elkaar en zien we elkaar misschien nooit meer. Die gedachte vind ik onverdraaglijk. Shit, ik heb het echt zwaar van haar te pakken.

Terug bij onze handdoeken weet ik me ineens geen houding te geven. Ik lijk wel een onzeker schoolmeisje. ‘Hoi,’ zeg ik voordat ik ga zitten.

Eileen kijkt op van haar tijdschrift. ‘Lekker gezwommen?’

‘Ja. Het water is lekker warm.’

‘Ik hou eigenlijk niet zo van zeewater. Mij te zout.’

‘O, dus jij houdt meer van zoete dingen?’ Ik hoor het mezelf zeggen en moet bijna kokhalzen. Voordat ik tot het besef kwam dat ik verliefd op haar was verliepen onze gesprekken heel natuurlijk. Toch? Ik zei geen domme, overdreven of slijmerige dingen. Nu komt er ineens niets natuurlijks meer in me op.

‘Ja, ik ben gek op zoete dingen.’ Ze kijkt me aan met opgetrokken wenkbrauwen en ik zou zweren dat ze een onderliggende boodschap wil overbrengen.

Als er ooit een moment is geweest of nog zal komen waarop ik een move moet maken, dan is het dit. Ik beweeg me dichter naar haar toe en zeg: ‘Zou je een uitzondering kunnen maken?’

‘Dat ligt eraan waarvoor.’

Nu weet ik het zeker. Ik leg mijn hand op haar warme onderrug en trek haar naar me toe. Haar lippen zijn zoet en de mijne zout van de zee en ik geloof dat die twee smaken niet zo goed zijn samengegaan sinds de uitvinding van zoutjes met chocola. Het kost me de grootste moeite om mijn gedachten erbij te houden, en het lukt me al helemaal niet om haar lippen los te laten.

Eileen

Wow. Wow, wow, wow.

Wow.

Als ik iets niet had verwacht.

Na de kus sluit ik mijn ogen en laat me achterovervallen op mijn handdoek. Joeys hand ligt nog steeds op mijn rug, of eigenlijk onder mijn rug; ik lig op zijn hand. Verder voel ik alleen de zon en de nasleep van de kus.

Uiteindelijk lukt het me weer om mijn ogen open te doen en ik rol me op mijn zij om naar Joey te kijken. Hij ligt ook op zijn zij en kijkt naar mij. ‘Ik ben overtuigd,’ zeg ik tegen hem. ‘Zoute dingen kunnen ook heel lekker zijn.’

Hij glimlacht met zijn zoute lippen.

Het is alsof alles van de afgelopen twintig uur onvermijdelijk naar deze kus heeft geleid. Ik geloof niet zo in voorbestemde dingen, ik had dit heus niet in mijn hoofd toen ik hem aanbood dat hij op een handdoek van mij mocht zitten, maar nu hij me gekust heeft, is het alsof er niets anders had kunnen gebeuren.

Ik vraag me alleen af wat er vanaf dit punt nog kan gebeuren. Joey moet terug naar de stad en dan door naar het vliegveld om zijn avondvlucht naar Nederland te halen. Ik moet eraan geloven dat ik ook in actie moet komen.

We rollen de handdoeken op en stoppen ze weer in de tas, ik trek mijn kleding aan over mijn bikini en Joey houdt ook zijn zwembroek aan. We lopen terug naar de ferry, die ons terugbrengt naar de stad, en voor ik het weet zijn we weer in het hotel.

‘Nou,’ zeg ik als we onze bagage bij de receptie hebben opgehaald. ‘Dit was het dan.’

Ik baal ontzettend. Gisteravond had het me nog niet uitgemaakt als onze wegen zich scheidden. Maar nu is alles anders. Ik weet wel dat Joey weg moet. Hij gaat terug naar Nederland en morgen gaat hij weer aan het werk, en dan heeft hij geen tijd voor mij. Dat is het enige wat er vanaf dit punt nog kan gebeuren: we gaan uit elkaar en zien elkaar nooit weer. Of alleen als vage kennissen die ooit een perfecte dag met elkaar hebben doorgebracht.

Weet je, als je zestien bent is dat prima. Dan is een vakantieliefde een avontuur waar je tot de kerstvakantie met heimwee aan terug kunt denken. Je praat erover met vriendinnen en schrijft zijn naam duizend keer in je agenda. Dan mag je nog liefdesverdriet hebben om een vakantieliefde. Maar ik ben geen zestien meer. Als ik Babette vertel dat ik heb gezoend met een man die ik pas twintig uur kende, zal ze zoiets zeggen als: ‘Goed gedaan. Hebben jullie het ook gedaan?’

Fuck, we hebben het niet eens gedaan. Ik kan hem niet zo laten gaan. Het is niet eerlijk.

‘Eh, Eileen… Dit was het nog niet. Ik weet niet hoe ik dit moet zeggen… Ik heb Saskia ook een ticket voor jou laten boeken. Je kunt met dezelfde vlucht mee als ik.’

De verbazing is vast in kilo’s van mijn gezicht te scheppen. Als dat al een uitdrukking is. Boeit ook niet.

‘Wil je dat?’ vraagt hij.

‘Natuurlijk wil ik dat! Ik moest er al niet aan denken dat ik zelf een vervangende vlucht moest regelen.’ Wat ook precies de reden is waarom ik die gedachte de hele dag opzijgeschoven heb. ‘Maar dat kan ik toch niet aannemen!’

‘Zie het maar als een bedankje voor alles wat je voor mij hebt gedaan.’

‘Joey, je hebt echt al honderd keer meer voor mij gedaan dan ik voor jou.’

‘Dat is niet waar,’ zegt hij. ‘Je weet niet half wat je voor mij hebt gedaan.’

Er is geen tijd meer om hem om een toelichting te vragen, want de taxi rijdt voor. Deze keer is de chauffeur wel zo hoffelijk om onze bagage in de kofferbak te laden terwijl Joey en ik op de achterbank gaan zitten. Joey trekt mij tegen zich aan en steekt zijn neus in mijn haar, dat ruikt naar chloor en fruitige hotelshampoo vermengd met een beetje zeelucht.

Joey

De tijd gaat ineens veel te snel. Gisteravond wilde ik nog niets liever dan zo snel mogelijk terug zijn in Nederland, maar er is iets veranderd. Ik had het moeten weten toen ik Saskia vroeg om de vroege vlucht te cancelen, en het was al helemaal een teken aan de wand dat ik haar vroeg ook een stoel voor Eileen te reserveren op de avondvlucht. Soms weet je dingen al voordat je ze weet.

‘Waar woon je?’ vraag ik haar als we bij de bagageband op Schiphol wachten op haar roze koffer. Ik zie hem in de verte al aankomen. Misschien kan ik het nog iets rekken door haar af te leiden met een kus, zodat de koffer nog een rondje moet? Of door een taxi te delen naar haar huis? Ik zou er zelfs de omrit voor overhebben als ze naar Maastricht moest.

‘Alphen aan den Rijn,’ zegt ze zachtjes.

‘Daar is niks mis mee.’

‘Nee. Ik voel me gewoon een beetje down.’

‘Waarom dan?’

‘Omdat ik bang ben dat ik je hierna nooit meer zal zien.’

‘Als het aan mij ligt, zie je me elke dag,’ zeg ik.

‘Maar dat is niet realistisch. Jij hebt een veeleisende baan en wie weet hoe ver weg je woont, en dan moet je ook nog regelmatig op reis.’

‘Wat kan het ons schelen wat realistisch is? Ik kom je gewoon opzoeken wanneer je maar wilt; zo ver is Alphen aan den Rijn ook weer niet van Amsterdam.’

Eileen haalt haar koffer van de band en kijkt me serieus aan. ‘Wanneer ik maar wil?’

‘Wanneer je maar wilt,’ bevestig ik.

‘Dat zal echt heel vaak zijn, hoor.’

‘Des te liever.’ Ik kijk haar hopelijk overtuigend aan. ‘Dat ik de laatste jaren zo op mijn werk gefocust ben geweest, heeft voor een heel groot deel te maken met een gebrek aan andere dingen om me op te focussen.’

Ze lacht. ‘En nu heb je die wel?’

‘Dat weet ik wel zeker, ja.’

‘Ik kan het niet geloven, Joey. Ik vraag me elke keer maar af wanneer ik wakker word.’

‘Zal ik je wakker kussen?’

Ze knikt en ik zoen haar opnieuw, nog langer en intenser dan de vorige keer.

Dan slaat ze haar ogen weer naar me op en er ligt een twinkeling in. Ze zegt, verwonderd: ‘Je bent er nog steeds.’

‘Ja. Jij bent nog niet van me af, Eileen. Nog lang niet.’

‘Misschien wel nooit?’

‘Dat zien we dan wel weer. Niet te hard van stapel lopen, meisje.’

Eileen lacht en ik smelt. Ik heb altijd gedacht dat aan alle goede dingen een eind kwam, maar misschien heb ik het bij het verkeerde eind. Ik heb het nog nooit zo graag bij het verkeerde eind willen hebben als nu.


Heb je genoten van dit verhaal? Wil je dan een recensie achterlaten op Hebban, Goodreads, Boekenwereld of Bol.com?

Meer lezen van Petra Kruijt?

Een jaar single (Single #1)

Een jaar single is een feelgoodverhaal over het op afstand houden van liefde. Alsof de liefde zich iets aantrekt van anti-romantische voornemens…

In Een jaar single van Petra Kruijt heeft Jane haar leven lang de ene relatie na de andere gehad. Als het uitgaat met haar meest recente vriend, besluit ze het anders te gaan doen: ze blijft minstens een jaar single. Jane trekt in bij haar beste vriendin Brigitte in Rotterdam-Noord en richt zich op zichzelf, haar werk en haar vriendinnen. Maar er is één man, Pieter, die blijft opduiken. In haar leven én in haar gedachten. Wat moet ze nu? Toegeven aan de liefde, of vasthouden aan haar plan?

Een jaar single is het eerste deel van de Sing​le-serie door Petra Kruijt.