Nieuwsbrief

Stapstenen – Hoofdstuk 1

Stapstenen

Stapstenen, een familieroman van Margreet Maljers, gaat over Victorien, moeder van twee en getrouwd met Bob. Bob vertelt op zijn sterfbed dat hij een kind heeft gekregen met een ander. Deze vrouw, de twintigjarige Claudia, is naar Amerika vertrokken. Het kindje is nu bij Claudia's tante, maar als die voor een operatie naar het ziekenhuis moet, ontfermt Victorien zich erover. De bemoeienis van haar schoonfamilie met haar leven en gezin doet haar besluiten de stad Amsterdam te verruilen voor het oosten van het land.

Stapstenen'is een indrukwekkende roman, met veel inlevingsvermogen geschreven door Margreet Maljers.


Hoofdstuk 1

Eigenlijk zou je een paar weken moeten kunnen overslaan, dacht Victorien van Hierden. Ze vocht manmoedig tegen de wanhoop die haar af en toe overviel. Ze wist dat ze zich niet kon permitteren haar gevoel te volgen. Voor Bob niet. Voor de kinderen niet. Ze klemde haar kiezen op elkaar. Met de dag, met het uur leven. Er zat niets anders op. Gewoon doen wat ze moest doen. En dat was op dit moment haar laatste patiënt bezoeken.

Ze draaide de sleutel om in het slot en stapte naar binnen in de hal van het grote huis waar mevrouw Van Ravenschot logeerde. Het huis was van haar dochter, die de sleutel aan Victorien had gegeven, zodat ze zelf binnen kon komen. ‘Anders sta je zo lang te wachten, want moeder vliegt niet direct naar de deur,’ had Annette glimlachend gezegd.

De foto aan de witte muur, die een glooiend landschap liet zien met daarop een tarweveld dat omzoomd werd door struikgewas en groepen loofbomen, vervulde Victorien met een soort heimwee. Al was ze er nooit geweest, ze wist zeker dat achter de hoge heggen fruitbomen en bessenstruiken stonden. Er zouden vast ook mussen in de heg zitten en andere kleine vogels die aangetrokken zouden zijn door het fruit. Ze zuchtte even. Het moest heerlijk zijn om daar te wonen.

Amsterdam was bruisend en vol van leven en in de tijd toen Bob en zij nog met z’n tweeën waren, hadden ze genoten van het bestaan in de stad. Toen ze kinderen kregen, veranderde dat. Een etage in het centrum was leuk, maar de kinderen kregen niet de kans om buiten te spelen en rond te rennen. Ze gunde hen zo de vrijheid die zijzelf had gehad als kind en als puber.

Het was op dit moment niet anders. Ze rechtte haar rug en stapte de kamer binnen. ‘Dag mevrouw Van Ravenschot. Het is tijd voor het martelkwartiertje,’ zei ze. Haar opgewekte stem klonk haar zelf onecht in de oren.

De kleine, grijze vrouw die voor het raam zat, merkte het. Ze glimlachte bezorgd. ‘Dag Victorien. Hoe is het? Gaat het een beetje met jou? En met je man?’

‘Daar wilde ik het met u over hebben. We hebben het er eerder over gehad… Ik stop nu met werken. Tot…’ Victoriens stem stokte.

‘Ik begrijp het.’ Mevrouw Van Ravenschot knikte en wist het vervolg van de zin die Victorien niet uitsprak. Je kon toch niet zeggen: tot je man is overleden? Al was dat de treurige werkelijkheid.

‘Daar heb ik rekening mee gehouden toen we er de laatste keer over spraken. Regel maar geen vervanging. Ik ga over een week weer naar huis. Voor dat weekje is het niet nodig, lijkt me, al weet ik nog niet wie ik in Munnikenwold in kan schakelen. Ik haal veel gemakkelijker adem sinds jij op mijn rug timmert.’

‘Nee, ik regel wel iemand. Over twee dagen komt er iemand anders langs. Daar zorg ik nog wel voor.’ Victoriens handen klopten behoedzaam op de tengere rug van de oude dame. ‘In dat dorp zelf is geen fysiotherapeut, zei u?’

‘Nee. Heel lastig. We hebben er wel een gehad. Maar die man was zo hardhandig. Mijn wervels begonnen spontaan te schuiven als hij binnenkwam en ik kreeg blauwe plekken op mijn heupen als hij die masseerde. Mocht je ooit… Nou ja, dat is niet aan de orde.’

‘Nee.’ Victorien masseerde de schouder en de bovenarm van de oude dame en behoedzaam gingen haar vingers over de smalle rug.

‘Vertel eens… Hoe groot is uw dorp?’ vroeg ze om maar iets te zeggen. ‘Of is het een stadje?’

‘Een dorp, al is het de laatste jaren veel groter geworden.’ Mevrouw Van Ravenschot begreep dat Victorien niet over de toestand van haar man wilde praten en babbelde luchtig verder.

‘Het is een dorp met veel boerderijen, een paar slagers, twee bakkers, een supermarkt, een smederij, een werkelijk prachtige modezaak, een wolwinkel, een basisschool en een kerk in het centrum aan het dorpsplein,’ somde ze op. ‘De middenstand moet het vooral hebben van de toeristen die in de zomer bijna voor een overstroming aan mensen zorgen. De bevolking verdriedubbelt een paar maanden, maar eind september zijn we voor een groot deel weer onder ons. Verder hebben we een notaris, een dokter en een dominee plus een apotheker. O, en een veearts en de commissaris van de politie natuurlijk.’

‘Een handjevol notabelen dus nog?’ Onbewust klonk de stem van Victorien spottend.

Mevrouw Van Ravenschot schoot in de lach. ‘Zeg, we leven daar niet in de vorige eeuw hoor. Dat is maar een aanvulling op onze middenstand. En onze smid is de centrale figuur in de dorpsgemeenschap. Er is een grote stoeterij en een bedrijf waar ze pony’s fokken. Dus hij is onmisbaar.’

‘Ach,’ zei Victorien. Even zag ze de illustratie van een smederij voor zich die ze ooit in een boek over begin 1900 had gezien: een open vuur, een man met een leren voorschoot die een hamer in zijn hand had en op een hoefijzer sloeg. Natuurlijk was het geen reëel beeld, maar evengoed fijn om zoiets voor ogen te hebben. Zoveel prettiger dan een ziekenkamer of een patiënt, al had deze oude dame geen deprimerende uitstraling. Dat was prettig om te zien. Niet zo pijnlijk als… Haar gedachten dwaalden alweer af en ze zag niet meer de losse huid op de rug van haar cliënt, maar de ingevallen wangen van Bob, haar man. Zo afschuwelijk vlug als het ging. Nog maar vijf weken geleden hadden ze het nieuws gekregen dat er niets meer te doen was aan zijn toestand. Alvleesklierkanker. De meest agressieve vorm. Nog steeds overheersten de ontzetting en het ongeloof. Alle praktische zaken weken ervoor. Hoe bereidde je je nu voor op een afscheid?

Bob, die altijd woorden paraat had, was vervallen in zwijgzaamheid en wilde vrijwel niet praten. Met de artsen niet, met zijn ouders, zijn broer en zus niet. Ook hun predikant kreeg er weinig woorden uit. Ook met haar sprak hij bijna niet. Hij lag voor zich uit te staren en alleen zijn vingers bewogen rusteloos heen en weer. Zij wist zelf ook niet hoe ze hem moest bereiken. Ze had hem bijna gesmeekt om te praten, maar het ging niet.

Woordeloos contact was ook niet mogelijk. Hij ontweek haar blikken. Het leek wel of hij een muur optrok. Was er meer wat hem dwarszat dan zijn toestand? Als ze er goed over nadacht was dat afstandelijke van hem veel eerder begonnen. Of beeldde ze zich dat nu in? Maar wat kon er erger zijn dan te weten dat je nog maar een korte tijd te leven had? Ze slikte.


Mevrouw Van Ravenschot zweeg. Haar sympathieke fysiotherapeute was met haar gedachten niet meer in deze kamer. Logisch. Ze zou het nog zwaar krijgen. Nu, en als haar man overleden was nog meer. Ze zuchtte, draaide haar hoofd wat, en keek naar het ronde gezicht van Victorien. De mond die de eerste keren dat ze haar had ontmoet naar een lach had gestaan, was nu een streep.Er was niets wat ze tegen haar kon zeggen. Hier hielpen woorden niet.

Victorien ging na een paar minuten rechtop staan. ‘Genoeg voor vandaag. Eigenlijk zou u iedere dag even geklopt en gemasseerd moeten worden. Het scheelt echt, hè?’ Ze was er nu weer helemaal bij.

‘Ja.’ Mevrouw Van Ravenschot legde even haar tengere hand op de bredere hand van Victorien en keek in het gezicht met het donkere krullende haar dat de jonge vrouw in een paardenstaart had gebonden. Dat deed ze altijd als ze aan het werk was. Haar dat naar voren viel, was lastig. Haar ogen waren helblauw en hadden een bedroefde uitdrukking. ‘Ja, het scheelt echt,’ gaf ze toe.

‘Er is vast wel een praktijk bij Munnikenwold in de buurt. Of een ziekenhuis in de stad. Er is toch wel een stad die een beetje dichtbij ligt?’ Victorien trok de bloes van mevrouw Van Ravenschotweer recht.

‘Natuurlijk. Maar maak je niet druk om mij. Dat regel ik wel.Mijn zoon rijdt me wel heen en weer naar het ziekenhuis. Dat gaat helemaal goed komen. En we krijgen vast wel weer een andere fysiotherapeut.’

Mevrouw Van Ravenschot stond op en legde haar hand op de arm van Victorien. ‘Ik wens jou alle sterkte die je nodig hebt.’ Haar stem klonk warm. Ze nam een pakje van de tafel. ‘Kijk, ik heb Annette gevraagd iets voor je te kopen. Nee, nee… het is wel nodig,’ onderbrak ze de tegenwerping van Victorien.

‘En als ik iets voor je kan doen, laat het me dan weten. Of als je toevallig in de buurt bent…’ voegde ze eraan toe. ‘Je kunt me altijd bereiken en anders vraag je Annette maar. Mijn dochter was ook erg blij met je. Een revaliderende moeder vraagt best veel.’

‘Dat zal wel meevallen. U bent totaal niet lastig, zei uw dochter, en daar heeft ze gelijk in.’ Victorien opende het pakje. Het was een bundel met gedichten van Ida Gerhard. Ze hield van gedichten en tijdens de behandeling die ze de vrouw had gegeven, hadden ze het regelmatig over boeken en gedichten gehad. ‘Zoveel interessanter dan ziektes en zo,’ had mevrouw Van Ravenschot gezegd. Ze waren tijdens die sessies tot de conclusie gekomen dat ze alle
twee van poëzie hielden.

‘Ach. Hier ben ik blij mee.’ zei ze getroffen. ‘Dank u wel.’

Het kaartje met de woorden Hartelijk dank dat op de voorkant lag, stak ze tussen twee bladzijden. ‘Dank u wel, lieve mevrouw Van Ravenschot.’ Ze bukte zich en gaf een kus op de nog verbazingwekkend gladde wang.

‘Dag kind. En nogmaals sterkte.’

‘Een goede terugreis als u weer naar huis gaat. Die grote foto in de gang is toch gemaakt in uw dorp? Ik kom er vast nog weleens een keer. Het ziet er zo heerlijk rustgevend uit,’ zei Victorien. Ze legde de sleutel, die ze niet meer nodig zou hebben, op tafel, nam haar tas en verliet de kamer.


Een kwartier later zette ze haar fiets in de stalling van het ziekenhuis en liep door de draaideur de hal in. Ze volgde de groene lijn die naar de afdeling oncologie leidde, waar Bob lag. De deur van zijn kamer ging open en er kwam een vrouw van middelbare leeftijd naar buiten die een baby op haar arm droeg. Het korte bruine haar vertoonde wat grijze strepen en haar ogen waren hazelnootkleurig. Ze sloot de deur zacht achter zich.

Wat verrast keek Victorien haar aan. Ze had deze vrouw nog niet eerder gezien. Er lag maar één andere patiënt op dezelfde kamer en die was gisteren naar huis gegaan. Waarschijnlijk bezoek voor een nieuwkomer. De vrouw knikte kalm naar haar en de baby lachte breed. Vast haar kleinkind. Wat leken kleine kinderen toch vaak op elkaar. Haar eigen Matthieu lachte op dezelfde manier. Instinctief lachte Victorien terug. Een klein, wat treurig lachje.

‘U bent de vrouw van Bob van Hierden?’ vroeg de vrouw. Ze had een prettige, wat lage stem.

‘Ja.’

‘Dat dacht ik al.’ De vrouw wilde nog iets zeggen, maar sloot haar mond toen achter Victorien de stem van haar schoonvader klonk. ‘Dag Victorien.’

Victorien draaide zich half om. Och heden. Daar waren ze alweer. Haar schoonouders.

Wel logisch dat ze zoveel mogelijk kwamen, Bob was hun zoon, maar ze kreeg zelf zo weinig de kans om alleen te zijn met hem. Zijn ouders zouden net zo goed ’s avonds kunnen komen. Zij kon ’s avonds minder goed weg. De kinderen vroegen aandacht. Ze waren van streek omdat hun vader ziek was. Al waren ze nog zo graag bij de buren, die kinderen van dezelfde leeftijd hadden, ze voelden haarfijn aan dat de situatie bedreigend was.

‘Dag pa Van Hierden. Dag ma.’ 

‘Dag Victorien.’

Het echtpaar keek even naar de vrouw achter Victorien en pa Van Hierden trok zijn wenkbrauwen op. ‘U bent bij mijn zoon op bezoek geweest?’

De vrouw knikte bevestigend en sloeg de route naar de uitgang in. Ze liep moeilijk. Victoriens geoefende blik signaleerde dat ze veel last had van haar knie. Die zou op korte termijn geholpen moeten worden, al was ze daar eigenlijk veel te jong voor. Zou ze al vijftig zijn? Bijna, schatte ze. En dan al zo’n knie. Ach, patiënten die hier lagen, waren jaloers op mensen met een heup of een knie die in kreukels lag. Daar viel mee te leven.

‘Wie was dat?’ vroeg meneer Van Hierden en hij stapte zonder een antwoord af te wachten de kamer van Bob in. ‘Dag jongen.’

Ook zijn vrouw zei zacht: ‘Dag lieve jongen. Ja, wie was dat?’

Op Bobs wangen lagen een paar felrode blosjes. Hij keek langs zijn ouders heen naar Victorien.

‘Wie was dat, Bob? Die vrouw met dat kind?’ herhaalde meneer Van Hierden.

‘Kennen jullie niet. Familie van iemand van de toneelgroep.’ De kleur op de wangen van Bob zakte weg en maakte plaats voor de grauwe tint die de laatste weken op zijn gezicht had gelegen.

‘Een oppervlakkige kennis dus. Gek dat die dan nu langskomt en dan nog een klein kind meeneemt ook. Victorien houdt de kinderen een beetje weg om jou je rust te gunnen,’ zei Bobs vader afkeurend. ‘Ik vind eigenlijk dat de kleintjes bij ons moeten zijn op dit moment in plaats van bij buren en vrienden, maar goed. Victorien weet natuurlijk wat het beste voor ze is.’

Zijn toon suggereerde dat Victorien dat juist niet wist. Het liet haar koud. Als zijn ouders wisten hoe Bob zelf Victorien bezworen had om de kinderen niet bij zijn ouders onder te brengen, zou met name zijn moeder daar bedroefd van worden. Dat had helemaal geen zin, dus nam Victorien de onverdiende blaam op zich. Beter dan nog meer verdriet. Dat hadden ze toch al genoeg en daar kon ze niets aan doen. En ook haar kinderen kon ze geen verdriet besparen. Hoe moest ze zeggen dat hun papa niet meer beter zou worden? Ze wilde er niet aan denken. Dat kwam nog wel als ze zelf hele dagen bij ze kon blijven. 

‘Dag Vicky,’ zei Bob.

Ze boog zich over hem heen. ‘Dag.’

Zijn ogen keken haar even aan en gleden toen weg van haar gezicht. Zijn vingers bewogen rusteloos over de dunne lichtgele deken.

‘En, wat had de dokter te melden?’ Zijn vader nam de stoel aan de ene kant van het bed en zijn moeder ging aan de andere kant zitten. Ze pakte zijn hand en streelde er met haar vingertoppen overheen. ‘Ja, Wat heeft de second opinion opgeleverd?’ zei ze met een verstikte stem.

Bob zuchtte. ‘Hetzelfde als de dokters hier, maar dat wist ik al.’ Victorien stond aan het voeteneinde en zag de blik waarmee haar man naar zijn vader keek. Een mengeling van medelijden en irritatie.

Zijn vader stond half op. ‘Het bestaat niet dat er geen remedie is. Ik heb gelezen dat er in Amerika een behandeling is voor dit soort kanker. Daar gaan we op inzetten, zoon. Geld speelt geen rol. Ik ga overleggen met die artsen hier wanneer je kunt reizen,’ zei hij onmachtig en tegelijk driftig. Hij stond op en nam zijn vrouw bij haar arm. ‘Nu! Kom Meta.’

‘Pa! Nee!’ zei Bob, maar zijn vader luisterde niet. Hij verliet de kamer en ma van Hierden volgde, na een verontschuldigende blik op haar zoon te hebben geworpen.

Helemaal vader Van Hierden, dacht Victorien. Ze keek hen na en ging op de stoel zitten die haar schoonmoeder had vrijgemaakt. ‘Hoe voel je je?’

‘Ach. Ik krijg wel goede pijnstillers, want ik heb nauwelijks pijn. Dat is het niet… Ik wil, ik moet met je praten, Vicky. Als het kan, wil ik thuis…’ Hij zweeg.

Ze knikte, want ze vertrouwde haar stem niet. Er gleed een traan over de ingevallen wang van haar man en ze veegde die teder weg met een punt van het laken.


De ouders van Bob waren twintig minuten later weer terug. ‘Er is geen arts beschikbaar die hierover gaat. En dan willen ze alles eerst met jou doornemen, zei die zuster. Wat een tang is dat. Ik ben toch al niet te spreken over het ziekenhuis hier. Victorien…’ Hij keek zijn schoondochter aan. ‘Ik neem aan dat jij wel wilt dat wij bij zo’n gesprek zijn.’

Victorien stond op. ‘Gaat u hier maar weer zitten, ma. Ik ga weer.’ Ze boog zich over het bed heen en kuste haar man vluchtig. Haar schoonmoeder nam weer plaats.

‘Victorien,’ drong meneer Van Hierden.

‘We zullen zien,’ ontweek Victorien het antwoord. De ervaring had geleerd dat het gewoon negeren van de eisen die haar schoonvader af en toe stelde, het meest gemakkelijk was. Ze zwaaide even en verliet de kamer.

Bij de balie vroeg Victorien of ze op korte termijn een gesprek kon krijgen met de arts die Bob behandelde.

‘Dat is al gepland, als u tenminste kunt. Morgenmiddag, halfdrie. Dan heeft dokter Van Vliet tijd voor u. Als het u schikt, hoor.’

‘Ja, dat gaat bij mij ook. Tot morgen dan,’ antwoordde Victorien kort.

De vrouw achter de balie keek haar na toen ze door de draaideur verdween. Er lag een medelijdende uitdrukking op haar gezicht. Zo jong nog voor zoiets ellendigs. Je raakte nooit immuun voor zoiets tragisch.


De volgende dag ging Victorien weer naar het ziekenhuis. Bob was gisteravond te moe geweest om te praten en Victorien was met een hopeloos gevoel weer naar huis gegaan. Ze kon hem niet dwingen om te praten. Ach, misschien was het ook voor hem niet nodig. En ze zou het straks toch ook allemaal zelf op moeten lossen. De kinderen waren nog zo klein, al dacht ze soms wel eens dat Yvette, met haar amper zeven jaar, meer doorhad dan ze zou willen. Matthieu niet. Maar wat was vijf jaar jaar nu helemaal? Ze moest nu zorgen dat ze een goede herinnering aan hun papa hielden. Hij was dol op de kinderen geweest vanaf het moment dat ze geboren waren. Dat had haar altijd weer vertederd wanneer ze soms razend was om zijn uithuizigheid en zijn nonchalante manier van leven.

Ze meldde zich bij de balie en kon meteen terecht in de spreekkamer van de oncoloog.

Toen de arts uitgesproken was, keek hij met deernis naar Victorien. Ze had haar handen voor haar gezicht geslagen. Tussen haar vingers druppelden de tranen naar beneden. Hij schoof een doos met tissues naar haar toe en keek uit het raam naar de boom die al blad aan het verliezen was. Dit was het meest beroerde deel van zijn werk. In feite een doodvonnis herhalen. Hij had dit gesprek al eerder met haar gevoerd, maar ze hadden toen nog een beetje hoop op een betere second opinion. Nee dus. Zijn collega’s waren tot dezelfde conclusie gekomen als hij. Ellendig. Zulke jonge mensen nog en hun kinderen waren nog zo klein. Hij voelde zich onmachtig en zweeg. Wat moest je verder nog zeggen? Hij wachtte tot de jonge vrouw haar stem terug had.

‘Dus, dit was het?’ zei Victorien na een paar minuten.

‘Ja. Ik heb vanmorgen al met uw man gesproken. U staat zelf niet vreemd tegenover medische zorg door uw beroep en hij wil nu het liefst naar huis. Thuiszorg en verpleging voor hem worden overgenomen…’

Ze knikte. Ze was zelf ook weleens betrokken geweest bij de zorg voor een patiënt die zijn laatste tijd in was gegaan. Dat ze er zelf nog eens zo voor zou staan… Dat was nooit bij haar opgekomen.

Ze gaf de arts een hand. ‘Sterkte,’ zei hij en hij legde zijn hand even op haar schouder. ‘Sterkte voor de komende tijd.’

Bob zat half overeind toen ze de kamer binnenkwam en keek haar voor het eerst sinds weken weer recht aan. ‘Vicky.’

Ze liep naar hem toe en pakte zijn handen

 ‘Je hebt de dokter ook gesproken,’ stelde hij vast. ‘Nu wil ik zo vlug mogelijk naar huis.’ Ze kneep in de vingers die net zo mager waren geworden als de rest van zijn lichaam. ‘Meteen morgen! Ze regelen hier verder alles.’

De deur ging weer open. Zonder om te kijken wist Victorien wie het waren. De ouders van Bob kwamen naar het bed toe.

‘Ik ga morgen naar huis,’ zei Bob met een vaste stem.

‘Ja, je komt nu naar huis,’ zei zijn moeder verstikt. Haar ogen waren rood en Victoriens hart brak. Bob was toch haar zoon. ‘Ja, je moet naar je eigen huis. Die etage in de Pijp is te benauwd. Het is het verstandigst als je naar ons toe komt. Je oude kamer is ruim en Victorien en de kinderen kunnen in het appartement op de tweede verdieping trekken. Er is daar ook ruimte voor een verpleegster. We hebben er al een aangevraagd. Het is achteraf goed dat Anke en haar kinderen verhuisd zijn naar het huis naast ons. Nu kunnen we jullie in ieder geval alle hulp geven die je nodig hebt,’ zei zijn vader met een bijna agressieve klank in zijn stem.

Victorien nam het hem niet kwalijk. Voor mensen die alles voor elkaar kregen, was het moeilijk om te merken dat je niet alles in de hand had. In het appartement op de verdieping van hun huis trekken? Nee! Al was het nog zo gerieflijk.

Anke, de zuster van Bob, had met haar man en twee kinderen vijf jaar in het appartement gewoond dat Bobs vader voor haar had verbouwd. Een familiehuis, had hij het grote huis op de Apollolaan genoemd. Hij had het liefst gewild dat Bob en Victorien er ook kwamen wonen. Bobs oudste broer, Walter, had een paar jaar op de bovenste etage gewoond met zijn vrouw, maar die had het te benauwend gevonden. Ze waren verhuisd, maar hij was na zijn scheiding weer in zijn oude woonruimte getrokken.

Victorien huiverde. ‘Bob?’ vroeg ze.

Bob schudde zijn hoofd. ‘Nee pa. Ik ga naar ons eigen huis. Mijn huis.’

‘Je weet zelf dat het aftands is. Die smalle trap… en alleen die benauwde douche al. Ik laat die huizen over een halfjaar renoveren en moet jij daar nu… Victorien, zeg jij eens wat.’ Meneer Van Hierden keek naar zijn schoondochter.

Bobs moeder stak haar handen naar haar uit en smeekte. ‘Ja Victorien. Wees jij nu verstandig. Hij kan nu het best bij ons in huis zijn. Jullie allemaal natuurlijk. Dan kun jij je helemaal aan Bob wijden.’

Victorien schudde haar hoofd. ‘Wat Bob zelf wil. Dat is het belangrijkst. Belangrijker dan wat wij het liefst zien.’

Dan wat jullie willen, bedoelde ze, want zij moest er niet aan denken om bij haar schoonouders in te trekken: geen moment meer om tot jezelf te kunnen komen en constant met de schoonfamilie geconfronteerd te worden. Hoe goed pa en ma het vast ook bedoelden en hoe gerieflijk het appartement ook was. Brrr.

‘Maar…’ zei meneer Van Hierden.

‘Nee pa,’ zei Bob.

En zijn vader zweeg.


Bob kwam de volgende dag thuis.

De kinderen waren blij dat hun vader weer thuis was, al vonden ze het vreemd dat hij zijn bed niet uitkwam. Matthieu ging op de rand van zijn bed zitten en schommelde met zijn beentjes heen en weer. ‘Wanneer gaan we weer voetballen?’ vroeg hij.

‘O, joch.’ Yvette draaide met haar ogen. ‘Papa is toch ziek?’

‘Dat gaat niet meer, Mattie,’ zei Bob moeizaam.

‘Wanneer dan wel?’

Bob strekte zijn handen uit en pakte met de ene hand de hand van zijn zoon en met de andere de hand van zijn dochter. ‘Niet meer. Papa is heel ziek.’

‘Nooit meer?’ Het gezichtje van Matthieu betrok en hij keek hulpzoekend naar Victorien.

‘Mam?’

‘Nee lieverd. Papa gaat op reis. Een soort reis.’

‘Oh.’ Hij haalde zijn schoudertjes op. ‘Nou, dat geeft toch niet?’

‘Met de engelen, zei tante Corrie.’ Yvette plukte aan de mouw van haar vaders pyjama.

‘Net zoals in dat lied.’ Ze zong zacht: ‘Met de engelen mee op reis… mmm… mmm… Dat stukje weet ik niet… en dan: ’t ga je goed lieve kind, wees voor altijd bemind…’

De ogen van Bob stroomden vol en Victorien veegde langs haar eigen wang een paar tranen weg. Goed houden. Niet te veel emotie. Voor de kinderen niet. Ook al kostte het nog zoveel moeite. Vanavond zou ze hierom huilen.

‘Voor altijd? Ik hoop het toch zo.’ Bobs stem was gesmoord door de tranen die hij weg probeerde te slikken.

‘Bemind betekent dat je van iemand houdt,’ zei Yvette nadrukkelijk.

‘Ja, en dat doen we,’ zei Victorien.

‘Ik hoop toch dat het zo blijft,’ herhaalde Bob onzeker en hij sloeg zijn armen om zijn kinderen heen.

Victorien legde haar wang op zijn hoofd. ‘Natuurlijk. Hoe kun je daaraan twijfelen?’

‘Je weet niet alles,’ zei hij.

‘Nee, dat is vast zo. Maar dit wel,’ verzekerde ze hem.


Heeft u genoten van het eerste hoofdstuk van Stapstenen?

Misschien is Alles heeft zijn tijd van Ina van der Ven-Rijken dan iets voor u!

De welgestelde Celine erft in Alles heeft zijn tijd van Ria van der Ven-Rijken een huis van haar oudoom. Hoewel er flink gerenoveerd moet worden, is ze meteen helemaal weg van het huis. In tegenstelling tot haar vriend Daan, die altijd overal kritiek op lijkt te hebben. Maar dan wordt er tot ieders grote schrik een stoffelijk overschot gevonden in de tuin, en komt Celine in contact met de Canadese Tommy, die hier meer van lijkt te weten.

Alles heeft zijn tijd is een indrukwekkende familieroman van Ria van der Ven-Rijken waarin moderne verhaallijnen verweven worden met een tragische gebeurtenis uit de naoorlogse jaren.