Nieuwsbrief

Gebarsten glas – Sandra Berg

Gebarsten glas

In Gebarsten glas van Sandra Berg keert de verloren dochter van het dorp Agneta terug na de plotselinge dood van haar vader, die al langer weduwnaar was nadat haar moeder was overleden aan kanker. Het huis van haar ouders is overhoopgehaald door inbrekers en ze voelt zich eenzaam en verloren als ze door de herinneringen loopt. Maar dan komt Eskil terug, die ze kent van vroeger, en blijkt dat de herinneringen die men hier aan haar heeft heel anders zijn dan ze zichzelf heeft aangepraat.

Sandra Berg

Sandra Berg schrijft al jaren intrigerende romans met een vaak mysterieus plot, zoals Silhouet van ijs en Gevangen vlinder. In 2020 maakte ze haar debuut in de Romanserie met Stilte van eenzaamheid, een aangrijpende roman gebaseerd op een waargebeurde verdwijning in Finland. Sandra Berg woont en werkt in Zweden, waar veel van haar romans zich ook afspelen.


Gebarsten glas

Vijfendertig was ze. En ze rilde op haar benen na die wandeling over de stille weg die door de bossen kronkelde van de bushalte naar het dorp dat zich hier verschool, bij het meer. Haar geboortedorp.
Zestien jaar geleden was ze vertrokken in een wereld vol kleur. Vandaag was alles, zelfs dit vertrouwde dorp, veranderd in een zwart-witfoto met kale bomen, grijs gras en jonge gewassen die als dode sprieten wachtten op de zomer.
Ze was hier nog geweest… na de dood van haar moeder en later, met de begrafenis.
Dagen die nauwelijks herkenbaar waren in de mist van haar verleden.
Maar vandaag was alles anders. Geen bezoek aan pa. Geen rol die gespeeld moest worden.
Vandaag was ze alleen.
Het huis lag op een heuvel. De veranda torende boven haar uit. Hoe vaak had ze daar niet gezeten, starend naar het meer, kijkend naar de ganzen die zich elk voorjaar op het veld verzamelden. Dicht bij het water. Dicht bij de eilanden waar de vogels zouden gaan broeden als de lente haar gezicht eindelijk liet zien.
Hoeveel tijd had ze daar niet doodstil doorgebracht als de reeën zich dichter bij huis waagden om van de gevallen appels te snoepen en hoe gespannen had ze haar adem ingehouden toen zelfs een jonge eland zijn weg vond naar hun tuin vol vallend fruit.
Zoveel herinneringen...
Ze voelde zich iel, zoals ze daar onder die veranda stond. Verloren. Ze was te mager. Dat wist ze. Haar lange, blonde haren waren vet, haar ogen weggezonken in de kassen met blauwe schaduwen daaronder, maar ze had zich ook ontoereikend gevoeld als dat niet het geval was geweest. Ontoereikend. Dat was exact het goede woord.
Moeizaam legde ze de laatste meters af naar boven, naar de voordeur. Op haar rug de oude rugzak met slechts wat ondergoed, het boek Who ordered this truckload of dung? en een tandenborstel. De kleren die ze droeg waren alles wat ze had.
En dit huis.
Het duurde een paar tellen voordat tot haar doordrong dat de voordeur openstond. Niet voorzichtig op een kier, maar helemaal open als de muil van een hongerig dier.
De gesneuvelde ruiten zag ze pas daarna, toen een zonnestraal tussen de dreigende wolken door glipte en de splinters in het verdorde gras deed glinsteren.
Donkere, grillige gaten in de ramen, omringd met messcherpe pieken.
Ze had zich ontdaan moeten voelen. Woedend misschien. Maar het enige wat ze voelde was die intense leegte. Je krijgt wat je verdient. Wie had dat ook alweer gezegd?
Het glas kraakte onder haar oude gymschoenen toen ze het huis binnenliep.
Miss Emily Crane van Anders Zorn lag op de grond. Een replica, natuurlijk. Haar ouders hadden nooit een originele Zorn kunnen betalen. Miss Emily speelde nog steeds piano achter het gebarsten glas. De twee stoelen, die naast elkaar hadden gestaan in de hal, toegedekt met een plaid die samen met de fleurige kussentjes de indruk moesten wekken dat ze een bankje vormden, leken ieder hun richting uit te zijn gegooid. Ze lagen daar als dode dieren, de poten in de lucht. De plaid lag als een oud, smerig vod op de grond. De lades van het garderobekastje waren opengetrokken en de inhoud puilde eruit.
De trap naar de zolder was besmeurd met modderige voetafdrukken. Ze wilde niet eens weten wat er met haar kamertje daar boven was gebeurd. Of er iemand in de alkoof had gelegen die altijd alleen haar had toebehoord, en haar plek had besmeurd met zijn aanwezigheid. Of de schommelstoel was gesloopt of haar bureautje vernield.
De deur naar de slaapkamer van pa en ma stond op een kier. Ze ving een glimp op van een onopgemaakt bed. Het was meer dan ze op dit moment wilde zien.
De kleine badkamer direct naast de slaapkamer vermeed ze net zo hard.
‘We hebben een ensuitebadkamer,’ hadden pa en ma vaak lachend gezegd over het hok waar met moeite een kleine douche, toilet en wasbak in waren gepropt.
In de keuken had iemand met voedingsmiddelen gegooid, meel en suiker lagen als een laag sneeuw over de houten vloer verspreid. Olie droop langs de jarenzestigkastjes. Pannen met bewegende etensresten stonden op tafel en op het aanrecht en het fornuis had een ketchupexplosie plaatsgevonden. Twee van de vier stoelen lagen op de grond. Een ervan had geen poten meer. Misschien waren ze als brandhout in de mond van de oude Alfa Velox geduwd; het gietijzeren fornuis waar pa en ma zo trots op waren geweest.
Ze hadden natuurlijk ook het gewone, moderne fornuis op elektriciteit gehad, dat nu zo hevig gewond leek door de rode spetters en andere troep, maar ma had zo nu en dan brood gebakken in de oven van haar troetelfornuis en juist op dit moment verlangde Agneta naar de warmte van de Alfa die haar in haar jeugd zo vaak had omhelsd op koude winterdagen.
Het kleedje dat in de keuken had gelegen zolang ze zich herinnerde was verdwenen.
Eigenlijk wilde ze de woonkamer niet eens meer zien, maar haar voeten droegen haar daar naar binnen, alsof ze zichzelf wilde straffen.
Niets stond op waar het hoorde te staan. Waar het al die jaren had gestaan. De knusse, volgestouwde woonkamer van haar ouders miste meer dan de helft van de meubels en pa’s geliefde tv was verdwenen. Slechts de povere, nu smerige eettafel, twee stoelen en pa’s oude fauteuil, vol vochtplekken, en het bijzettafeltje stonden in de kamer waar ze zoveel uren had doorgebracht.
Op de vloer lag een lawine aan papieren en foto’s. Iemand had er met vuile schoenen overheen gelopen. Misschien wel om zich heen geschopt.
Ook hier was een van de ramen stuk. De koude wind, die haar op weg hierheen al had getergd, drong zich aan haar op. Het had binnen geregend, zag ze. En de kou zou nooit meer verdwijnen. Niet uit dit huis, niet uit haar lichaam.
Ze wankelde. Als ze flauwviel…

Ze dacht eerst dat ze dat zachte, jammerende geluid slechts in haar hoofd hoorde. Dat het misschien zelfs van haarzelf kwam.
Ze bleef staan. Haalde nauwelijks adem.
Ze hoorde het opnieuw. Zacht. Jankend. Smekend.
Ze aarzelde maar even, voordat ze op zoek ging. Het ging vanzelf. Bijna als een reflex.
Zoekend, zachte woorden mompelend, behoedzaam alsof ze op dun ijs liep. Het vergeten van de chaos om haar heen en in haar...
Ze had niet naar boven willen gaan. Niet naar de plek die haar ooit had toebehoord, maar die nu was misbruikt als een hulpeloze vrouw. Maar er was niets te willen.
Het smekende gepiep was als een magneet.
Misschien was haar kamer er nog slechter aan toe dan ze had gevreesd. Misschien ook niet. Ze zag de troep, maar registreerde het nauwelijks. Daar… onder de deken die naast het bed op de grond lag… daar riep iets om hulp.
Een kitten. Ze had het eigenlijk meteen vermoed, maar het beestje had zo’n zwak stemmetje dat het net zo goed een vogel had kunnen zijn.
Ze pakte het beestje op, voorzichtig, als een kunstwerk van dun glas. Een grijs getijgerde kitten met een roze neusje en grote, angstige ogen. Te mager, te bang.
Het beestje rilde nog erger dan zijzelf en ze hield het tegen zich aan toen ze de trap af liep.
Terwijl ze met een hand de kitten beschermend vasthield, zocht ze met de andere hand in de keukenkastjes zonder iets te vinden wat ze het beestje kon geven.
Er was niets.
Ze had naar de winkel kunnen gaan. Iets kunnen kopen. Als ze geld had gehad.
De kitten was gestopt met klagen en leek in haar te willen kruipen, op zoek naar warmte.
Agneta liep naar de hal en liet zich op de grond zakken. Ze duwde de kitten onder haar jas en trui, tegen haar blote huid. Warmte was het enige wat ze het kon geven. Warmte was het enige wat ze had.
Hier zat ze nu. Achter het gebarsten glas van haar toekomst. Net als Miss Emily, wier pianospel nooit meer iemand zou bereiken.

Haar blik gleed een moment naar de deur van de slaapkamer van haar ouders. Naar dat stukje rode sprei dat ze van hieruit net op de grond zag liggen. Ma had onder die sprei gelegen, al die dagen dat ze zich ellendig had gevoeld. Ze had zich vastgehouden aan de zachte rode stof als de pijn ondraaglijk was geweest.
Ze had nooit geklaagd. Niet toen de diagnose borstkanker werd gesteld en niet toen ze na al haar operaties en behandeling toch uitzaaiingen bleek te hebben.
Ze had de jarenlange strijd gedragen, zonder ooit een onvertogen woord. Met opgeheven kin.
Zij was degene die het niet had aangekund. Die zoveel mogelijk met vriendinnen in de stad had rondgehangen en niet had geweten hoe snel ze zich uit de voeten moest maken toen ze negentien was en werd aangenomen op de hogeschool voor de opleiding tot sociaal werker.
De opleiding die ze nooit had afgemaakt.
Ze had natuurlijk gebeld, toen ze in Göteborg woonde. Met hen gepraat. De vrolijke student uitgehangen als haar ouders haar in Göteborg bezochten en ze langs de boetiekjes in Haga liepen of koffiedronken bij Da Matteo.
Ze hadden gedaan alsof ze vanwege het slechte weer slechts dat kleine deel van de botanische tuin hadden bezocht en niet omdat ma grauw van vermoeidheid was geweest, en alsof niemand merkte dat ma op haar slechte dagen nauwelijks at bij Pinchos of wanneer ze loempia’s aten in Vi Viet, vlak bij Vasagatan. Niemand had er iets over gezegd als zijzelf dan te veel wijn dronk. Of iets sterkers. Maar ze had pa’s blik gezien.
Uiteindelijk was ma gestorven. Toch nog onverwacht. Of misschien alleen onverwacht voor haar, omdat ze toen al zo lang in de duisternis dwaalde dat ze het zelf niet eens meer in de gaten had.
Ze was in het grauwe appartement dat ze met Micke deelde in een van de blokkendozen van Bergsjön in Göteborg toen pa haar belde. Ze had alleen naar hem toe willen gaan, maar Micke had haar gezelschap gehouden. Zoals Micke altijd zijn eigen beslissingen had genomen.
Eén nacht hadden ze daar doorgebracht. Een nacht die eigenlijk al te veel was geweest.
Pa had zijn oordeel over Micke nauwelijks kunnen verbergen en Micke had zich als een hufter gedragen. Als altijd. Consequenties daarvan hadden ze samen weggespoeld met een idiote hoeveelheid wijn. Ook als altijd.
Vermoedelijk had pa opgelucht ademgehaald toen ze waren vertrokken.
Het huis was weer van hem geweest. Net als de herinneringen.
Haar telefoontjes daarna waren te spaarzaam geweest. Ze wist niet wat ze had gezegd. Het was die tijd geweest waarin ze te midden van velen alleen in het donker was verdwaald.

De kitten bewoog onder haar trui. Ze aaide hem kalmerend. Fluisterde dat ze hem zo graag wilde helpen. Maar ze wist niet hoe.
Misschien moest ze gewoon opstaan. Naar de winkel lopen. Hulp vragen.
Ze wist niet eens wie de winkel tegenwoordig beheerde.
Waren het nog steeds de ouders van Eskil? Leefden ze nog?
Eskil…
Ze had hem gezien. Op de begrafenis van ma, drie weken na haar dood.
Hij had eruitgezien als altijd, vlammend rood en met een opzichtige bril op zijn neus, maar dan ouder.
Ze had hem ontweken. Later, had ze zichzelf voorgenomen. Later neem ik weer contact met hem op. Als alles achter de rug is.
Ze was toen bijna een week nuchter.
Een beslissing die ze had genomen toen ze op een ochtend wakker werd in het bed met de stoffige lakens, een glas wijn had ingeschonken en had beseft dat ze zonder dat de dag niet meer doorkwam. De waarheid was als een harde klap in het gezicht aangekomen, net als het besef dat het stoere drinken van haar en Micke sluipend over was gegaan in een doorlopende toestand van pathetische dronkenheid.
Het had Micke woedend gemaakt dat ze op dat moment was gestopt. De drank was het enige wat hun relatie in stand hield en Micke was rond die tijd per definitie vooral woedend. Woedend en gewelddadig. Misschien gebruikte hij meer dan alleen alcohol. Misschien was dat niet nodig. Maar ze was vastbesloten geweest.
Ze had zich ellendig gevoeld. Ziek. Bank voor Micke. Eenzaam. Vreselijk eenzaam. Ze had hulp gezocht in iedere hoek tot en met religie. Ze had slaaptabletten gebruikt om de nacht door te komen. Gehoopt dat alles zou veranderen. Dat er een later was. Dat alles beter zou gaan als ze weer thuis was. Ondanks alles.
Maar pa had zichzelf verloren in de rouw. Zat alleen nog in die fauteuil van hem en keek eindeloos foto’s en filmpjes van vroeger. Van ma. Hij had geen ruimte gehad voor haar verdriet.
En zij had geen rust gevonden. Zelfs niet om zelf te rouwen. Vanwege de sfeer. Vanwege de telefoontjes van Micke. Vanwege zichzelf.
Ze was meteen na de begrafenis toch weer teruggegaan naar Micke. Ze hield immers nog steeds van hem. Dat dacht ze tenminste. En ze was weer begonnen met dat ene drankje. Had zichzelf voorgehouden dat ze het in de hand had. Maar ze had niets in de hand.
Micke was agressiever geworden en zij verdronk de pijn en zorgen met steeds meer alcohol.
Natuurlijk nam ze geen contact meer op met Eskil. Met niemand meer. Zelfs niet met pa.
Tot de dag waarop hij haar opzocht. Maar misschien was het toen al te laat.

Ze kon nu niet naar de winkel. Het risico lopen de zoveelste mens te ontmoeten die ze teleurgesteld had. Ze kon nergens naartoe.
De kitten friemelde onder haar trui alsof hij nog meer warmte wilde opzoeken.
‘Het spijt me,’ zei ze zacht. ‘Het spijt me dat ik je niet meer kan bieden dan dit.’
Ze hoorde de traptreden van het huis kraken. De deur opengaan.
Misschien waren het de mensen die dit huis hadden gesloopt. Die haar aanwezigheid niet zouden dulden. Met haar dat zouden doen wat ze met de meubels hadden gedaan.
Haar angst gold niet haarzelf, maar de kleine kitten onder haar trui, en ze hield haar armen beschermend om het beestje heen.
Maar het waren geen inbrekers of vandalen die naar binnen kwamen.
Ze herkende de man met zijn rode haren, bleke huid met sproeten en bril meteen. Eskil.
Ze wilde iets zeggen, maar wist niet wat. Haar mond was droog en haar lippen plakten aan elkaar.
Eskil zei net zomin iets, maar ging naast haar op de grond zitten.
Ze wist dat ze haar woorden eruit moest persen, zich moest verontschuldigen, wat dan ook. Maar ze bleef daar zwijgend ineengedoken zitten met de kitten onder haar trui.
De stilte was verstikkend. Totdat Eskil hem doorbrak. ‘Ik wil niet veel zeggen, maar eerlijk gezegd zie je eruit als een uitgewrongen spook.’
Ze keek vluchtig naar hem. Zag zijn grijns. Glimlachte zelf, zoals vroeger ook altijd gebeurde als hij zoiets zei.
‘Eskil… het spijt me zo…’
‘Je hoeft je niet te verontschuldigen,’ zei hij.
‘Ja. Dat moet ik wel. Naar iedereen toe. En vooral naar papa toe, maar daarvoor is het te laat.’
Eskil raapte de plaid op die nog op de grond lag, klopte hem uit en legde hem zorgzaam over haar schouders. Hij keek daarbij even verbaasd naar het bewegende bobbeltje onder haar trui, dat een klaaglijk geluidje liet horen. Ze tilde haar trui een stukje op en de het kitten zien. ‘Het zat boven, onder het bed.’
Hij glimlachte. ‘Zo typisch jij,’ zei hij.
Ze glimlachte weer voorzichtig. Hoeveel dieren hadden ze vroeger ‘gered’ onder haar leiding? Hij was het niet vergeten.
‘Ik zal eerst eens even thee voor je maken,’ zei hij. ‘Je ziet eruit alsof je elk moment van je stokje kunt gaan en je weet hoe slecht ik ben in het hanteren van zulke situaties.’
Ja, dat wist ze. Ze herinnerde zich Lisa Pettersson. Hij had min of meer in paniek rondjes om haar heen gelopen toen het meisje flauwviel. Of dacht dat ze dat deed. Lisa was altijd een kei geweest in het zich inleven in haar eigen op hol geslagen gedachtegang en een hypochonder van betekenis tegen de tijd dat Agneta voor haar studie vertrok. En bij het redden van beestjes had hij altijd gehuild. Zelfs een dode pier op de weg had hem verdrietig gemaakt.
‘De keuken is een puinhoop,’ zei ze.
‘Weet ik. Ik ben hier al geweest, vlak nadat dit is gebeurd.’ Hij maakte een zwaaiend gebaar om zich heen. ‘Inbrekers. Vandalen.’ En hij stond op. ‘Ik heb thee in de auto. In een doos boodschappen die ik zou bezorgen, toen Evert zei dat hij jou hierheen had zien gaan. Ik leen het wel even. Blijf zitten. Ik ben zo terug.’ En weg was hij.
Ze voelde zich verbijsterend alleen en verloren, dat ene moment. De angst dat hij haastig weg zou rijden was reëel. Hoewel dat iets was wat hij vroeger in ieder geval nooit zou hebben gedaan. Maar vroeger zou hij misschien niet zo lang weg zijn gebleven. Want hoelang duurde het om thee uit de auto te halen?
Ze geloofde niet dat ze eerder zo bang was geweest als nu ze hier rillend wachtte. Begreep het niet, omdat het nog maar zo kortgeleden allemaal niets meer had uitgemaakt. Dat had ze tenminste gedacht.
Maar Eskil kwam terug.
Ze voelde hoe haar verkrampte spieren ontspanden, stuk voor stuk, als kabels die onder hoogspanning knapten, toen ze zijn voetstappen op het trapje van de deur hoorde.
‘Blijf zitten,’ zei hij alleen maar. Hij liep regelrecht naar de keuken, waar ze hem hoorde rommelen. En nauwelijks vijf minuten later was hij weer bij haar. Met het bijzettafeltje uit de woonkamer. Hij plaatste er twee mokken thee op, een brood, een mes en kaas. Hij zette de stoelen recht en hielp haar omhoog, op een van de stoelen.
‘Ik heb geen boter of zo bij me, maar je ziet eruit alsof je wel iets te eten kunt gebruiken.’ Hij vulde een schoteltje met koffiemelk en zette het op de grond neer. ‘En jij niet alleen.’
Agneta plukte de kitten onder haar trui vandaan en zette hem op de grond, bij het schoteltje.
Het beestje snuffelde even aan het vreemde voorwerp en slobberde toen haastig de koffiemelk naar binnen.
Agneta voelde nu pas de pijn van honger in haar maag, pakte haastig een snee brood en propte hem naar binnen. Pas daarna probeerde ze de kaas te openen, maar haar handen trilden te heftig en iedere kracht die er ooit was geweest, was in de loop van de tijd weggevloeid.
Eskil nam de kaas over, opende het plastic, sneed dikke plakken af en deed ze tussen twee sneden brood, die hij aan Agneta gaf.
Misschien moest ze zich schamen voor de manier waarop ze haastig alles naar binnen werkte, maar ze kon zichzelf niet afremmen. Niet eens de tijd nemen om iets te zeggen.
Niet voordat ze de dubbele boterham op had en wegspoelde met de warme thee.
‘Waarom doe je dit?’ vroeg ze zonder Eskil aan te kijken.
De kitten had de melk op en drukte zich tegen Agneta’s been aan.
Ze pakte het beestje op en stopte het weer onder haar trui. ‘Na alles wat ik heb gedaan. Of beter gezegd heb nagelaten?’
‘Na alles wat je hebt gedaan?’ vroeg hij.
Ze zweeg.
‘Júíst na alles wat je hebt gedaan,’ zei hij.
Ze keek hem nu aan. Begreep niet wat hij bedoelde.
‘Ik was tien jaar toen ik voor het eerst de school hier in het dorp binnenliep. Te dik, rood haar, huid als een dalmatiner en een dikke bril op mijn neus. Toen al.’
Ja. Ze herinnerde zich absoluut die eerste dag dat ze hem op school zag. Misschien niet eens vanwege zijn uiterlijk, maar vooral door de manier waarop hij zichzelf onzichtbaar had willen maken.
‘Pa en ma dachten dat alles anders zou zijn toen ze de winkel hier in het dorp hadden overgenomen en ik naar een andere school kon,’ ging hij verder. ‘Naar een plek waar het pesten nog niet was geëscaleerd. Ik wist wel beter. Er was immers niets aan mijn uiterlijk veranderd. En ik wachtte… die eerste schooldag. Wachtte totdat het zou beginnen.’
Agnetha keek van hem weg. ‘Bertil Johansson,’ zei ze.
‘Het begon met hem. En zijn vrienden natuurlijk.’
‘Bertil dreef op praatjes. Stoerdoenerij. Had hij van zijn vader. Het was puur geluk dat die vrienden dat snel genoeg zagen.’
‘Ze zagen dat omdat jij er was. Omdat jij tussen hem en mij in ging staan, met je handen in je zij en je kin opgetild. “Waag het.” Dat zei je.’
Ze glimlachte een beetje bij die gedachte. Bij die seconde dat ze weer terug was in haar onbezorgde jeugd, waarin ze dacht dat de wereld eenvoudig was.
‘Hij waagde niet,’ zei Eskil. ‘Niemand waagde iets toen jij tegenover iedereen duidelijk maakte dat ik je vriendje was, nog voordat ik het zelf wist.’
‘Ik was niet erg bescheiden in die tijd, geloof ik.’
‘Nee. Dat was je niet. En ik kon mijn geluk niet geloven. Het mooiste meisje van de klas wilde mijn vriendinnetje zijn. En gaf mij daarmee een status die ik nooit eerder had gehad.’
‘Pesten is gewoon stom. Heb ik altijd al gevonden.’
‘Ik ook. Maar niemand nam mij serieus.’ Hij grijnsde weer even. ‘Totdat jij er was.’
‘We bouwden hutten in het bos. Begonnen een eigen groentetuintje bij ons achter,’ wist Agneta nog.
‘We renden rond om dieren te vinden die ons nodig hadden en redden zelfs wespen uit de wespenval van Classe. We zouden de wereld redden.’
Warme herinneringen. Ze doken op uit een vergeten hoek in Agneta’s geheugen. Lieve help ja…. hoeveel insecten hadden ze gered, naast de vogeltjes, kittens en dat ene eekhoorntje.
‘Ik had nooit eerder een vriendje of vriendinnetje gehad,’ bekende Eskil. ‘Dus rende ik overal hijgend achter je aan. Je energie was grenzeloos. Je wilt niet weten hoe vaak ik uitgeput op de bank in slaap viel thuis, maar ik genoot ervan. En ik verloor mijn overgewicht op de koop toe.’
‘Je was een leuk vriendje. Je liet je in alles meeslepen. Eigenlijk geloof ik dat ik je aardig commandeerde.’
‘Ja. Dat deed je. En ik vond het prachtig.’
Ze nam nog een slok thee. Voelde nu echt de warmte.
‘Ik werd een beetje verliefd op je,’ bekende Eskil. Zijn wangen namen de kleur van zijn haren aan. ‘Nee, onzin. Ik werd tot over mijn oren verliefd.’
‘Wat?’ Ze keek hem verbaasd aan. ‘Dat heb je nooit gezegd.’
‘Nee. Natuurlijk niet. Ik was te bang dat je mij dan met andere ogen ging bekijken. Dat het onze vriendschap kapot zou maken.’
‘Dat zou niet gebeurd zijn.’ Tegelijkertijd besefte ze hoezeer ze ernaast zat. Was de vriendschap niet uiteindelijk kapotgegaan? Niet eens door zijn toedoen, maar door haar.
‘Je was veertien, toen je die Harry of Henry of hoe heette hij ook alweer op zijn neus timmerde, omdat hij mij belaagde.’
‘Het vriendje van Lea.’
‘Hem ja. Je was er altijd. Bouwde nog steeds hutten met mij toen we tieners waren. Kweekte groente met mij op dat braakliggend stuk grond van Hendersson. Permacultuur. Een bostuin. Dat moest het worden, besloot je later. Boordevol bijen en vlinders.’
‘Je laat het lijken of ik er altijd voor jou was. Maar het was ook andersom. Jij was er voor mij. Je was de beste vriend die ik ooit had.’ Haar keel voelde droog. Ze rilde. ‘Je was meer dan ik waard was.’
‘Zeg dat alsjeblieft niet. Je hebt geen idee…’
‘Ik heb je in de steek gelaten, Eskil. Ik vertrok naar Göteborg toen ik negentien was.’
‘Je kon de ziekte van je ma niet aan.’
‘Zegt dat niet genoeg over mijzelf? Het begon met de borstkanker. De operatie, de behandelingen, hoop en teleurstellingen… Dagen waarop mama gewoon mama was en papa grapjes maakte en dagen waarom mama doodziek in bed lag en papa als een grauwe geest door het huis liep. Goede dagen, slechte dagen. En na die uitzaaiingen... ‘ Ze schudde haar hoofd. ‘Ik kon er niet tegen en liet hen in de steek.’
‘Je ging studeren.’
‘Ik wist niet hoe snel ik het huis moest ontvluchten.’
‘Je had lucht nodig.’
‘Ik liet hen in de steek. Ik liet jou in de steek.’
‘Je schreef. Belde.’
‘Totdat Micke in beeld kwam,’ zei Agneta. Ze keek naar de theemok in haar handen. ‘Micke, de oudere, knappe jongen die zomaar voor mij viel. Hij was alles. Dacht ik. We dronken voor de lol. Feestten erop los. Zo stoer. Ik hoorde erbij. Dacht ik.’
Eskil zweeg.
‘Ik was een onnozel plattelandsmeisje, meegesleurd door een knappe jongen het snelle leven van de grote stad in. Tot de dag waarop ik besefte dat er niets stoers was aan het dagelijkse gezuip en gelal, maar dat we beiden pathetische armoedzaaiers waren geworden en dat ik ervoor zorgde dat we niet de straat op werden gegooid met mijn geestdodende baantje in de fabriek.’
‘Waarom ging je niet bij hem weg?’
Ze haalde haar schouders op. ‘Ik hield van hem. Dat dacht ik. Lieve help… dat dacht ik zelfs nog toen pa mij uiteindelijk bezocht, lang na die begrafenis van ma, en ik onder de blauwe plekken zat omdat de alcohol tegen die tijd het slechtste bij Micke naar boven haalde.’
‘Ik weet dat hij je opzocht, ja,’ zei Eskil. ‘Hij vertelde het een keer.’
‘Vertelde hij ook dat Micke mij sloeg en dat we allebei dronken?’
‘Hij zei dat het niet goed met je ging.’
Agneta boog haar hoofd. ‘Weet je wat pa zei, toen hij mij opzocht?’
Eskil schudde zijn hoofd.
‘“Ik zou willen dat je dit jezelf niet aandeed.” Dat zei hij. Dat, en dat ik goed moest beseffen dat hij nog altijd heel erg veel van mij hield. Ongeacht hoe het ervoor stond. En dat hij er voor mij zou zijn. Altijd.’
‘Hij hield werkelijk van je.’
‘Ik was het niet waard.’
‘Daar lopen de meningen over uiteen.’
‘Er brak iets in mij, die dag,’ zei ze. ‘Toen pa vertrok, stopte ik met drinken en vertrok ik met het kleine beetje geld dat ik nog op zak had. Weg uit de stad. Weg bij Micke. Ik kreeg onderdak in een stuga in Hyltebruk, maar kon daar maar een paar weken blijven. Ik had nauwelijks geld en toen ik Micke belde om mijn spullen te sturen, verbrak hij de verbinding. Ik nam mij voor dat ik hierheen zou komen. Niet meteen, maar snel genoeg.’
‘Je schreef je vader een brief,’ wist Eskil. ‘Hij vertelde erover. Was zo blij dat je eindelijk naar huis zou komen…’
‘Ik had meteen moeten komen, maar kon het niet opbrengen. Stelde het uit. Eerst afkicken van de drank. Van Micke. Tot rust komen... Totdat ik de stuga niet meer kon betalen, geen geld meer had en nergens anders meer naartoe kon. En toen was het opeens te laat.’
‘Niemand zag het aankomen,’ zei Eskil. ‘De ene dag leek hij de wereld nog aan te kunnen. De volgende dag was hij er niet meer.’
‘Eskil…’ Haar stem brak.
‘Eet nog een boterham.’
‘En dan?’
‘En dan kijken we verder.’
‘Ik…’
‘Eet.’
Agneta nam nog een boterham. Liet toe dat Eskil dikke plakken kaas afsneed en erop deed en at hem op, terwijl ze het katje door haar trui heen streelde.

Ze kwamen ineens opdagen, alsof iemand een blik dorpelingen had opengetrokken.
Gezichten die ze de laatste keer tijdens de begrafenis had gezien. En daarvoor te lang geleden. Gezichten die ouder waren geworden, maar niet wezenlijk veranderd.
Hans en Kerstin Pettersson, Tobias Åberg, Emelie Nordin, Sara Falk, Kurt en Olle Andreasson, Signe Jensen en Amanda Holm.
De hal stond vol. Mensen stonden tegen elkaar aan als sardientjes in een blik, waarbij sommigen uitpuilden richting keuken en de slaapkamer van haar ouders. Amanda had een plekje op de trap gevonden.
Agneta had op dat moment de laatste hap van haar brood in de mond, maar vergat te kauwen, terwijl ze verbijsterd om zich heen keek en zich daarna tot Eskil wendde.
‘Ze zijn hier om te helpen,’ zei Eskil.
Nerveus kauwde ze haar brood weg. ‘Waarom?’
‘Omdat je het waard bent, om maar eens een cliché zin uit de reclame te citeren.’
‘Omdat ik het waard ben? Hoe dan? Ik verdween. Liet niemand meer iets weten. Hoe dan?’
‘Weet je nog dat je voor mij van je laatste geld dat roze paardje kocht dat Iversson had gemaakt, omdat ik dat zo graag wilde hebben?’ vroeg Amanda. ‘Acht jaar was ik. Mijn ouders waren net gescheiden en ik was verdrietig. Jij was zestien. Je had van dat geld kunnen feesten. Iets voor jezelf kunnen kopen. Maar je kocht het paardje voor mij.’
‘Maar….’
‘Je zorgde ervoor dat de politie ingreep toen Anders weer een van zijn woedebuien had en hielp mij mijn weg te vinden in het oerwoud van hulpverleners, toen ik daar zelf niet toe in staat was, terwijl je zelf pas net achttien was,’ zei Signe.
‘Je nam het voor ons op toen een aantal mensen uit het dorp die geruchten over ons verspreidden om hun eigen homofobie te voeden,’ zei Kurt.
‘Je was dertien, net als ik, toen je als enige mij thuis opzocht omdat ik op school niet kwam opdagen toen papa stierf. Jij nam muffins mee. Legde een arm om mijn schouders. Huilde samen met mij, terwijl we elkaar eigenlijk niet eens zo goed kenden,’ zei Sara.
Emelie drong tussen de mensen door naar voren. ‘Je hielp zoeken toen mijn dochtertje Britt was verdwenen. Je gaf niet op en zorgde ervoor dat anderen dat ook niet deden. Vijftien was je. En we vonden Britt net op tijd daar bij het meer.’
Tobias stond nu opeens voor haar. Tobias, die inmiddels grijs was. Een beetje krom en misschien zelfs gekrompen. ‘Je was twaalf toen je voor mijn zieke moeder zorgde, toen ik mijn been brak. Je deed de boodschappen voor haar, vroeg je moeder om een extra portie eten te koken en maakte soms zelfs zelf iets te eten voor haar.’
‘Achteraf betwijfel ik of boterhammen met een dikke laag pindakaas de meest geschikte voeding was voor iemand die ziek is,’ bekende Agneta.
Tobias lachte. ‘Ze was blij met je aandacht. Dan is alles goed.’
‘Je tijgerde op je buik over het ijs om onze hond Buster uit het water te halen, toen hij bij die wak door het ijs was gezakt,’ zei Kerstin. ‘Jij was vijftien, geloof ik. Buster drie. Weet je dat hij maar liefst zestien jaar geworden is? Dertien jaar die hij cadeau kreeg van jou. Dertien jaar waarin wij mochten genieten van de hond waar we zo gek op waren.’
Agneta keek verbijsterd rond en toen weer naar haar handen. ‘Dat was niets bijzonders… ik deed wat anderen ook zouden hebben gedaan.’
‘Dat betwijfel ik,’ zei Elias. Hij stond op.
‘En nu gaan we aan het werk, zodat je straks samen met je kitten ergens warm de nacht door kunt brengen.’
‘Maar hoe wist iedereen…’
‘Facebookgroep van het dorp. Ik had niet voor niets zolang werk toen ik de thee en iets te eten voor je haalde. Ik wist hoe veel mensen hier in het dorp over je dachten. Ze mogen je, Agneta. Eigenlijk zijn de meeste mensen hier gewoon gek op je.’
‘Maar ik liet iedereen in de steek.’
‘Je kwam in een draaikolk terecht. Dat kan iedereen gebeuren. En dan zou jij ook hebben geholpen.’
Hij wachtte niet op een reactie, maar liep met de groep door het huis en besprak alles wat er gedaan moest worden.
Agneta ving maar de helft ervan op. Dit was gewoon te veel. Misschien was ze in slaap gevallen en was dit een droom. Of lag ze in coma.
Ze bleef de kitten onder haar trui strelen, terwijl om haar heen iedereen druk in de weer ging met schoonmaakspullen, hout en meubels. Er werd gezaagd, getimmerd, geschrobd, met meubels gesleept…. En Agneta zat daar maar.
Een beetje in de weg. Zelfs dat.
Ze konden geen wonderen verrichten in de paar uurtjes dat ze daar aan de slag waren gegaan. Maar het had er veel van weg.
Alles was schoon toen iedereen weer vertrok. De smerige dekens waren vervangen door schone dekens, planken waren voor de stukgeslagen ruiten getimmerd, schoon beddengoed lag op haar eigen bed boven, borden en kopjes die niet stuk waren, waren afgewassen. Het huis rook naar groene zeep. Iemand had een doos bekleed met een fleecedeken als tijdelijk onderkomen voor de kitten en Eskil, wiens korte afwezigheid ze in de drukte niet eens meteen had opgemerkt, had haar kasten gevuld met eten voor haar en de kitten.
In het gietijzeren fornuis brandde hout en het verspreidde een aangename warmte, hoewel de electriciteit het nu ook deed.
Eskil was ook degene die het langst bleef.
‘Er moet natuurlijk veel meer gebeuren,’ zei hij. ‘En dat wordt ook wel geregeld. Maar voor nu kun je in ieder geval warm zitten, eten en slapen. Jullie allebei.’
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen. En ik weet niet hoe ik dit ooit terug moet betalen.’
‘Je hebt vooruitbetaald in al die jaren die je hier woonde. En wat de boodschappen betreft… ik heb hulp nodig in de winkel. Mijn ouders zijn al een paar jaar met pensioen en ik run de zaak nu. Dus als het je iets lijkt? Je hebt immers nog geen baan, geloof ik?’
‘Je hoeft niet…’
‘Het is geen liefdadigheid. Ik heb vorige week een advertentie geplaatst in de dorpsgroep. Er zijn ook wel reacties op geweest, maar meest heel jonge meiden. Ik heb liever een ervaren oude vrouw in de winkel staan. Iemand als jij, dus.’
Ze keek hem aan.
Hij grijnsde.
Ze haalde de kitten eindelijk onder haar trui uit, stond op en omhelsde hem. ‘Een knuffel voor een oude man,’ zei ze.
Eskil voelde warm en vertrouwd. Hij voelde ‘thuis’. 


Meer lezen van Sandra Berg?

De stilte van eenzaamheid

'De stilte van eenzaamheid van Sandra Berg gaat over een vrouw die haar leven lang heeft geprobeerd niet op te vallen, niemand tot last te zijn en alles goed te doen. Een levensstrategie waar ze langzaam maar zeker zelf aan onderdoor gaat. Paula's huwelijk staat onder druk en er is een enorme kloof ontstaan tussen haar en haar dochter. Dan krijgt ze een brief van haar inmiddels overleden oma, die dertig jaar geleden verdween uit een reumaziekenhuis in Heinola, Finland. Sindsdien is er sindsdien niets van haar vernomen. Paula grijpt de brief aan om voor eens en altijd duidelijkheid te krijgen over wat er met haar oma is gebeurd... en om zichzelf opnieuw uit te vinden. Of misschien zelfs voor het eerst.

De stilte van eenzaamheid is een spannende en aangrijpende roman van de in Zweden wonende Nederlandse auteur Sandra Berg. Dit verhaal baseerde ze op een waargebeurde verdwijning uit een ziekenhuis.