Nieuwsbrief

Goud waard – Margreet Maljers

Goud waard

Na het overlijden van hun moeder besluiten Irma en haar broer Jaap het ouderlijk huis uit te ruimen. Jaap wil de klus snel afronden, maar Irma vindt het moeilijk om afscheid te nemen van het oude vertrouwde. Het wordt helemaal anders als een jonge vrouw met haar twee kinderen in het buurhuis komt te wonen. Jacob vindt het leuk dat er nieuwe mensen in de buurt komen wonen, maar Irma moet niets van de luidruchtige, ongeorganiseerde buren weten. Waarom moet alles zo snel veranderen?

Goud waard van Margreet Maljers is een heerlijk kort verhaal over een broer en zus die heel verschillend zijn, maar toch ook altijd op elkaar kunnen bouwen.

Margreet Maljers

Margreet Maljers is bekend van haar eigen romans in de Romanserie. Daarnaast schrijft ze ook boeken met haar zus Reina. Eerder verscheen van haar onder andere Wat zei ik…, Stapstenen en Vlucht naar het eiland.


Goud waard

‘Nou, je redt het verder wel?’ Wat besluiteloos keek Irma de Raad naar haar broer die de laatste kopjes op een dienblad zette. ‘Laat mij dat nu maar doen. Mannen kunnen soms zo onhandig zijn.’ Ze zette nog een schoteltje op het dienblad en schoof het naar de lange kant van de tafel.
‘Kom nou, Irma. Dat soort clichés is nu toch wel achterhaald. Jacob heeft al die tijd voor je moeder gezorgd. Dat was wel wat meer werk dan alleen voor zichzelf een warme hap klaarmaken, dus hij heeft wel bewezen dat hij handig is,’ zei haar man zakelijk. Hij wierp zijn zwager een meelevende blik toe.
‘Ja, Co… maar toch… Ik was altijd stand-by. Moeders jurken werden echt niet door de kabouters gewassen.’ Irma was wat in haar wiek geschoten door de woorden van haar man. Zo klonk het net of Jacob in zijn eentje voor moeder had gezorgd en dat was niet zo. Wie wipte er vaak aan bij moeder als hij overdag naar zijn kantoor was? Zij toch zeker. Dat Jacob voor het huis, het schoonmaken en de andere klussen zorgde en dat hij kookte voor moeder en hemzelf, was vanzelfsprekend. Hij woonde er tenslotte. Maar zij had al die tijd voor moeders kleren gezorgd. Verongelijkt keek ze naar haar man.
‘Nou, zodra Jacob opeens ook een jurk wil laten wassen, roept hij je wel,’ probeerde Co de Raad grappig te zijn.
Broer en zus verwaardigden zich niet om antwoord te geven op deze opmerking.
‘Lief van je dat je je druk om me maakt, maar het is echt niet nodig,’ zei Jacob en hij veegde een haarlok die bijna in zijn ogen viel naar achteren. Morgen moest hij maar eens naar de kapper. Door het overlijden van zijn moeder en alle toestanden daarna, was het er niet van gekomen.
‘Ook zo vervelend dat vorige maand onze oude buren zijn verhuisd,’ klaagde Irma. ‘En je moet maar weer zien wie er nu in komen. Als het een stel tokkies is, vermindert meteen de waarde van ons huis.’
‘Van Jacobs huis,’ verbeterde Co zijn vrouw.
‘Hè.’ Irma schokschouderde ongeduldig. ‘Ik vind het eigenlijk onzin dat Jaap ons heeft uitgekocht. Niet dat het geld ons niet goed uitkomt, maar het huis had net zo goed ook op mijn naam kunnen blijven staan. Dat is veel beter, dan hoeven de kinderen niet zoveel belasting te betalen als zij het erven.’
Haar man en haar broer keken elkaar aan. Co haalde zijn schouders op. ‘Je kijkt wel erg ver vooruit, Irm. Je weet nooit hoe het loopt,’ zei Co wijsgerig.
Irma negeerde zijn woorden. Op onzin moest je niet ingaan.
Jacob had de ware nooit ontmoet en het zag er niet naar uit dat dat op zijn vijfenveertigste nog zou gebeuren. Door al die toestanden met moeder was hij wel erg aan huis gebonden geweest. Moeder had er niet van gehouden om alleen te zijn. Nou ja, beter zo dan ongelukkig getrouwd. Daar zag ze genoeg voorbeelden van om zich heen. En het was voor de kinderen niet verkeerd om op de achtergrond een oom te hebben die bij kon springen als het nodig was.
‘Nou, dan gaan we maar,’ besloot Irma. ‘Ik kom morgen nog wel even langs. Ik moet wat andijvie hebben, al hebben de kinderen liever boontjes. Maar iedere dag boontjes kan niet. Waar is mijn tas?’
Irma grabbelde haar tas van de lage stoel waar haar moeder altijd in had gezeten. Die oogde erg versleten en een beetje vies. ‘Deze stoel zou ik wegdoen, Jacob. De rest kan nog wel,’ adviseerde ze.
‘Ik doe alles weg, Irm,’ antwoordde haar broer.
‘Hoezo?’ Ze keek om zich heen. De boekenkast, de tafel met de door moeder geknoopte loper en de lage stoel in de hoek waar vroeger haar vader altijd in had gezeten. Weg? Ze hield er niet van als iets veranderde. Hier niet tenminste. Het was tenslotte haar ouderlijke huis. ‘Waarom zou je dat doen? Je eigen kamer heb je een tijd geleden al veranderd en aan deze meubels mankeert toch niets?‘
‘Nee, alleen maar dat ze erg ouderwets zijn en van je moeders generatie,’ zei haar man met een blik naar het meubilair dat al bijna vijftig jaar in gebruik was. ‘Jij zou dit toch ook niet in onze kamer zetten?’
‘Nee, natuurlijk niet, maar Jaap…’ Ze zweeg. Haar broer was tien jaar jonger dan zij. Het was misschien wel logisch dat hij iets wilde veranderen, maar als alles wegging… Dan was opeens het vertrouwde sfeertje uit haar verleden kwijt.
‘Niet meteen, toch? Ik moet er nog even aan wennen dat moeder er niet meer is,’ zei ze wat pruilend. ‘En dat tafeltje en de staande naaibox van moeder wil ik later graag hebben. Die mogen niet weg, ze zijn antiek. Laat die voorlopig maar staan.’
Jacob zegde niets toe. ‘Zijn er nog meer dingen die je wilt hebben, Irma?’ vroeg hij toen.
Zijn zus keek weer rond. ‘Nee, hoor. Je mag wat mij betreft alles houden. Ga je nog meer veranderen? Slopen of zo? Nee, toch?’ Ze stond op en drentelde door de kamer.
Haar man greep haar goedmoedig bij de arm. ‘Kom, we gaan naar huis en laat Jacob nu zelf zijn boontjes maar doppen.’
Hij trok haar met zachte dwang naar de deur. Daar draaide Irma zich nog even om.
‘Je kunt altijd een beroep op ons doen, Jaap.’
Jacob hield een zucht binnen. ‘Goed om te weten, Irma,’ zei hij toen.
Irma en Co liepen terug naar hun auto over het tegelpad dat door de voortuin voerde.
In de tuin ernaast lagen een fiets en een voetbal half in het grasperk. De planten in de border lagen plat door de regen van de afgelopen tijd en het gras was erg lang.
‘Ik hoop toch zo dat die nieuwe buren een beetje redelijk zijn,’ zei Irma toen ze weer in hun auto zat en achteromkeek. ‘Moet je die rommel op het gras nou eens zien! Dat was bij de familie De Vries niet voorgekomen. Die waren zo netjes op de tuin. Het heeft een slechte uitstraling op de rest van de straat.’
‘Als je net verhuisd bent, is grasmaaien niet je eerste klus,’ grinnikte haar man. ‘En meneer De Vries trapte op zijn leeftijd ook geen balletje meer, dus het is logisch dat er geen speelgoed lag. Maak je toch niet zo druk. Jacob kan wel tegen een beetje reuring. Hij is vijfenveertig jaar. Geen vijfentachtig.’
‘Jij maakt ook van alles een grap,’ mokte Irma. ‘Maar goede buren zijn de twijfel van een liefde en hun tuin was vroeger altijd erg mooi, net als die van ons. Alleen was de onze nuttiger voor iedereen. De De Vriesjes waren erg blij met ons, want ze profiteerden er lekker van mee!’
‘Daar heb je helemaal gelijk in. Dus blijven hopen maar,’ zei haar man opgewekt. ‘En je broer wil vast ook wel eens wat anders in de achtertuin zetten dan alleen maar groente.’
‘Nou, dat hoop ik niet,’ zei Irma. ‘Het is op het moment juist ín om zelf groente te kweken.’
Want terwijl de hele buurt rozen, dahlia’s en campanula’s kweekte, hadden bij Jaap en bij moeder Schoon op nummer 17 sla, bietjes en winterprei in de achtertuin gestaan. Niet dat Jaap zo dol was op die groenten, maar zijn moeder was erg gehecht aan eigen gekweekte groenten. Ze was van boerenafkomst en had het belachelijk gevonden om zo’n mooi lapje grond als ze achter het huis hadden te verspillen aan bloemetjes, dus haar man had er groenteplantjes in gezet. Na de dood van zijn vader was Jaap weer thuis komen wonen. Moeder verpieterde totaal in haar eentje en het had een goede oplossing geleken.
Co was het er niet mee eens geweest. Haar man vond dat Jaap zich niet op moest offeren, maar zo zwaar had zijzelf dat niet ingezien. Er zaten voordelen aan voor beide partijen. Ook voor haarzelf, gaf ze in eerlijke momenten toe. Maar niemand had hem toch gedwongen?
Toen Jaap het tuinwerk had overgenomen had hij wel een paar veranderingen aangebracht. Hij had tussen de bonenstokken kruiden en margrieten geplant, en de pioenrozen langs de bessenstruiken floreerden geweldig. Het stond wel veel leuker, dat wel.
Irma had er meteen nadat Jacob hen had uitgekocht wel op aangedrongen dat hij de groentetuin aan zou houden, want het was zo gezond om verse en onbespoten groente te eten, en er waren geen aardappels zo lekker als die uit eigen tuin.
Jacob was dat laatste met zijn zuster eens, maar hij had andere plannen dan zij. Hij zwaaide even naar zijn zus en zwager toen ze wegreden. Toen wierp hij een blik door de kamer. Morgen zou hij de kringloop bellen. Ze konden alles meenemen, wat hem betrof.

De volgende dag kwam Irma langs. Ze liep gelijk door naar de achtertuin met een paar plastic tassen in haar hand en plukte een maaltje snijbonen die rankten langs de bamboestokken. Door het raam zag ze haar broer bezig met kartonnen dozen die hij vulde met boeken. Moest dat nu meteen, dacht ze wrevelig. Wat was er nu op tegen om dat een halfjaar uit te stellen zodat zij een beetje aan het gemis van haar moeder kon wennen? Irma liep naar binnen.
‘Jacob, moeder is amper zes weken dood. Zoveel haast hoef je toch niet te maken om haar spullen weg te doen?’ riep ze.
Haar broer haalde zijn schouders op. ‘Het heeft geen zin om dat uit te stellen, Irma. Dat moment van een afgetakelde kamer komt toch en dat is naargeestig genoeg. Beter erdoorheen gevlogen dan erdoorheen gekropen.’
Irma keek naar het magere gezicht van haar broer. Ze begreep hem niet. Hij was altijd zo geduldig met hun moeder geweest – en die kon lastig zijn, dat wist ze uit eigen ervaring. Maar nu kon hij opeens niet meer wachten om alles om te gooien.
‘Over drie dagen komen de mensen van de kringloop,’ zei Jacob. ‘Dus ik moet opschieten.’ Hij keek veelbetekenend op de oude klok die aan de muur hing. De koperen gewichten glommen in het zonlicht dat naar binnen viel.
Zijn zus volgde zijn blik. ‘Och, die klok wil ik ook wel hebben,’ zei ze nadenkend. ‘Als je alles toch wegdoet. Ik vond die hamertjes altijd wel grappig, dus dat ding mag je wel meenemen als je de naaibox en het tafeltje brengt.’
‘Die klok houd ik zelf,’ zei Jacob.
‘Gunst. Waarom? Ik hoef bijna niets te hebben. De rest mag je al houden,’ zei Irma. ‘Een paar kleine dingetjes uit ons huis komen me toch wel toe, zou ik zo zeggen.’
‘Die andere spullen wil ik ook wel naar jou toe brengen in plaats van naar de kringloop,’ zei Jacob. ‘Maar de klok blijft hier.’
En klonk een vage dreiging in zijn stem, die maakte dat Irma er niet tegen inging, hoe aantrekkelijk ze het idee ook vond om die klok bij haar boven de bank te hangen. Vader kon vroeger ook zo praten als moeder in zijn ogen te veel zei. En dan was het afgelopen ook.
‘Nee, dank je. Houd hem dan maar, als je dat zo graag wilt,’ pruilde ze en ze veranderde van onderwerp. ‘Denk je dat je nog wat nieuwe aardappels voor me hebt?’
‘Ja, hoor.’ Hij legde de stapel boeken in de doos. ‘Als je iets van deze boeken wilt hebben… Kijk dan even want ze gaan allemaal weg.’
‘Daar heb ik nu geen tijd voor,’ zei Irma. ‘Je wilt niet weten hoe druk ik het heb op het moment. Misschien kijk ik morgen wel even.’
‘Dan zitten ze in dozen. Dus als je nog iets wilt, moet je nu kijken. Zal ik ondertussen even wat aardappels voor je halen?’
Zijn stem was weer de stem van de standvastige broer en Irma wierp nog vluchtig een blik op de boeken. Wilde ze die echt doorsnuffelen? Ze had er in tien jaar niet naar gekeken. Nee dus.
‘Nee, laat ook maar. Ik loop even met je mee,’ zei ze en ze drentelde achter hem aan de tuin in.
Hoofdschuddend bekeek ze even later de verwilderde tuin van de nieuwe buren. Slordig mens, maar dat had ze al opgemaakt uit de spullen die in de voortuin in het gras hadden gelegen. Een man had ze daar nog niet gezien. Was die er eigenlijk wel?
Zo’n verschil met die lieve, oude mensen die zo lang naast hen hadden gewoond.
Achter in de tuin stonden een kippenhok en een hok met een ren waar konijnen aan wat wortels knaagden. De hond die net door de geopende achterdeur naar buiten liep, blafte. Boven op de tuintafel lag een kat die zich in de zon leek te koesteren.
Grote genade, ze hadden half Artis meegenomen. Nou, daar schoot je als buurt lekker mee op!

Uit het huis kwam ook een jonge vrouw naar buiten. Heleen Wijdenes droeg een lange bruine jurk die aan de rozenstruik bleef haken en terwijl ze de stof losmaakte, riep ze naar binnen: ‘Steven, kom eens, je moet de konijnenhokken nog schoonmaken.’
Een jongensstem riep terug: ‘Dat doe ik straks wel.’
‘Best, als het maar voor het donker gebeurd is,’ riep Heleen terug en ze knikte welwillend naar Irma – die het tafereel met een sceptische gezicht gadesloeg – en naar haar buurman. ‘Dag! Heerlijk weer, hè?’
Irma knikte en pakte de zak aardappels van haar broer over. Ze hield eigenlijk niet van dat uitbundige gegroet. ‘Jazeker. Ik denk niet dat we het zo houden, want er wordt regen verwacht.’ Ze woog de aardappels in haar hand. ‘Dank je wel, Jaap.’
‘Ook goedemiddag.’ Jaap hoorde haar nauwelijks. Hij glimlachte naar de vrouw.
Irma liep verder, stopte de oogst in haar fietstassen en groette haar broer toen wat afgemeten.
Waarom wist ze niet, maar ze voelde zich wat verongelijkt. Er was zo veel veranderd na het overlijden van haar moeder. Ze miste haar, ondanks al de moeite die ze de laatste tijd met haar gehad had.
Ze liep het pad dat tussen de twee huizen lag af. De rozen die tegen het huis groeiden, hingen over het weggetje. Die mocht Jaap ook wel eens snoeien. Ze keek opzij naar het andere huis. In de zijtuin zat een meisje van een jaar of twaalf op de bank die in de volle zon stond. Ze las en terwijl ze een bladzij van haar boek omsloeg, neuriede ze zacht een wijs die Irma herkende als een kerklied.
Het kwam Irma een beetje oneerbiedig voor. Was dat nu wel een lied om zo maar te zingen? Het was tenslotte bepaald geen straatliedje, al had dat neuriën aan de andere kant ook wel iets vertederends. Irma rinkelde met haar fietsbel, waarom wist ze niet. Het meisje keek niet eens op. Ze was weg voor de wereld.
Arme Jaap. Maar ja, je buren had je niet voor het uitzoeken. Die kreeg je. En het was nog een koophuis ook. Nou ja, Jaap zou het niet kunnen schelen, maar zij was blij dat zij hier niet was gaan wonen. Dat had wel Jaap aangeboden, maar ze waren er niet op ingegaan. Er moest zoveel aan het huis gebeuren voor ze daar in zou kunnen trekken en ze hadden net hun eigen huis goed op orde.

Een paar uur later liep Jaap Schoon in zijn achtertuin. Even uitblazen. De hele boekenkast uitmesten was nog een behoorlijke klus geweest. En je moest wel alles goed nakijken, want moeder had af en toe formulieren en zelfs geld tussen de boeken verstopt. Dat was waarschijnlijk iets van de laatste tijd, toen ze echt verward was geworden. Hij zou het vanzelfsprekend met Irma delen. Ze zou er wel blij mee zijn.
Met langzame passen liep hij langs de groentebedden en hij zag met genoegen dat de kruiden het bijzonder goed deden. Hij bukte zich om wat onkruid uit te trekken en schrok door een plotselinge beweging tussen de sla. Hij zag witte pluimstaarten en glanzende ogen. De konijnen van de buren waren uitgebroken en sprongen door het slabed. De bladeren waren flink aangevreten. Eén konijntje ging op zijn achterpoten zitten en snuffelde. Het neusje bewoog vlug heen en weer.
Konijnen. Vroeger had hij er graag één willen hebben, maar moeder had tegen het werk opgezien: ze vond de meeste dieren smerig en onhygiënisch. Dus geen konijn, geen poes en zeker geen hond. Dat gaf alleen maar vlooien.
Jaap keek vertederd naar de konijnen die zich nu ijverig tegoed deden aan de koolplanten. Af en toe gluurden ze wantrouwend naar hem. Hij glimlachte.
De zon ging onder en wierp een oranjeachtig strijklicht tegen de hemel. De schepping, dacht Jaap. En de schepselen. Wat prachtig.
Meteen was hij blij dat niemand wist wat hij dacht. Sentimenteel gedoe! En dat om een paar konijnen. Ze waren dus ontsnapt, dacht Jaap en hij richtte zijn ogen naar de konijnen die weer aan de kool knabbelden. Af en toe keken ze argwanend in zijn richting. Hij had nooit geweten dat konijnen blauwe ogen konden hebben. Leuk.
Hij hoorde zijn buurvrouw de tuin inkomen. Omdat zijn moeder de laatste weken veel aandacht had gevergd, was er tot dusver alleen maar een oppervlakkig contact met de nieuwe buren geweest. Niet veel meer dan een ‘goedemorgen’ en ‘goedemiddag’.
Er had wel een kaartje van haar in de brievenbus gezeten nadat moeder was gestorven. We leven met u mee. Heleen Wijdenes en kinderen.
Hij wist van de andere buren dat haar man een paar jaar geleden overleden was. Treurig, want de buurvrouw was nog jong.
Heleen Wijdenes had de hond bij zich en riep: ‘Steef… Steven! Kom eens hier, heb je nu de hokken schoongemaakt?’
De jongen kwam naar buiten. ‘Allang. Voor het eten nog.’
‘Waar zijn de konijnen dan?’
‘In hun hok, natuurlijk,’ antwoordde Steven. ‘Ze zitten vast al in hun nachthok.’
Heleen keek. ‘Nee, dus!’
‘Hè? Hoe kan dat nu? Laat mij eens kijken.’ De jongen keek in het hok. ’Verdraaid!’ zei hij.
Jaap Schoon richtte zich op, kuchte en zei: ‘Ze zitten hier. Tussen de sla.’
‘Ach, lieve help!’ schrok Heleen. ‘Je hebt het deurtje niet goed dichtgedaan, Steven. Hebben ze veel opgegeten, meneer Schoon?’
Natuurlijk moesten die konijnen precies daar naartoe, dacht Heleen gelaten. Net naar die wat wereldvreemde man die al leek te verstarren als de hond tegen hem opsprong, en met die onaardige zuster die waarschijnlijk maar één goede plaats voor een konijn wist: de pan!
‘Valt mee,’ zei Jaap Schoon. ‘Sla zat.’
‘Ik vang ze wel.’ Steven sprong over het tuinhek.
Maar dat hoefde niet meer. Jaap Schoon had zich gebukt en pakte de twee konijnen in hun nekvel. Een ervan gaf hij aan Steven. De andere zette hij op zijn arm. Het konijn keek hem aan. Jaap zou zweren dat het konijn lachte. Hij stapte met zijn lange benen over het hek en zette het konijn in zijn hok.
Steven keek goedkeurend naar de lange, wat slungelachtige gestalte van de buurman. Dat viel hem mee van die stille man. Zijn moeder dacht op dat moment hetzelfde.
‘Och,’ zei Jacob Schoon. ‘Wat een grappige beesten.’
Sara, Stevens zusje, kwam aanslenteren. Ze had een boek onder haar arm. ‘Kan iemand mij nu eindelijk eens helpen met mijn wiskunde?’ verzuchtte ze klaaglijk.
Haar moeder rimpelde haar neus. ‘Ik ben zelf zo’n kneus met wiskunde. Maar vooruit, misschien komen we er samen uit.’
Wiskunde? Jaap Schoon schraapte zijn keel. ‘Ik weet niet of er veel is veranderd in de leerstof, maar ik vond wiskunde altijd leuk,’ zei hij bescheiden.
‘Havo of vwo?’ informeerde Steven zakelijk.
‘Vwo.’
‘Mooi, dan zou u me dus kunnen helpen,’ knikte Sara. ‘Want Steven legt het zo stom uit. Dan begrijp ik er helemaal niets van. En mama doet wel haar best, maar…’ Aan de meewarige klank van haar stem was te horen dat ze het wiskundig talent van haar moeder niet hoog aansloeg.
‘Het zou een uitkomst zijn,’ riep Heleen. ‘Alleen als het u echt niet ophoudt, want u hebt het erg druk op het moment. Opruimen en zo.’ Ze zweeg.
‘Nee, ik vind het fijn om even iets anders te doen,’ zei Jacob. ‘En zeg alstublieft Jaap tegen me.’
‘Als je tegen mij Heleen zegt,’ zei Heleen, dankbaar dat de nieuwe buurman zo meeviel. En dat hij goed in wiskunde was. Dat was werkelijk een uitkomst.
Ze keek naar het magere gezicht tegenover zich, waar een donkere lok haar tot in de grijze ogen viel. Het stond grappig, hoewel het niet echt bij hem paste.

Vijf minuten later zat Jaap Schoon aan een lange tafel en legde zijn buurmeisje sommen uit. Toen Steven hoorde dat Jacob wiskunde had gestudeerd, aarzelde hij de volgende middag geen moment en trok met zijn boek naar het buurhuis.
Heleen Wijdenes keek die middag peinzend naar de hoeveelheid andijviestruiken waarmee haar zoon naar huis was gekomen nadat zijn sommen uitgelegd waren.
Aan één plant kon ze zien dat er een konijn van had gegeten. Dit was zelfs meer dan genoeg voor zes personen.
Ze stuurde Steven terug om Jaap Schoon uit te nodigen voor het avondeten als hij van andijvie met aardappels en een gehaktbal hield.
Steven kwam terug met de boodschap dat Jaap dat erg lekker vond. ‘Ik heb gezegd dat we meestal om halfzeven eten. Hij zou er zijn.’
‘Mooi,’ zei Sara. ‘Dan kan ik hem meteen iets vragen over aardrijkskunde, want ik geloof dat hij heel veel weet. Hij wist alles over de warme golfstroom.’
‘Rustig aan, Saar,’ zei haar moeder. ‘We moeten hem niet uitbuiten.’
‘Mam… die man wil niets liever dan een ander helpen. Dat zie je toch zo,’ zei haar dochter ongeduldig.
‘Dat denk je. Maar dan nog,’ zei Heleen Wijdenes resoluut en ze gaf de hond een stukje gehakt.
‘Dat mogen wij nooit,’ zei Sara. ‘Dan moet je poes ook iets geven, ander is het niet eerlijk.’ En ze liep zingend naar boven.

Die avond kwam Jaap Schoon erachter dat hij niet eens zo veel ouder was dan zijn buurvrouw en dat ze allebei van de zee in de winter hielden.
‘En als je ergens een aanhanger voor nodig hebt: wij hebben er een in de garage staan,’ bood Heleen aan toen ze hoorde dat Jaap een groot deel van de inventaris van zijn moeder weg liet halen. ‘Je kunt er niet mee verhuizen, maar een paar kleine dingen die net niet in je auto passen, kun je er wel mee vervoeren.’
‘Dat zou fijn zijn,’ zei Jaap, want het tafeltje en het boekenrek voor zijn zus paste net niet in zijn auto.

‘Waar was je gisteravond?’ vroeg zijn zuster de volgende dag toen hij met het aanhangwagentje achter zijn auto voorreed. ‘En van wie heb je dat ding? Zeker van Bons, verder op in de straat.’
‘Nee, het is van de buren. Waar wil je dat tafeltje hebben? En vraag even of Co kan helpen met het boekenrek.’ Jaap zette de naaibox in de gang en haalde het tafeltje uit de aanhanger.
‘Oppassen dat je niet teveel met hen te maken krijgt,’ adviseerde zijn zus. ‘Er is geen man in huis en voor je het weet doe je daar de klusjes en kun je in ruil voor het gebruik van dat karretje hun gras maaien en de tuin onderhouden.’
Co kwam net aanlopen en hoorde de laatste woorden. ‘Nou, dat is dan een vorm van noaberhulp waar jullie thuis altijd zo hoog van opgaven,’ zei hij. ‘En in onze kerk hoor je ook zoiets. Toch?’
Irma wist niet goed wat ze met die opmerking aan moest en zweeg. Co kon toch zo onprettig reageren af en toe, en Jaap was veel te goed.
‘Waar was je gisteravond?’ vroeg ze nogmaals.
‘Ik was bij de buren. Ik heb er gegeten.’
‘Hè?’ Irma fronste gealarmeerd. ‘Waar was dat voor nodig? Zie je wel, daar heb je het al.’
‘Irmaatje!’ waarschuwde haar man.
Jaap glimlachte alleen maar om het verontruste gezicht van zijn zus. Uitleggen hoe hij in contact was gekomen door de ontsnapte konijnen? Hij piekerde er niet over. Irma was lief, maar het ging haar niet aan.
Met een gevoel van bevrijding reed hij even later zijn eigen garagepad op en zette daarna het aanhangwagentje weer terug in de garage van zijn nieuwe buren.

Nog veel later, een jaar ongeveer, verstuurden Jaap Schoon en zijn bruid trouwkaarten.
Niemand van de geadresseerden begreep waarom er een ondergaande zon op de voorkant stond. Ook Jaap vond het minder mooi dan de foto die hij er eerst op had willen zetten. Hun geluk was immers begonnen met de ontsnapping van twee konijnen in de avond.
Maar Heleen glimlachte en prees zich gelukkig dat ze het plaatje van twee langoren op de voorkant tegen had kunnen houden.
Dat zou wel erg vreemd gestaan hebben. Jaap was een schat, maar een beetje naïef was haar aanstaande bruidegom wel.
Irma keek naar de twee kinderen die bij haar aan tafel zaten. Haar eigen kinderen waren het huis uit en diep in haar hart vond ze het wel gezellig dat de jongen en het meisje in de week dat Heleen en Jaap op huwelijksreis waren, bij haar logeerden. Eigenlijk was ze wel vereerd dat ze bij haar wilden komen. Want het waren kinderen met een eigen willetje en als ze haar niet hadden zien zitten, waren ze vast niet gekomen.
Het had haar eerst moeite gekost om zich neer te leggen bij het feit dat haar broer de buurvrouw in zijn hart had gesloten en haar kinderen erbij. Pas nadat haar eigen man erg kwaad op haar was geworden na haar opmerking dat die Heleen vast wel wist aan welke kant haar boterham was gesmeerd en dat het voor hun eigen kinderen niet mee zou vallen om geen oom meer op de achtergrond te hebben die bij zou kunnen springen als het nodig was, had ze zich geschaamd. Co had gelijk, het leek nergens op. Niet dat ze hem dat aan zijn neus zou hangen… maar toch.
En nog weer later had ze werkelijk blij kunnen zijn met de situatie, omdat haar broer er zo gelukkig uitzag. En die kinderen waren werkelijk erg grappig.
Vertederd keek ze hoe Steven voor de tweede keer een portie op zijn bord schepte. Goede buren waren inderdaad goud waard geweest. Goud was eigenlijk niet het goede woord. Goede buren droegen bij aan geluk.
‘Ja Steef, ga je gang, er is genoeg.’


Meer lezen van Margreet Maljers?

Wat zei ik...

Het verleden blijft Victorien achtervolgen in Wat zei ik van Margreet Maljers, en dat maakt aan de toekomst bouwen lastig.

Dat Victorien Amsterdam achter zich laat in Wat zei ik van Margreet Maljers, het vervolg op de roman Stapstenen, neemt haar vader haar bijzonder kwalijk. Hij stelt alles in het werk om weer een grote rol te krijgen in het leven van zijn dochter en kleinkinderen. Victorien moet hier weinig van weten en doet haar best om haar leven weer op te bouwen. Een van de mensen die haar bijstaan in de strijd om vrijheid voor haar kinderen, is Paul. Hij en Victorien zijn meer dan bevriend met elkaar, maar Victorien heeft te maken met veel wantrouwen. Als haar nu overleden man zonder dat zij het wist een verhouding had met Claudia, hoe kan ze dan een andere man blindelings vertrouwen? Als dan ook nog Claudia opduikt, wordt het haar allemaal echt wat te veel.

Wat zei ik van Margreet Maljers is een roman vol herkenbare momenten en gevoelens.