Nieuwsbrief

Preview: Een bazuin in Sion

Een bazuin in Sion

Eind april 1948. Een overval van Joodse terroristen op onschuldige Arabische burgers schokt de wereld. De publieke opinie lijkt zich tegen de Joden te keren; de Verenigde Staten dreigen hun hulp aan het Joods Bureau te herzien. De Arabieren nemen bloedig wraak voor wat hun vrouwen en kinderen is aangedaan. Het geweld in Palestina neemt steeds meer toe, terwijl het Britse leger zich afzijdig houdt.

Moshe en zijn mannen proberen stand te houden in de vesting Kastel, maar de overmacht is te groot. Ondertussen belanden David en Ellie Meyer in Italië, op zoek naar een schip met wapens voor de Arabieren. Kunnen ze voorkomen dat het schip zijn doel bereikt?


Deel 1

De dageraad

‘Elk grassprietje heeft zijn plekje op aarde waaruit het zijn leven put; zo ook is de mens geworteld in het land waaruit hij zijn geloof en zijn leven put...’ 

Joseph Conrad, 1900


1

Ontmoetingen

Met een tevreden zucht nestelde Ellie zich dieper onder de zachte, satijnen gestikte deken. Davids ademhaling klonk gelijkmatig en rustig. Hij lag met zijn arm over haar heen, en zijn vingertoppen rustten op haar wang. Ze deed haar ogen open en glimlachte terug naar hun weerspiegeling in de overdadig versierde Rococo-spiegel die, opgehouden door kleine, gouden cherubijntjes op de vier hoeken, boven hen hing. De bruidssuite in de Ragusa Palace Inn was werkelijk iets om over naar huis te schrijven.

‘Alleen het beste voor mijn vrouw en mij,’ had David de hotelhouder toegefluisterd. ‘Huwelijksreis,’ had hij uitgelegd. Toen had hij met zijn duim naar Mikhail en Bernie gewezen, die naast elkaar stonden. ‘Deze luitjes mag u wat mij betreft in de kelder wegstoppen. Maar ik wil het beste wat u hebt.’ Toen waren Bernie en Mikhail op stap gegaan om het telegraafkantoor te zoeken.

De hotelhouder had hen lachend een knipoog gegeven. Toen was hij hen drie trappen op naar boven voorgegaan naar een suite die gemeubileerd was met tere, fluwelen stoeltjes en tafeltjes in Louis XIV-stijl. Aan de vergulde lampen met bollen hingen kristallen prisma’s en overal stonden lange, witte, gotische kaarsen.

Terwijl de twee piccolo’s in de weer waren om de kaarsen aan te steken, had David Ellie op de bank getrokken. Nu keek hij voldaan de kamer rond.

‘David, kunnen we dit wel betalen?’

‘Dit gaat op rekening van de Oude Man. Overuren, baby. Achterstallige overuren, die ik nu ga incasseren.’ Toen had hij haar lang en langzaam gekust. Ondertussen stonden de piccolo’s opgelaten naar het plafond starend op hun fooi te wachten.

Dat was drie uur geleden geweest. De kaarsen die aan weerszijden van mevrouw Tornahos’ mand stonden, waren inmiddels een heel stuk opgebrand en lange schaduwen speelden over de muren van de suite. Ellies maag rammelde. Ze hadden sinds die morgen in het huis van de familie Tornahos in Cyprus nog niet gegeten, en het was al ver na etenstijd.

Ellie draaide haar hoofd om en kuste Davids vingertoppen. Toen haalde ze zachtjes zijn arm weg. Ze gleed onder de dekens vandaan en stapte op het dunne Perzische tapijt naast het grote bed. Ze schoot Davids overhemd aan en trippelde over de vloer naar de mand toe en maakte die open. Mevrouw Tornahos had zelfs voor bestek en borden gezorgd! Ze had verschillende kaassoorten en salami zorgvuldig ingepakt, maar de heerlijke geuren cirkelden toch omhoog. Het water liep haar in de mond.

‘Wat doe je, kindje?’ vroeg David dromerig.

‘Het avondeten klaarmaken.’ Ze dekte de tafel en sneed de salami en het brood.

‘Toch niet koken, hoop ik,’ lachte hij.

Ze maakte een lange neus naar hem en sneed een paar plakken kaas af. ‘Ze heeft zelfs een salade gemaakt.’

‘Waarom fluister je?’

‘Omdat alles bijna heilig lijkt.’ Ze keek hem aan en glimlachte weemoedig. ‘Deze kamer. De kaarsen. Jij en ik...’

David propte het kussen onder zijn hoofd op en duwde de dekens een stukje naar beneden. ‘Een beetje beter dan het souterrain op het Joods Bureau, bedoel je?’

‘Hmmm. Dat zou je kunnen zeggen. Dit is onze eerste nacht samen, weet je. Zonder onderbrekingen, bedoel ik.’

Hij gaf een klopje op het bed. ‘Kom weer naar bed, Els. We kunnen op elk moment brood en kaas eten.’

Haar ogen ontmoetten de zijne, en ze voelde zich vanbinnen helemaal warm worden. Tranen van geluk welden in haar ogen op. ‘Deze kamer... vannacht... het is alles wat ik ooit heb gedroomd...’ Een nachtmerrie vol bezorgdheid, verbazing, verwondering en verdriet was opeens in het niet opgegaan. ‘O, David, ik wilde alleen dat we konden blijven...’ Genietend van de blik in zijn ogen moest ze opeens hard slikken.

Hij glimlachte teder en stak zijn hand naar haar uit. ‘Kom hier dan. We kunnen morgen, in het vliegtuig, wel eten.’ Hij grinnikte zachtjes. ‘Leg dat mes nou maar weg en kom weer in bed.’

‘Ik hou van je, David,’ zei ze terwijl ze het overhemd op de grond liet vallen.

Zijn lach verdween en een blik van zachte verwondering verscheen in zijn ogen toen ze op hem toeliep. Hij nam haar in zijn armen en fluisterde keer op keer haar naam terwijl zijn lippen de hare ontmoetten. ‘Alles wat ik ooit droomde... mijn enige droom.’


‘Ik weet dat je weer weg moet, Moshe.’ Rachel stak een hand uit en raakte met haar vinger zijn mond aan. ‘Meer hoef je niet te zeggen. Ik zal je niet vragen... om te blijven.’

Hij keek in het heldere blauw van haar ogen; toen kuste hij haar hand en hield die tegen zijn wang aan. ‘Als ik kon blijven, mijn liefste –’

‘Vannacht heeft de Heer mijn gebed verhoord. Ik heb alleen gebeden of ik je mocht zien. Of ik in je gezicht mocht kijken en je vertellen –’ Ze aarzelde. Zou ze hem wel over hun baby vertellen? Zou hij daardoor niet nog meer reden hebben om zich zorgen te maken? Nog meer om aan te denken wanneer hij alleen maar aan de strijd die voor hem lag moest denken?

‘Wat is er, Rachel?’ Hij zag iets in haar ogen wat hem nog voor ze het in woorden uitdrukte iets zei. ‘Wat wil je me vertellen?’

Ze beet op haar lip, bang nu dat ze niet zonder te gaan huilen en zonder hem te smeken om haar nooit meer alleen te laten, over het wonder dat ze binnen in zich droeg kon praten. ‘Ik... ik...’

‘Wat?’ Zijn glimlach stelde haar teder de vraag.

‘Ik wilde je vertellen dat ik... dat wij... heel voorzichtig moeten zijn. Alsjeblieft.’ Ze keek op haar schoot neer.

‘Dat beloof ik. Dat beloof ik je echt.’ Hij trok haar tegen zich aan en wiegde haar zacht in zijn armen. ‘En samen zullen we eraan denken dat God zelfs het musje ziet, nu? Zul je daaraan voor me denken?’

Ze gaf een knikje. De ruwe wol van zijn jasje schuurde tegen haar wang. ‘Ja,’ zei ze zachtjes terwijl emotie haar keel dichtkneep. ‘Ja, Moshe. Ik zal eraan denken.’

Hij hield haar, naar het leek een hele tijd, zwijgend in zijn armen. Toen zei hij: ‘En ik moet daar ook aan denken. Als je nu ook maar één woord tegen me zei, zou ik niet weggaan. Dan zou ik voor altijd hier bij je blijven. Dan zou er geen belofte voor mijn land zijn, geen mannen over wie ik het bevel moest voeren, geen voorposten om voor te vechten. Dan was alleen jij er. Alleen jij, Rachel!’ Hij voelde zich in duizend stukken gescheurd. Hij wist nu zeker dat het gemakkelijker zou zijn geweest om te vechten en te sterven als hij haar vanavond niet had gezien.

In haar ogen welden tranen op. Langzaam ademde ze uit. Ze wist dat ze zijn hart niet kon en niet wilde opdragen te blijven. ‘We hebben deze tijd, al onze weken samen en deze paar uur vanavond, gehad. Sommige mensen leven een heel leven lang en kennen toch de liefde die wij voor elkaar hebben niet. Jij hebt me een leven lang vol geluk gegeven...’ Ze hapte naar adem en probeerde haar stem baas te blijven.

‘En we zullen ook samen een heel leven lang hebben. In Israël. Jij, ik en Tikvah...’

‘En...’ weer haperde haar stem.

‘Voor ik wegga wil je me, geloof ik, nog iets vertellen, hè?’ Hij tilde haar kin op en streelde met zijn blik haar ziel. ‘Vertel het me dan, mijn liefste. Wat is het?’

Ze veegde haar tranen af en pakte zijn sterke hand in allebei haar handen en bracht die naar haar schoot. Toen keek ze hem met een weemoedig glimlachje aan. ‘Moshe,’ begon ze, ‘er is nog iemand om voor te leven...’

Hij zweeg. Vol verwondering in zijn ogen drukte hij zijn hand stevig tegen haar aan. Onverwacht glimlachte hij. ‘Bedoel je...?’

Vlug knikte ze. Allebei tegelijk begonnen ze te lachen. Hij drukte haar weer tegen zich aan en liet haar toen weer los om de plek waar hun kind groeide aan te raken. ‘Hier zal hij op zijn vader wachten. Hier groeit hij tot hij vlak onder mijn hart slaapt.’

‘O. O, God! Wat een zegen! Wat een zegen – Rachel, mijn liefste! Is het echt waar?’

‘Ja. De dokter in het Hadassah... toen ik flauwviel...’

Ogenblikkelijk werd zijn blik bezorgd. ‘Ben je flauwgevallen?’

Ze begon te ratelen. ‘Ja, maar nu is alles goed, hoor. Ik was alleen ontzettend moe. Ontzettend moe omdat Tikvah zo ziek is geweest, en ik helemaal niet had geslapen en –’

Een abrupt geklop op de deur onderbrak haar. Nors klonk Ehuds stem: ‘Moshe! Het is tijd om te vertrekken. We komen anders nog te laat voor de vergadering! Moshe!’

Moshe trok een lelijk gezicht bij de onderbreking en vloog naar de deur toe. Hij deed hem op een kier open. ‘Nog een paar minuten, Ehud. Ik kan haar nu niet alleen laten. Niet nu. Ze –’

Ehud keek op zijn horloge en hield het omhoog zodat Moshe het kon zien. ‘Het is bijna middernacht, vriend. Met de Engelsen op pad zal het ons nu al moeite genoeg kosten om er op tijd te arriveren.’

‘Luister. Ga jij maar vast vooruit. We kunnen trouwens toch beter niet tegelijk gaan. Ehud... Ik moet nog even bij haar blijven. Maar een paar minuten. Ik kom je wel achterna.’

Ehud haalde ongemakkelijk zijn schouders op. ‘Zoals je wilt. Maar wees voorzichtig, vriend.’

‘Sjaloom. Ik kom zo meteen.’ Moshe deed de deur dicht en draaide zich weer naar Rachel toe om haar te omhelzen en het wonder van haar wonder in te drinken.


Ehud stond achter in het souterrain van de middelbare school in Rehavia tegen de muur aan. Het was er was vol gezichten die hij herkende, en veel die hij nog nooit eerder had gezien.

Het nieuws uit Kastel was grimmig. Er hadden zich een paar duizend Djihad Moquades verzameld om de aanval te openen. Om het uur kwamen de smeekbeden van Fergus Dugan binnen om versterkingen en bevoorrading.

Bobby Milkin stond voor een grote, topografische landkaart waarop het beeldmerk van het British Foreign Service Cartography Department was gedrukt. Een ondernemende jonge beambte had de kaart uit het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken gestolen. Bobby gaf nu aan waar de concentraties van vijandelijke troepen zich hadden verzameld.

‘... en vanuit de lucht zijn deze dorpen om Kastel heen, voor zover ik kan opmaken, zo ongeveer verlaten –’

Emile Dumas deed een stap naar voren. ‘Zou het dan niet in ons voordeel zijn om ook nog andere dorpen te bezetten?’

Ehud liet een gebrom bij Emiles voorstel horen. De man had duistere connecties met de terroristen van de Irgoen en de Bende van Stern.

‘We hebben nauwelijks genoeg mankracht om stiekem Kastel via de achterdeur binnen te sluipen!’ antwoordde Bobby. ‘Je weet niet wat je tegenover je hebt.’

‘Er zijn ook nog anderen in Jeruzalem. Anderen, die nog zionistischer zijn dan de mensen hier. Als wij ze de wapens maar geven, volgen zij ons wel,’ antwoordde Emile.

‘Je hebt het over de Irgoen!’ schreeuwde Ehud. ‘Met die lui willen wij niets te maken hebben!’

‘Daarom mislukken we misschien ook nog!’ was Emiles heftige antwoord. ‘Onze troepen zijn verdeeld, terwijl de vijand verenigd is. Wij moeten één zijn!’

Door de zaal golfde een luid, instemmend gemurmel. Met grote stappen beende Ehud naar voren. Met zijn armen baande hij zich een weg tussen de mensen door. ‘Wij kunnen niet één zijn met moordenaars! Dan zijn we zelf de vijand geworden!’ Hij keek Emile recht aan, die boven hem uittorende en dreigend op hem neerkeek.

‘Dat zijn mannen die niet bang zijn om te vechten. En wie ben jij helemaal?’ Emiles mondhoeken krulden minachtend naar beneden. ‘Alleen maar kapitein van een vissersboot! Commandant over sardientjes! Spreekbuis voor Moshe Sachar! En hij... hij is alleen maar professor.’

Opnieuw klonken er instemmende geluiden in de zaal. ‘Emile Dumas heeft in het Franse verzet, de “Résistance”, gezeten! Hij is een moedig man, die tientallen nazi’s om zeep heeft geholpen, hen heeft gedood in hun slaap of bij het eten. We moeten naar Emile luisteren!’

Was Moshe inmiddels maar hier, dacht Ehud. Hij hoopte dat deze man van de rede gauw zou komen. ‘We kunnen deze manschappen niet opsplitsen!’ hield Ehud vol. ‘Luister naar Bobby Milkin! We weten niet op hoeveel tegenstand we zullen stuiten! Om onze mankracht nu te verdelen om een paar kleine dorpen in te nemen –’

‘Ga dan weg! Ik zeg ook niet dat we de mensen die hier zijn moeten opsplitsen! De Haganah en de Palmach moeten naar Kastel toe! Ik ben helemaal geen voorstander van verdeling! Integendeel! Ik ben juist voor eenheid! Voor het innemen van vijandelijk gebied door Joden! Door onze broeders!’

‘Dat zijn mijn broeders niet!’ baste Ehud.

Emile negeerde Ehud en deed een beroep op de mannen die daar bijeen verzameld waren. ‘Ik ben ervoor dat we ons verenigen. Er zijn mannen die bereid zijn om samen met ons te vechten...’

‘En met onze wapens...’

‘De wapens van het zionisme! Deze moedige soldaten zullen onze strijdkracht tegen de duizenden soldaten van de moefti verdubbelen! Er is toch geen beter moment denkbaar om de Arabische dorpen aan te vallen dan op het tijdstip dat hun mannen zich voor de strijd tegen ons in Kastel hebben verzameld?’

‘Waar is Moshe Sachar?’ Bobby’s stem klonk boven het lawaai van de woordenwisseling tussen Haganah-officieren uit. ‘Heeft iemand Sachar soms gezien?’

‘Hij is nog vóór mij weggegaan,’ zei Emile. ‘Als hij kwam, was hij er inmiddels wel geweest –’

‘Hij komt heus wel!’ Ehud hief zijn handen omhoog voor stilte. Alleen kwam er geen stilte. ‘We moeten wachten om te horen wat hij te zeggen heeft! Ik zeg dat hij komt!’ schreeuwde hij.

‘Waar is Moshe Sachar?’

‘Hij was de man die de veertig naar het konvooi heeft gebracht. Waarom is hij niet hier?’

‘Ik heb hem sinds vanmorgen niet meer gezien.’

‘Is hij door een patrouille opgepikt?’

‘Hij kent Kastel het beste! Waar is Sachar?’

‘Onderweg hierheen, zeg ik jullie!’ riep Ehud. ‘We moeten wachten!’

Emile ging voor de landkaart staan. ‘We hebben geen tijd om te wachten!’ Hij sloeg met zijn hand tegen de heuvel waarbij Kastel stond geschreven en vervolgens tegen een groepje huizen dat de naam Deir Yassin had. ‘De Irgoen zou met gemak dit dorp kunnen innemen en zich daarna bij ons in Kastel kunnen voegen –’

‘Dus je vertrouwt erop dat de Irgoen onze wapens aanpakt en ze gebruikt om ons te helpen?’ riep Ehud uit, doelend op het wantrouwen en de rivaliteit tussen de twee zionistische groeperingen. ‘Die lui pakken onze geweren en vechten waar ze zelf willen. En vervolgens laten ze ons Kastel verdedigen, alleen hebben we dan wel honderd geweren minder!’

Er ging een golf van instemming door de mannen heen toen ze nadachten over de daden van de Irgoen in het verleden.

‘Als wij ze van wapens en kogels moeten voorzien...’

‘Als de Irgoen met ons wil delen, moeten die lui ook aan onze kant vechten!’

‘Natuurlijk zouden ze een leeg dorp kunnen innemen. Wat is daar nou voor moeilijks aan! Wij zouden een leeg dorp nog wel met stokken en stenen kunnen innemen! Als zij hun aandeel van onze wapens willen hebben, moeten ze ook de wapens samen met ons dragen...’

‘Je kunt die lui alleen maar vertrouwen als –’

‘Als een van onze eigen mensen met ze meegaat!’

‘Emile! Emile Dumas!’

‘Emile kent hun leiders. Emile zal ze voorgaan –’

Ehud schreeuwde hard: ‘Dus zal dat volgens jullie enig verschil uitmaken? Denk eraan dat de Irgoen het Semiramis Hotel en de Jaffapoort heeft opgeblazen! Dus jullie denken dat ze zich plotseling zullen gaan gedragen als Emile Dumas zich bij hen voegt? Het zijn terroristen!’

‘Wij kunnen ze gebruiken! Het zijn vechters!’

‘We kunnen elke man gebruiken!’

Emile knikte en hief zijn handen omhoog. Hij hield duidelijk de aandacht van zijn publiek gevangen. ‘Het is alleen maar gezond verstand om zulke strijders erbij te betrekken. Een van hun kapiteins heeft met mij in het Franse verzet gezeten. Alleen om zijn moed is hij al tien mannen waard! Ja! Ja! Als wij hen wapens van ons geven, zullen ze schouder aan schouder met ons in Kastel vechten. Dat kan ik met zekerheid zeggen.’

Een schreeuw van goedkeuring volgde op zijn woorden. Ehud rolde met zijn ogen. Hij was verslagen. Hij deed een stap naar achteren en ging naast Bobby Milkin staan, die zijn sigaar uit zijn mond haalde en op de grond spuugde. ‘Was Moshe nou maar hier geweest, dan had niemand naar deze mesjoggener geluisterd!’ zei Ehud.

‘Waar is-ie eigenlijk?’ fluisterde Bobby. Ondertussen koos Emile tien mannen uit de gelederen uit en pakte vier kisten geweren mee om aan de leiders van de Irgoen en de Bende van Stern te geven als hij hen sprak.

Tegen de tijd dat Moshe bij de vergaderruimte in het souterrain was gearriveerd, druppelden al kleine groepjes gewapende mannen weg door het duister om zich vlak voorbij het treinstation te verzamelen.

Hij werkte zich langs de trap naar beneden voorbij een groep grimmig kijkende kerels met het geweer over de schouder.

Ehud stond vlak bij Bobby Milkin tussen een open kist met wapens en een kist met munitie. Hij keek op en wierp een boze blik naar Moshe, die zich een weg baande tussen de Haganah-mannen door die in de rij stonden.

‘Het spijt me dat ik aan de late kant ben,’ zei Moshe toen hij bij Ehud en Bobby aankwam.

‘Aan spijt hebben we nu niet veel!’ gooide Ehud eruit. ‘Waar was je? Kun je niet verliefd doen nádat we straks het land eenmaal gemaakt hebben?’

Moshe fronste zijn wenkbrauwen. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij met een akelig voorgevoel.

‘Die Fransman,’ antwoordde Bobby. ‘Die Emile Dumas. Die vent uit het verzet.’

Moshe keek Bobby doordringend aan. Hij durfde nauwelijks om verduidelijking te vragen. ‘Emile. Ja, ik ken hem,’ antwoordde hij en zei er niet bij dat hij niet bepaald blij was met wat hij wist.

‘Ja. Emile, die mesjoggener. Fijne jongen, hoor!’ sputterde Ehud sarcastisch. ‘En hij heeft ook een stelletje mooie vrienden. En nu opeens worden we allemaal vrienden... Hij heeft onze mannen overgehaald om samen te gaan met –’

‘Vlug, Ehud, voor de dag ermee,’ wilde Moshe ongeduldig weten.

‘Oké, daar gaat-ie dan. Ze wilden niet naar mij luisteren. Ik ben maar een... een commandant over sardientjes! Nee! Als jij niet zo getreuzeld had, zouden ze echter wel naar jou hebben geluisterd. Maar nu zitten we ermee. Er is niets meer aan te doen.’

‘Bobby, wat probeert hij me duidelijk te maken?’

‘Emile heeft connecties met de Irgoen en de Bende van Stern. Juist, ja. Je hebt me goed gehoord. Aardige jongens zijn het, hoor. En nu worden we allemaal één grote, gelukkige familie. We gaan samen Kastel veroveren. Ach, en wat kan het schelen dat, als iemand in Palestina het verdient om te hangen, het die lui zijn?’

‘Gaan ze met ons mee naar Kastel?’ herhaalde Moshe ongelovig.

‘Ja, dat is het plan, vriend.’

Ehud stak zijn onderlip naar voren. ‘Omdat jij er niet was om tegen de zaak in te gaan. Nee! Jij moest nog zo nodig nog een paar minuten langer in haar armen liggen –’

‘Kop dicht, Ehud,’ snauwde Moshe. Hij haalde zijn vingers door zijn haar. Hij probeerde te bedenken of er nog iets gedaan kon worden.

‘Je bent altijd zo’n fijne, moedige kerel geweest,’ zei Ehud beschuldigend. ‘Een man die voor elke strijd op tijd was! En nu, nu ben je een –’

‘Kop dicht!’ waarschuwde Bobby. ‘Hier heeft geen mens iets aan, Ehud. Je hebt alleen de smoor in omdat ze niet naar jou luisteren!’

‘O, denk je dat?’

‘Ja. De smoor in. Woedend. De pee in.’

‘Woedend!’ zei Ehud. ‘En wat zou dat dan, als het zo is? Hij had kunnen komen. En wat een verschil zou dat hebben gemaakt! Maar Moshe had zijn hoofd bij andere zaken en kijk nou eens waartoe we zijn gekomen! Moordenaars! Moordenaars zijn het!’

Moshe trok zijn wenkbrauwen op. ‘Maar we kunnen best nog een paar soldaten gebruiken. En ze vechten toch? Of niet soms?’ wilde hij weten.

‘Alleen als ze tegen vrouwen vechten!’ Ehud schreeuwde de woorden uit. De anderen in de zaal werden stil.

‘Het is gebeurd. Dat kan niet meer veranderd worden.’ Moshe werd ook boos. Was hij maar helemaal niet meer gekomen. De Irgoen! ‘Ze zullen aan onze zijde vechten. We hoeven ze niet aardig te vinden. Maar zij kunnen even goed schieten als wij –’

‘Bedenk goed wat je daar zegt! Om samen met de Irgoen –’ riep Ehud terwijl hij Moshe vol afkeer aankeek. ‘Je hebt je verstand in de slaapkamer achtergelaten!’ Met een ruk draaide hij zich om en beende weg.

‘Hebben ze wapens?’ vroeg Moshe zachtjes aan Bobby.

‘Ja, die van ons.’ Bobby keek Ehud na, die nu met grote passen de zaal van het souterrain uitliep. ‘Emile heeft ze meegenomen. Vier kisten vol, geloof ik. Hij is met een paar lui die vóór het plan waren vertrokken. Volgens hem zou het wel even duren voor hij die kerels opgetrommeld had, maar hij zou er wel zijn. In Kastel, met de rest van jullie.’ Hij wachtte even. ‘Misschien komt alles nog wel op zijn pootjes terecht. Je weet wel. De strijdbijl begraven. Het zijn ook Joden.’

Moshes kaak trilde van boosheid. Hij was boos op zichzelf omdat hij niet beter had nagedacht, omdat hij had gedacht dat een paar minuten geen verschil zouden maken. ‘Daar kunnen we op hopen. We kunnen het beste hopen. De Irgoen is wel goed in het zelf bommen en molotowcocktails maken. Dit wordt de eerste keer dat ze echte wapens mee in de strijd nemen. Maar we kunnen altijd hopen.’

Bobby kauwde op zijn sigaar en trok een gezicht. ‘Zo, dus je hebt je vrouw gezien, hè?’ zei hij. ‘Is alles goed met haar?’

Moshe knikte. Het schuldgevoel spoelde als een golf over hem heen. Even had hij de leugen geloofd dat het er niet toe deed of hij de leider was. ‘Ja, ze maakt het goed,’ antwoordde hij zachtjes. ‘Ze is veilig...’


‘Wakker worden!’ siste Bernie Greene door de zwaar gebeeldhouwde houten deur heen. ‘Meyer! Hé, ketter! Zoon van een afvallige! Kom uit bed!’

Met een deken om zich heen gewikkeld, deed David de deur op een kier open en tuurde de donkere gang in. Daar stonden Bernie en Mikhail.

‘Wat is er aan de hand,’ mopperde hij.

Mikhail stond zich in de handen te wringen en Bernie duwde tegen de deur aan in een poging binnen te komen. ‘Ik zal je vertellen wat het probleem is –’ Hij ging zachter praten en keek achterom over zijn schouder. ‘Het schip! Dat is het probleem!’

‘Wat is er dan mee?’ wilde David weten, Achter hem vroeg Ellie slaperig wat er was.

‘Wat is er aan de hand, David?’

‘Laat me binnen!’ zei Bernie met een wanhopige klank in zijn stem. ‘Hier buiten kan ik niet praten. Ik moet iets vertellen.’

‘Als je dan maar een goed verhaal hebt!’ David ging opzij en trok het gordijn van het enorme hemelbed dicht. De mannen schoten de kamer in en liepen naar het raam toe.

Bernie trok de gordijnen open en wees naar de door de maan verlichte haven. ‘Nou, het is niet goed. Kijk zelf maar.’

David aarzelde even, er niet zeker van of hij het wel wilde weten. Toen liep hij ook naar het raam en keek voorbij de kleine bootjes die op het water dobberden. De plek waar de Trina verankerd had gelegen was leeg. De Trina was weg!

Kreunend bracht David een hand naar zijn voorhoofd. ‘Hoelang geleden?’ vroeg hij dringend.

‘Ik weet het niet.’ Greenes ogen waren vast geklonken aan de plek waar het vrachtschip had gelegen. ‘Ik ben een tijdje geleden opgestaan. Ik kon niet slapen. Jullie hebben mijn dagen en nachten helemaal in de war gemaakt...’ zei hij vol afkeer. ‘Hoe dan ook, toen ik zomaar eventjes uit het raam keek, lag het er niet meer. En voor ik naar bed ging, heb ik het nog heel duidelijk zien liggen. Mikhail wees het aan, en vertelde me alles wat ik gemist heb toen jullie me dat spuitje gaven en me voor pampus lieten liggen...’

‘Oké, kerel. Je boodschap is overgekomen,’ snauwde David. Hij tuurde uit het raam naar buiten. De wolken gingen voor de maan langs. ‘Er is storm op komst,’ zei hij fluisterend. ‘Er staat me buiten toch een wind... Hoe laat is het?’

‘Kwart over drie.’

‘Eén ding is zeker.’ David pakte zijn kleren bij elkaar. ‘Die ouwe tobbe komt niet snel vooruit. Als we het schip kunnen inhalen voor de maan ondergaat, zouden we tegen de morgen al terug kunnen zijn.’

Ellie stak haar gezicht uit de met gordijnen afgesloten ruimte. ‘Je gaat niet weg zonder mij.’

‘Ellie –’ protesteerde David. ‘Ik zei dat we weer terug zijn als het morgen is. Blijf jij nou hier –’

‘Meneer Greene,’ zei ze rustig. ‘Mikhail. ‘Vinden jullie het erg om even de kamer uit te gaan? We staan op het punt om onze eerste ruzie te krijgen.’

‘Tot over vijf minuten in de lobby!’ David stak zijn vingers in de lucht terwijl zij vlug naar buiten liepen. ‘Alleen! Hij keek Ellie nadrukkelijk aan.

Vijf minuten later liepen David en Ellie samen de trap af. Mikhail had al een taxi geroepen en terwijl David aan het afrekenen was, zetten zij de koffer met explosieven heel voorzichtig op de achterbank neer. Ellie knipoogde naar Bernies afkeurende gezicht. Ze liep langs hem heen en stapte in de taxi.

Een straffe wind trok aan haar haren en ze keek omhoog naar de maan en naar achteren, waar een donkere wolkenbank de sterren verduisterde.

‘Slecht weer op komst, mevrouw Meyer,’ merkte Bernie met een afgebeten Brits accent op. ‘En ik wil u wel vertellen dat dit volgens mij beslist geen plaats voor een vrouw is.’

‘U moest eens weten op wat voor plaatsen ik allemaal geweest ben, meneer Greene. U zou het niet geloven.’

In het dorp Deir Yassin zat Sarai Tafara naast het raam te luisteren naar de geluiden die vanuit de verte van de strijd in Kastel te horen waren. Naar het zuiden toe weerklonken nieuwe geweersalvo’s, en een koerier van de troepen van Ram Kadar was schreeuwend de dorpsstraten in komen rennen.

‘We hebben meer munitie nodig! Engelse ponden voor munitie! Er zijn Joodse troepen vanuit Jeruzalem gekomen! Ze doen een tegenaanval in het zuiden! Meer munitie!’

Haar kersverse echtgenoot was van zijn bed opgesprongen, had patroongordels opgepakt en haar vaarwel gekust. Toen was hij weggerend om zich bij de Djihad Moquades te voegen. Die hadden zich in de strijd begeven om de hellingen van Kastel terug te veroveren. Dat was een halfuur geleden geweest. Nu zat ze te huilen en vroeg zich af of ze al weduwe zou worden terwijl ze nog geen twee dagen getrouwd was.

Opeens kwam er uit de kamer ernaast een koude tocht. Ze huiverde en trok haar deken dichter om zich heen. Ze veegde haar tranen af en liep naar de donkere slaapkamer toe om het raam dicht te doen.

‘Was mama maar hier om me gezelschap te houden! Yassar zou heus niet minder over mijn echtgenoot hebben gedacht als hij de strijd de strijd had gelaten, en hier, bij mij, was gebleven...’

Ze stond in de deuropening en tuurde in het duister. Het tochtte duidelijk in de kamer. De gordijnen wapperden heen en weer. ‘Heeft mijn echtgenoot het raam opengelaten voor hij vertrok?’

Ze spande haar ogen in om te zien. Opeens werd het haar koud om het hart. Door de kleine opening tussen de gordijnen zag ze een schim, een beweging; toen verscheen langzaam de blauwe, stalen loop van een geweer in de slaapkamer.

Haar kreet weerklonk op hetzelfde moment dat het geweer afging en de stof van de gordijnen schroeide...




>