Nieuwsbrief

8 uur overwerken – Petra Kruijt

8 uur overwerken

Nannet werkt bij een reclamebureau. Om het imago van het bureau op te krikken verzint haar baas dat ze met z n allen een nacht gaan doorhalen voor het goede doel. Nannet ziet er geen heil in, tot ze het gezicht achter dat goede doel ontmoet.

Petra Kruijt

Petra Kruijt studeerde journalistiek in Utrecht. Nu is ze boekredacteur en moeder van twee kinderen. Tussen de bedrijven door gebruikt ze haar creativiteit voor het schrijven van korte en lange verhalen.


Zo blijkt maar weer dat creativiteit relatief is. Tijdens het wekelijkse overleg heeft de directeur van Juice, het hippe reclamebureau waar wij ons nu bevinden, een ideetje bij ons gedropt dat rechtstreeks uit andermans koker komt. We gaan volgende week met het hele team werken aan een project voor een goed doel. En dat doen we niet in werktijd, maar in de nacht van donderdag op vrijdag. Acht uur overwerken voor een of andere NGO die microkredieten verstrekt aan Afrikanen. (Karel – de directeur – wist niet precies meer welke Afrikanen. ‘Was het nou Oeganda of Tanzania? Nou ja, ergens in die buurt dus.’) Het is de bedoeling dat wij in die ene nacht een compleet marketingplan ontwerpen, inclusief huisstijl en website.

‘Ik verwacht dat jullie allemaal meedoen,’ zei Karel na zijn betoog. ‘Het is voordat jullie op vakantie gaan, dus dat kun je niet als excuus aanvoeren. De mensen die normaal op vrijdag werken mogen dan een vrije dag opnemen. En we gaan hier natuurlijk een evenement van maken. Lekker veel pers erbij, goed voor onze naamsbekendheid.’ Ja, alsof het in hem zou opkomen om zomaar, vanuit de goedheid van zijn hart, iets voor een ander te doen. Hij keek de zaal rond en stopte abrupt toen hij bij mij was aanbeland. ‘Nannet, wil jij een persberichtje schrijven?’

Nannet, dat ben ik. De jonge, elegante, knappe en zelfverzekerde vrouw die nu de trap op loopt. Ze slaat rechtsaf naar haar kamer, die ze deelt met een iets minder jonge maar minstens zo elegante en knappe collega, waar ze zich achter haar computer installeert en een nieuw document opent. De vrouw die met knipperende ogen naar de knipperende cursor kijkt en haar aantekeningen erbij pakt om hiervan een dijk van een persbericht te maken. Natuurlijk is het heel nobel dat wij acht uur gaan overwerken voor het goede doel, in navolging van de landelijke actie die elk voorjaar plaatsvindt maar nog niet is doorgedrongen tot het verre zuiden. Ah, dat is een mooi gegeven voor de kop. Ik tik het vlug neer. Het begin is er, het halve werk is gedaan.

Officieel schrijf ik geen teksten. Dat doet niemand in dit bedrijf, maar tijdens het sollicitatiegesprek werd me gevraagd of ik ‘in voorkomende gevallen’ ook ‘wat tekstjes in elkaar kon draaien’. Ik heb daarop bevestigend geantwoord. Wat kon ik anders, als pas afgestudeerde werkzoekende in crisistijd. Ik had al zo veel geluk dat ik daar zat, ik had desgevraagd zelfs geantwoord dat ik voldoende speeksel had om in voorkomende gevallen een stapel van duizend enveloppen dicht te likken. Gelukkig had ik voor de tekstschrijverij ook bewijs: omdat ik in mijn studententijd weleens schreef voor het universiteitsblad, had men meteen een rotsvast vertrouwen in mijn schrijfkunsten. Ach ja. Zolang Karel er blij mee is en ik daarnaast mee mag werken aan de marketingconcepten waarvoor ik officieel ben aangenomen, vind ik het prima.

Ik moet mezelf in dit bedrijf nog wel bewijzen. Tot nu toe ben ik alleen zijdelings betrokken geweest bij de beste brainstorms en de mooiste klussen. Na bijna twee jaar vind ik dat daar verandering in moet komen, want mijn ambitie is het niet om persberichten te schrijven. Ik begrijp dat ik niet in twee jaar aan de top kan komen – al was dat wel wat ik het liefst wilde en heel, heel stilletjes verwachtte toen ik hier begon.

Misschien is dit goededoelenproject een kans om mezelf in de kijker te spelen bij Karel. Hij gooit doorgaans alleen werk over de schutting en ziet het liefst pas weer iets aan zijn kant van de schutting verschijnen als het gaat om de pecunia’s die de klant heeft betaald voor ons fantastische werk. We hebben wel functionerings- en beoordelingsgesprekken, maar die duren maar vijf minuten en als je geluk hebt kun je een salarisverhoging bedingen. Naar de kwaliteiten van medewerkers kijkt Karel nauwelijks. Zolang er geen klachten komen, kan hij ervan uitgaan dat het goed zit, denkt hij. En het verrotte is dat hij daar gelijk in heeft.

Ook met dit project zal het wel weer goed komen. Ik moet toegeven dat het een verdraaid slimme zet is om als reclamebureau je naam te verbinden aan een goed doel, waarvoor we ons vanzelfsprekend belangeloos inzetten. Als dat geen publiciteit oplevert, doet niets het meer. O ja, ik moet maar eens aan dat persbericht gaan werken.

Terwijl ik er op het scherm een zo gaaf mogelijk evenement van maak, krijg ik er langzamerhand zelf ook zin in. Acht uur lang wilde plannen bedenken, mijn collega’s eens wat beter leren kennen want dat komt er ook niet echt van in de hectiek van alledag terwijl ik de indruk heb dat het best toffe mensen zijn, misschien aan Karel laten zien wat ik waard ben… Ja, hoelanger ik erover nadenk, hoe beter dit plan me bevalt. Tevreden leg ik de laatste hand aan mijn stukje en na nog een keer nalezen stuur ik het naar Annemiek, die contacten heeft met alle lokale media. Ik heb er zin in.


De rest van de week lijkt het alsof ik de enige ben. Iedereen werkt gewoon door alsof er niks staat te gebeuren, terwijl onze actie met een groot interview is aangekondigd in Dagblad De Limburger (Karel ontvangt graag journalisten) en we te horen hebben gekregen dat L1 donderdagnacht komt filmen. Wie weet kom ik ook op tv.

Het is vandaag donderdag en ik zit op de bank (officieel mijn bed) met een bord macaroni op schoot. Dit is mijn huis, dertien vierkante meter. Want je mag dan in crisistijd een baan hebben, een hypotheek is een heel ander verhaal.

Afspraak is dat we eerst thuis wat eten en naar het journaal kijken, of wat je ook wilt doen, en dat we om negen uur beginnen met ons overwerkproject. Dan zijn we om vijf uur morgenochtend klaar en waarschijnlijk uitgeput. Hoewel, ik sta nu zo stijf van de adrenaline dat ik volgens mij vierentwintig uur zou kunnen overwerken.

Al om vijf over halfnegen zit ik op de fiets naar kantoor. Het is vijf minuten fietsen dus ik kom aan om tien over halfnegen en daarmee ben ik de eerste aanwezige. Zelfs Karel is er nog niet. Gelukkig heb ik een sleutel van het pand, dus ik kan zo binnenlopen. Ik zet maar vast een kan koffie.

Het apparaat is nog aan het pruttelen als de deurbel gaat. Wie is er nu weer z’n sleutel vergeten? Vast Linda, die krijgt het nog voor elkaar om haar bril – een supermodieus jampotglazengeval met een sterkte van min zes – te vergeten.

‘Goedenavond,’ zegt de knapste man die ik in tijden heb gezien. Maak van ‘tijden’ trouwens gerust ‘jaren’.

‘Hoi.’

‘Ik ben Cas.’ Hij steekt zijn hand naar me uit en ik schud die. ‘Ik kom voor het overwerkproject.’

‘O, doen er ook andere bedrijven mee?’ Dat had Karel wel even mogen zeggen. Lijkt me ook niks voor hem. Als dit project Juice op de kaart moet zetten als nobel en creatief reclamebureau, is het niet erg handig dat er ook mensen van andere reclamebureaus meedoen. Of zouden het webdesigners zijn? Deze Cas ziet er niet uit als een webdesigner, maar wat zegt uiterlijk nou, ook daarvan heb je heel leuke. Dat zal het zijn. Wij hebben maar één webdesigner; Jochem kan in zijn eentje nooit een site maken in acht uur tijd.

‘Niet dat ik weet,’ zegt hij. ‘Ik ben van One Small World.’

‘Aha! O, wat een domme vraag, sorry. Welkom, kom binnen, ik ben net koffie aan het zetten, lust je?’ Wat stom, wat stom, wat stom! Deze jongen is de microkredietverstrekker. Liefdadig en gevaarlijk aantrekkelijk, oei wat een combinatie. ‘Komen er ook collega’s van je?’ vraag ik terwijl ik voor hem uit loop naar onze keuken.

‘Nee, ik doe het alleen. Daarom ben ik ook zo blij dat jullie dit project voor me willen doen. Ik heb grootse plannen voor One Small World, maar het lukt me nooit om die te realiseren zonder hulp.’

Net als ik hem een compliment wil geven over het feit dat hij helemaal in z’n eentje een goed doel heeft opgericht, komt Fiona binnen. Zij heeft wel meteen door wie ze voor zich heeft en stelt zich aan hem voor. Ik zie aan haar dat ze hetzelfde denkt als ik. Ze kijkt hem ietsje langer aan dan nodig en likt langs haar lippen. Dat laat weinig te raden over: ze vindt hem leuk. En dat geldt ook voor Annemiek, Georgette, Linda en Sanne, die niet veel later het pand betreden. Maar Annemiek en Linda hebben een relatie, die moeten zich gedeisd houden. Al lijken ze daar zelf geen erg in te hebben. En Georgette, die veel te oud is voor hem, lijkt ook dát niet te merken.

Ik schenk voor alle aanwezigen een mok vol en schep meteen een volgende lading koffie in het apparaat. Als we deze nacht willen doorkomen, zullen we het nodig hebben. Ook Cas neemt dankbaar een kop van me aan. ‘Geen overbodige luxe,’ zegt hij lachend.

Sanne lacht met hem mee en neemt manhaftig een slok koffie, ook al drinkt ze normaal alleen thee. De spanning in deze ruimte is om te snijden. Ik knijp ertussenuit naar de wc, daar kan ik mezelf nog horen denken.

Opgesloten in het kleine hokje hoor ik Jochem en Vincent, de enige mannen in ons bedrijf, op de gang met elkaar praten. Ik houd mezelf muisstil om hun woorden op te vangen. Het is moeilijk om niet te grinniken; ze hebben het over Cas en het lijkt erop dat mannen net zulke jaloerse krengen zijn als mijn eigen soortgenoten. ‘Wat een mooiboy,’ zegt Vincent, en ik hoor Jochem instemmend hummen. Die voegt eraan toe: ‘En dan ook nog zo goed voor de wereld, ooh, onweerstaanbaar!’

Ze lachen stoer om elkaar ervan te overtuigen dat ze veel mannelijker zijn dan Cas, al hebben zij helaas nooit op zo’n manier aandacht gekregen van hun collega’s. Hun gesprek verstomt op het moment dat de deur van ons pand weer opengaat en Karels stem door de hal schalt. Hij heeft zo te horen de cameraploeg van de stoep geplukt en mee naar binnen getroond, want het is overduidelijk dat hij het niet tegen een van zijn medewerkers heeft. Ik veeg snel af en spoel de wc door. Voordat ik naar buiten stuif, denk ik er net op tijd aan mijn rokje omhoog te trekken.

‘Cas jongen, je bent er, geweldig!’ roept Karel. Zo joviaal heb ik hem niet eerder meegemaakt. De camera draait zeker al. Buiten het bereik van de lens stel ik me op in een hoekje van de keuken. Ik weet me geen houding te geven en heb niets omhanden. Annemiek heeft zich al ontfermd over de volgende lading koffie, die rol is vergeven.

Op aanwijzing van Karel drommen we allemaal de vergaderruimte binnen, waar alle materialen voor de grote nacht klaarstaan. Hier is echt uitgepakt. Er staan drie flipovers, enkele computers zijn uit hun kantoren bevrijd en hierheen verplaatst, in de hoek liggen fatboys die weet ik veel waarvandaan zijn getoverd, op de lange tafel staat een hapjesbuffet waarop we een week kunnen overleven en overal ligt inspiratieliteratuur, alsof we vannacht ruimte zullen hebben voor zoiets tijdrovends als lezen.

‘Ik ben nu al trots op jullie, simpelweg omdat jullie hier vannacht zijn,’ begint Karel zodra de cameraman een mooi shot van hem heeft gevonden. ‘Het is niet niks om een nacht op te offeren voor een goed doel. Maar het zou te ver gaan om jullie bij voorbaat al te bedanken, want we zijn hier wel om te werken. Vannacht gaan we een marketingplan opzetten voor de stichting One Small World, die heel toepasselijk door one small man wordt geleid: Cas Poelstra. Cas, misschien wil je mijn mensen zelf vertellen wat One Small World doet. Je kunt natuurlijk deze hele nacht je invloed laten gelden in het creatieve proces, maar dan hebben we alvast een startpunt.’ Karel geeft Cas een klopje op zijn schouder alsof ze de beste maten zijn en hij lacht naar de camera, die – jammer voor hem – al op de volgende spreker gericht is.

Zodra Cas zijn mond opendoet, hangen alle vrouwen aan zijn lippen. Georgette, Linda, Annemiek, Fiona, Sanne, en oké, misschien ikzelf ook, een beetje dan. Ik kan er niets aan doen. Ik hoor niet eens wat hij vertelt omdat ik zo overdonderd ben door de rest van het plaatje. Hè Nannet, tot de orde nou. Als je vannacht indruk wilt maken op Karel, moet je jezelf in toom houden. Het is Cas of Karel en in dat geval lijkt Karel me toch net wat belangrijker, en kansrijker bovendien. Karel gaan tenslotte over mijn carrière, terwijl Cas… Nou ja, die biedt sowieso voorlopig geen baanperspectieven, alle andere perspectieven die hij bij me oproept ten spijt.

‘…dus om dit alles van de grond te krijgen, zou een doortimmerd marketingplan fantastisch zijn. Ik zal hier de hele nacht blijven om jullie vragen te beantwoorden en, zoals Karel zei, het creatieve proces te beïnvloeden. Al heb ik er alle vertrouwen in dat dit bij jullie in goede handen is.’

Ondanks mijn voornemen voel ik mijn hart een slagje sneller slaan nu ik weet dat hij de hele nacht blijft. Ik maak geen enkele kans als Fiona en Sanne zich op hem storten, wat ze zo te zien ook doen. Georgette kan ik wel hebben, die is vijftien jaar ouder dan ik, maar ze is ook de marketingvamp van Maastricht. Deze dame heeft haar sporen verdiend in de reclamebusiness. Ik was tot vanavond blij en trots dat ik met haar mocht samenwerken en van haar kon leren. Nu voel ik vooral irritatie omdat ze meer aandacht heeft besteed aan haar outfit dan ik. Iets wat ze overigens elke dag doet en waar ik me dan totaal niet druk om maak. What a difference a man makes, het is bijna zielig.

Ik ga nog maar weer eens naar de wc en neem daarna een glas wijn. Het doet mijn werk heus geen kwaad om af en toe een wijntje te drinken, zolang ik het blijf afwisselen met koffie en water. Voor creativiteit is alcohol trouwens een uitstekende motor. Of ben ik dan de motor en is de alcohol de benzine? Hoe het ook zit, ik drink er eentje.

Rondom een van de flipovers is de eerste brainstorm aan de gang. Cas staat er lachend bij terwijl om hem heen de wildste ideeën worden geopperd. Sanne stelt voor om de eerste topdonateur van One Small World een reis naar Disneyland te geven (‘Dat is toch leuk, it’s a small world after all!’) en Linda haakt hierop aan door voor te stellen het aanstekelijke Disney-muziekje achter de website te plakken. Een idee dat meteen wordt neergesabeld door Georgette, die een hekel heeft aan muziekjes op internet en hoopvol naar Cas kijkt om te zien of hij het met haar eens is. Ze zullen over een paar uur vast enkele goede ideeën hebben.

Terwijl het kippenhok zich om de haan blijft overschreeuwen, loop ik naar Vincent en Jochem toe, die hun eigen flipover erbij hebben gepakt en schetsen aan het maken zijn. ‘Kan ik jullie helpen?’ vraag ik.

Vincent trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Hoef jij dan niet bij die Cas te staan?’

‘Ik geloof dat hij wel genoeg vrouwen om zich heen heeft.’

De twee mannen kijken kort die kant uit en halen hun schouders op. ‘Oké dan,’ zegt Jochem. ‘We zijn bezig met een logo. Nu zitten we in een denkkuiltje waar we niet van wegkomen. Wij denken elke keer aan een wereldbol, en het liefst een kleine, maar ik weet niet of het sterk is en ik vrees van niet. Misschien kun jij ons een andere kant op helpen.’

‘Ja, het moet origineler.’ Vincent zet zijn bierflesje aan zijn mond en haalt het er weer af zonder een slok te nemen. ‘Al kan het mij natuurlijk weinig schelen wat hieruit voortkomt, hè. Het is één grote reclamecampagne voor Juice, dat heeft Karel weer leuk voor elkaar.’

‘En nog niet eens origineel ook,’ praat ik mee.

‘O?’

‘Nee, acht uur overwerken is een bestaand concept. Wordt al jaren gedaan in de rest van het land. Heb je mijn persbericht niet gelezen?’

Hij grijnst. ‘Sorry, geen tijd voor gehad. Wel weer echt wat voor Karel. Die…’

Ik zie het camerateam op ons af komen en geef Vincent een seintje dat hij zijn kritiek voor zich moet houden. Dan begin ik lukraak dingen te roepen die ik associeer met One Small World. Internet, vliegtuigen, zes miljard mensen, microkredieten, kleingeld…

‘Ja!’ roept Jochem. ‘Een euro kan al een verschil maken. Vincent, kun je een euromunt ontwerpen waarop niet Europa staat afgebeeld, maar Afrika? Dan staat net als op de gewone euro groot het cijfer één, voor ‘one’, en kun je op de plaats waar normaal ‘euro’ staat het ‘small world’ erin proppen.’

Vincent begint onmiddellijk te schetsen en tot mijn verbazing verschijnt er binnen luttele minuten een goed gelijkende euromunt op de flipover, met zelfs een omtrek van het Afrikaanse continent die zeer geloofwaardig is. Zelf was ik al blijven hangen bij de cirkel (weet je hoe moeilijk!). Ik kijk met een trots half oog naar de camera en zie dat dit moment er mooi op staat. Creativiteit in een notendop. Ik vind het niet eens vervelend dat ik hiermee eventueel op televisie kom, ook al zie ik er wat verlopen uit, zag ik net in de spiegel. Het gaat hier tenslotte om bloed, zweet en tranen, een nacht doortrekken voor het goede doel, een krachtmeting der creatieven waarin de ideeën zullen zegevieren.

Maar dan kijk ik weer naar Fiona en Sanne, en naar de ultieme cougar Georgette die haar pijlen ook nog steeds op Cas heeft gericht, naar Annemiek en Linda die nu definitief vergeten zijn dat ze een lieve man hebben en in het geval van Linda ook nog twee bloedjes van kinderen, en ik weet dat het niet waar is. Wat bedoeld was als een creatieve nacht, verandert in een soort onenightstand van Cas met zijn harem. Het is walgelijk om te zien.

De journalist en cameraman hebben hun vizier ook naar dat groepje verplaatst. Ze proberen een interview af te nemen met Fiona, die met halve woorden antwoord geeft op de vragen. Dit schiet niet op, zie ik de journalist denken, en hij komt op mij af met de cameraman in zijn kielzog. ‘Waarom doe je mee aan dit project?’ vraagt hij.

‘In elk geval niet zoals de rest om hem daar te versieren,’ fluistert Jochem achter mijn rug.

Ik onderdruk een lachje terwijl ik een antwoord formuleer dat de ware toedracht – ‘het moest van mijn baas’ – netjes verbloemt. ‘Goede doelen kunnen een steuntje in de rug hard gebruiken,’ zeg ik. ‘Het is een moeilijke tijd om jezelf te onderscheiden, met de grote hoeveelheid goede en minder goede doelen waaraan mensen hun geld kunnen geven. Wij helpen One Small World om van een goed idee een volwaardig goed doel te maken, dat een verschil betekent in de levens van heel veel mensen die het niet zo getroffen hebben als wij.’

Tjonge, dat klonk nogal ingestudeerd. Volgens mij heb ik zojuist ongeveer gezegd wat ik vorige week uit mijn duim heb gezogen toen ik dat persbericht schreef. Nou ja, het kwam er tenminste vlekkeloos uit.

‘Er zijn zoveel goede doelen die dit zetje kunnen gebruiken,’ zegt de journalist. Hij heeft kennelijk zin om de wijsneus uit te hangen. ‘Waarom hebben jullie voor dit doel gekozen en niet voor een van de honderdduizend andere?’

‘Diezelfde vraag had je ook gesteld als het een van de honderdduizend andere was. Als je iets wilt betekenen, moet je keuzes maken. Je kunt niet de hele wereld helpen. Ik sta achter wat One Small World doet en dat geldt ook voor mijn collega’s. Meer reden heb je toch niet nodig?’

‘Misschien niet,’ geeft de journalist toe. ‘Dank je wel, eh…’

‘Nannet.’

‘Ja, dank je. Nou, wij kunnen wel weer even inpakken. Rond vier uur, halfvijf, zullen we hier terug zijn en dan ben ik benieuwd wat ervan is gekomen.’

‘Anders ik wel,’ zeg ik.

De journalist knikt naar me met een blik die vertelt dat hij er weinig vertrouwen in heeft, de cameraman stopt zijn spullen in een tas die hij in de hoek van onze vergaderzaal laat liggen. Zij gaan een paar uur slapen en komen dan terug voor de ontknoping. Alsof het vanzelf is gegaan, zo zal het voor hen lijken. Wij daarentegen moeten het in de tussenliggende uren waarmaken.

Vincent heeft tijdens mijn five minutes of regional fame zijn schets overgebracht naar de computer. Het logo ziet er verbluffend uit voor iets wat zo snel in elkaar is geflanst. O nee, dat is geen flansen, dat is vakwerk. Geen wonder dat Vincent voor commerciële klanten tweehonderd euro per uur kost. Als je dan een superlogo hebt in een uur, ben je alsnog spotgoedkoop uit. Al heb ik het vermoeden dat hij normaal iets langer doet over een logootje. Karel moet ook ergens van eten.

Ik zie dat mijn taak hier afgerond is. Ik geef Vincent een compliment voor zijn werk, waarop hij met een gemompeld dank je wel reageert, en dan ga ik ervandoor. Ik moet zorgen dat ik onder de aandacht blijf van Karel. Die heeft zich niet toevallig verschanst bij het buffet, waar ik aansluit om een papieren bordje vol te laden met hapjes.

‘Wat een goed idee, dit,’ zeg ik tegen hem.

‘Vind ik ook. Hapjes zijn altijd lekker.’

‘Zeker,’ beaam ik het misverstand. ‘En deze overwerknacht is ook een mooi initiatief.’

‘Het komt alleen nog niet erg van de grond.’ Karel neemt met zijn bordje plaats op een stoel en overziet de bedrijvigheid. ‘Ik denk dat er iets van structuur aangebracht moet worden. Mm, deze is echt lekker. Moet je ook proberen.’

Hopla, dat is over de schutting. Bij Karel moet je ervan uitgaan dat hij niets zomaar zegt. Zelfs als hij er snel met een ander onderwerp overheen praat, is het lijntje uitgezet. De taak om structuur te creëren is van mij. Ik stop een overdadig gekruid tofuballetje in mijn mond (wij zijn een vegetarisch bedrijf, vandaar) en kauw dat weg terwijl ik een structuurplan probeer te smeden.

Ten eerste zal ik Cas moeten opsluiten in de bezemkast. Zijn aanwezigheid maakt dat meer dan de helft van de aanwezigen niet kan nadenken en we hebben alle denkkracht nodig die er is. Ten tweede moet ik zorgen dat niemand weet dat Cas in de bezemkast zit, anders verplaats ik het probleem alleen maar. Als me dat gelukt is, kan ik me beraden over de vervolgstappen.

Ik vraag me ernstig af hoe ik Cas naar de bezemkast krijg. Zolang hij vijf aantrekkelijke vrouwen om zich heen heeft, zal hij weinig genegen zijn om er met één minder aantrekkelijke vrouw vandoor te gaan, laat staan dat hij zich door haar laat verleiden tot een vluggertje in de bezemkast of met wat voor smoes ik ook aankom. Misschien moet ik een geheel ander plan bedenken.

Of ik doe het gewoon zonder plan. Voor ik het weet, sta ik bij de drukbezette flipover en scan ik de ideeën die er tot nu toe geopperd zijn. Veel verder dan Disneyland zijn mijn collega’s niet gekomen. Tijd voor actie. Ik pak een markeerstift. ‘Laten we vijf minuten lang alles roepen wat in ons opkomt. Ik noteer.’

‘Dat hebben we al twee uur lang gedaan,’ zegt Linda snibbig.

Ik sla de volgekalkte pagina om. ‘Goh. Daar is nou niks van te zien. Vijf minuten, roept u maar.’

Annemiek tikt met haar wijsvinger op haar voorhoofd. ‘Zo laat ik me door jou niet behandelen. Ik ga een drankje halen. Kom je mee, Linda?’ Met een verontwaardigde blik zoekt ze versterking voor haar kamp. Die krijgt ze zonder meer van Linda, die toch al met één been in Annemieks kamp staat omdat ze een kantoor met elkaar delen. Die twee laten zich sowieso niets vertellen door iemand die hier korter werkt dan zij – en dat is iedereen behalve Karel en Georgette. Of zouden ze weggaan omdat ze eindelijk doorhebben dat ze bezet zijn en dus geen partij voor Cas? Laat ik er maar niet te hard op hopen.

De drie vrouwen die wel een kans denken te maken, blijven dicht bij het vuur. Ik vertel Fiona, Sanne en Georgette over het logo dat we hebben ontworpen. Onmiddellijk vliegen de ideeën me om de oren. Zie je, alles wat ze nodig hadden was een trigger. Het kost me moeite om alles op te schrijven terwijl ik ook nog eigen ingevingen krijg, waardoor na vijf minuten de flipover bomvol staat met échte ideeën. Zelfs Cas roept mee, iets wat hij het afgelopen uur volgens mij niet heeft gedaan. (‘Geld, eh… collectebus!’, niet erg verheffend maar toch leuk en staat genoteerd, dank u.)

Gestructureerd als ik ben, geef ik na vijf minuten brainfarts iedereen een markeerstift. Niet alleen de mensen die rond de flipover staan, ook de rest betrek ik erbij, inclusief Karel. Laat hem maar eens merken hoe planmatig ik dit aanpak. Allemaal krijgen we drie punten, die we mogen toekennen aan de ideeën waar we het meest in zien. ‘Vervolgens verdelen we onszelf in drie groepen die de drie beste plannen gaan uitwerken.’

‘Er moet ook nog een huisstijl gemaakt worden voor vijf uur,’ stribbelt Vincent tegen.

‘En een website,’ vult Jochem aan.

‘Daarbij kunnen jullie vast hulp gebruiken. Als we nou afspreken dat we eerst het marketingplan op poten zetten, laten we zeggen tot twee uur, dan maken we daarna met z’n alleen een huisstijl aan de hand van het bestaande logo en beginnen we met de website. Kunnen jullie je daarin vinden?’

Ze knikken allebei. Zo zeg, wat ben ik op dreef. Hé, waar is Karel nou gebleven? Is die gluiperd weer achter zijn schutting gekropen? Terwijl de anderen hun streepjes neerzetten, moet hij ertussenuit geglipt zijn. Ik tel vlug de streepjes na. Die van hem staan er wel bij, tenzij iemand gesmokkeld heeft. Wel verdraaid! Die narcist heeft van zijn streepjes nota bene kleine K’s gemaakt. Het mag niemand ontgaan naar welke ideeën zijn voorkeur uitgaat. En natuurlijk hebben die K’s veel bijval gekregen van andere streepjes.

‘Eén, twee, drie, één, twee, drie…’

Ik voel een tikje op mijn schouder en draai me om.

‘Jij zit bij groep twee,’ zegt Sanne. Ze verheft haar stem. ‘Oké, groep één is dus Jochem, Georgette en Linda, groep twee Nannet, Fiona en Annemiek, groep drie Vincent, Cas en ik. Let’s go, jongens! De tijd dringt!’

‘Ho, wacht even.’ Dat is Georgette. Lieve, assertieve Georgette. Ook zij is het niet eens met de groepssamenstelling. Sanne, Vincent en Cas? Ja hoor. Vincent gaat zich over een uurtje weer op zijn ontwerpwerk storten (en hij heeft groot gelijk, al zal ik dat niet hardop herhalen) en dan kan Sanne lekker plannetjes uitwerken met Cas. Ik dacht het niet, maar ik durfde het niet te zeggen. Georgette wel.

Ze hoeft haar betoog echter niet eens af te maken, want Cas neemt het van haar over. ‘Ik denk dat het beter is als ik over de groepen rouleer. No offence, Sanne, maar ik ben geen marketeer. Ik vind het veel leuker om overal mee te kijken.’

Prachtig opgelost, zo kunnen ze allemaal naar hem blijven hunkeren.

Ik op mijn beurt zou het veel leuker vinden als ik wist waar Karel uithing, want het lijkt erop dat hij zich heeft teruggetrokken om… weet ik veel, de krant te lezen of zo. Alsof het hem niet interesseert wat hier gebeurt. Nu weet ik wel dat het hem inderdaad weinig interesseert sinds de cameraploeg al een paar uur weg is en wij het allemaal voor elkaar maken, maar hij zou op z’n minst interesse kunnen veinzen. Al is het maar omdat Cas er getuige van is.

Maar Cas lijkt zich er niks van aan te trekken dat de grote baas is gevlogen. De verschillende groepen storten zich op het uitwerken van hun onderdeel en hij voegt zich om te beginnen toch maar bij Sanne en Vincent. Met Fiona en Annemiek mag ik gaan nadenken over welke bekende Nederlanders zich kunnen inzetten voor One Small World.

Ik merk meteen aan mijn groepsgenoten dat bekende Nederlanders ronselen wel het laatste is waarover ze willen nadenken. Zelf heb ik het eigenlijk ook wel even gehad. Wat nu echt perfect zou zijn, is een dutje. Gewoon een uur slapen en dan fris weer verder. Misschien dacht Karel er net zo over en ligt hij op een stretcher in zijn kantoor. Het zou mij niets verbazen, die vent is tot alles in staat.

Annemiek heeft voor ons alle drie een glas ingeschonken en ik leun achterover met de wijn in mijn hand. Het is nu echt donker buiten en de heldere sterrenhemel is prachtig boven het glazen dak van deze vergaderruimte, die als een soort serre aan het pand is gebouwd. Ik heb het altijd onpraktisch gevonden, een glazen dak waar je geen gordijnen voor kunt schuiven, maar het is toch ook wel heel romantisch, vind ik bij nader inzien. Vooral als je een beetje rozig bent van de wijn en van de lange dag. Ik sluit mijn ogen terwijl ik langzaam een slok wijn doorslik en kijk daarna weer op. Ineens is de hele wereld een beetje liever. En Cas nog veel aantrekkelijker. Het is niet mijn gewoonte om op mannen te vallen die door iedereen worden begeerd en voor wie mijn begeerte daarom slechts een extra last is, maar ik heb mezelf vannacht niet in de hand. Ik moet naar hem kijken, wil hem ruiken, horen, voelen, proeven. Ik wil hem in alles.

Oké, back to business. ‘Bekende Nederlanders,’ zeg ik. ‘Geen goed doel kan zonder.’

‘Ambassadeurs,’ zegt Fiona. Ze maakt met haar wijsvingers aanhalingstekens in de lucht en trekt een grimas. ‘Ze worden gewoon betaald om reclame te maken.’

Ik schud mijn hoofd. ‘Het moet mogelijk zijn om BN’ers te vinden die zich belangeloos inzetten.’

‘Belangeloos bestaat niet,’ filosofeert Annemiek. ‘Ze doen het alleen maar voor hun goede naam.’

‘Ook prima,’ zeg ik. Ik heb geen trek in een discussie, ik wil gewoon een plan. Zometeen komt Cas naar ons groepje toe en als hij dan ziet dat we niks hebben gedaan, is hij zo weer weg. ‘Voor hun imago, omdat ze er een goed gevoel van krijgen, desnoods voor een gebakken ei… Wat kan mij het schelen. Als ze het maar doen. Oké, dat is dan helder, hebben jullie al namen?’

Ik noteer Gerd Leers want dat is leuk zo’n oud-burgemeester die nu minister is al weten we geen van drieën van welk ministerie. Onno Hoes want dat is ook leuk, de huidige burgemeester en daarbij heeft hij een nauwe band met Albert Verlinde dus misschien komt One Small World dankzij hem op RTL Boulevard en dat is helemaal leuk. Sebastiaan Labrie want die doet overal aan mee dus dat is meteen in de pocket. Renske de Greef want die is niet superbekend maar ze heeft wel een boek geschreven over Afrika dus ze heeft vast hart voor de zaak én ze heeft een column in nrc.next zodat ze over One Small World kan schrijven. Filemon Wesselink want die is schattig. Sara Kroos want dat is een cabaretier en het is goed als je ergens grapjes over kunt maken. En we hebben ook wat bekende vrouwen nodig, Hadewych Minis dan maar want met haar heeft Fiona nog op school gezeten zegt ze achteloos. Pieter van den Hoogenband want die komt hier volgens Annemiek vandaan en sporters doen het altijd goed, en dan zijn we alweer een halfuur verder maar gelukkig ook een heleboel bruikbare namen.

Cas is ervan onder de indruk. Hij meldt zich bij ons met een grote lach op zijn gezicht omdat Sanne een topidee schijnt te hebben voor fondsenwerving via Facebook, een medium waar een modern goed doel niet omheen kan. Net zo goed kan een goed doel niet zonder bekende ambassadeurs. Cas is vooral enthousiast over Onno Hoes, met wie zijn vader een lijntje schijnt te hebben. ‘Als we hem aan boord krijgen, hebben we heel Maastricht aan boord.’

Niemand durft hem tegen te spreken. Wij geven er alle drie de voorkeur aan de realiteit buiten de deur te houden, tenminste voor zo lang deze nacht duurt.


Hmm, zo slecht is het anders niet buiten die deur. Cas wilde een frisse neus, iedereen wilde mee. Ik loop zonder jas door de zomernacht en het is aangenaam warm. Er staat wel een windje, dat heel zacht langs mijn blote benen strijkt. Jochem praat wat tegen me aan over de website die we na deze adempauze gaan maken en ik probeer met hem mee te praten.

Acht uur overwerken is echt heel lang. Misschien is het te doen als je de dag ervoor vrij bent, maar dan is er officieel ook geen sprake van overwerk. Ik ben Karel wel heel dankbaar dat ik, in ruil voor deze nacht doorwerken, straks de hele dag in bed mag liggen. Of ik leg mijn dekbed op de bank en ga de hele dag films kijken. Er staan een paar romantische films in mijn dvd-kast waarvoor ik helemaal in de stemming ben.

Ik ben in de stemming voor romantische films, voor wegdommelen, voor in iemands armen liggen en af en toe een kusje krijgen of geven, voor in het gras liggen en kijken naar de sterren, voor door de verlaten straten lopen zonder mijn collega’s, voor een kampvuur en voor gevoelige gitaarliedjes, voor alleen zijn met een lieve mooie man die al dan niet Cas is.

Ik ben niet in de stemming voor door verder verlaten straten lopen met een groep collega’s, voor zometeen weer in dat bedompte vergaderhok zijn, voor werken, voor nadenken. En toch is dat wat ik zal moeten doen, nog ruim drie uur. Maar waarom eigenlijk? Om me te bewijzen tegenover Karel? Die heb ik sinds vóór middernacht niet meer gezien en niemand weet waar hij uithangt. Hij zal wel weer tevoorschijn komen als de cameraploeg aanbelt voor de afsluitende momenten. Dan zal het resultaat van ons allemaal zijn, zodat ik er op geen enkele manier uitspring bij Karel. Dus wat zou ik me vermoeien. Ik kan net zo goed zometeen naar boven gaan, in mijn bureaustoel gaan zitten, muziekclips draaien via YouTube en afwachten tot het laatste uur aanbreekt.

Maar goed, dat zou heel oncollegiaal van me zijn. En dit is al zo’n oncollegiale nacht. Het lijkt nu net alsof we een vreselijk bedrijf zijn, zo’n bedrijf waar de onderlinge kift hoogtij viert, maar dat zijn we niet. Karels desinteresse in onze kant van de schutting zorgt gek genoeg juist voor saamhorigheid. Omdat wij het samen voor elkaar moeten maken en omdat iedereen schuld heeft als het niet lukt. Karel zal nooit iemand ergens persoonlijk op aankijken, wij zijn een team. Ja, het is echt waar, elk nadeel heeft z’n voordeel.

Zo ook Cas. Zijn voordeel is dat hij de competitiedrang in ons team aanwakkert, zijn nadeel is dat er van onze teamspirit weinig overblijft met hem in de buurt.

‘Tweeënhalf uur om een website in elkaar te zetten,’ zegt Jochem als we weer binnen zijn. ‘Het is eigenlijk bizar.’

‘Je hebt gelijk. Als je ik je ergens bij kan helpen, wat dan ook, moet je het zeggen. Ik heb vroeger ook weleens een site gemaakt.’

‘Echt waar?’

‘Jazeker. Bij Expage, met HTML. Was supergaaf. Ik was er al vroeg bij hoor, zo rond de millenniumwisseling maakte ik mijn eerste website.’

‘Omdat de hele klas er een had.’

‘Oké, dat is zo, maar ik had de tofste. Bij mij bewoog er Comic Sans over het scherm.’

Jochem lacht. ‘Jij kende de marquee-code.’

‘Ik heb me nachtenlang verdiept in HTML. Mijn huiswerk leed er zelfs onder, zo ging ik erin op. Dus echt, als je hulp nodig hebt…’

‘Dan zal ik aan je denken,’ verzekert hij me. ‘Al schrijven de meeste webdesigners tegenwoordig niet meer direct in HTML.’

Wist ik heus wel. Ze gebruiken flitsende programma’s waarmee ze op hun breedbeeldschermen van honderd inch zulke belachelijke sites ontwerpen dat ik ze met mijn slechts drie jaar oude laptop niet eens fatsoenlijk kan bekijken.


Nee, dan het jaar 2000. Dat was nog eens internet. Urenlang coderen om een simpel kleurtje te veranderen, en trots dat ik was op het resultaat! Ik heb de boot van het nieuwe internet gemist, vrees ik, als ik naar die tijd terugverlang.

Toch hoop ik dat Jochem mij vraagt om hem te helpen. Ik weet best wat van internet. Op het werk doe ik bijna niets anders dan internetten en ook ik zit op Facebook, uiteindelijk niets meer dan het nieuwe Cu2. Ja hoor, mijn expertise is groot genoeg. Maar ik wil vooral meewerken omdat ik bezig wil zijn als Karel ineens weer binnenkomt, zodat het niet lijkt alsof ik zijn verzoek naast me heb neergelegd.

Man, wat ben ik moe. De frisse lucht maakte me wakker, maar de bedompte lucht hier maakt me op slag weer net zo loom als voordat we naar buiten gingen. Ik ga op deze stoel zitten. Even maar. O, wat zit dat goed. Ik sluit mijn ogen. Heel even maar. O, wat voelt dat goed. Ik zou zo in slaap kunnen vallen, als het niet absoluut vereist was dat ik hier met mijn aandacht bij bleef. Heel, heel even maar.

Er wordt aan mijn schouder geschud. Hé, houd daar eens mee op. Maar de schudder houdt niet op. Ik open mijn ogen en kijk recht in die van Cas, die glimmen van plezier. ‘Vind je het zo saai?’ vraagt hij.

‘Helemaal niet. Was ik aan het slapen? Sorry. Ik eh…’

‘Zeg maar niks. Het is ook een lange nacht, ik begrijp het best. De cameraploeg komt zo, daarom maak ik je wakker.’

Ik haal een hand door mijn haar en wrijf de slaap uit mijn ogen. Shit, ik ben ver weggeweest. ‘Dank je,’ zeg ik. Het was geen fraai shot geworden als ze binnenkwamen en ik zat op een stoel te snurken.

Cas’ waarschuwing komt geen minuut te vroeg, want de deurbel gaat en met de cameraploeg komt als een klein wonder ook Karel weer binnen. Waar hij is geweest, is nog steeds onduidelijk. Niemand vraagt ernaar terwijl de cameraman plaatjes schiet van de afgeleefde bende die hier na een nacht is ontstaan. Ik heb er volgens mij nog nooit zo verlept uitgezien en het doet me goed om te zien dat van mijn collega’s hetzelfde gezegd kan worden. Alleen Karel ziet er verrassend fris uit. Ik zou bijna zeggen dat hij net een douche heeft genomen, maar dat kan toch niet waar zijn.

Voordat ik er verder over kan nadenken, staat de journalist alweer bij me. Hij was zo te merken blij met mijn heldere antwoord. ‘Ik hoorde dat jij geholpen hebt met de HTML-codes,’ zegt hij op een lacherig toontje.

‘Klopt. Onze methodes zijn ouderwets, maar het resultaat is helemaal van nu, vind je niet?’

De journalist reageert niet op mijn vraag, hij wenkt zijn cameraman dat ze verdergaan. Mooi, die heb ik afgepoeierd. Kom ik tenminste ook niet met mijn uitgekakte hoofd op televisie. De opnames die ze aan het begin van de nacht hebben gemaakt mogen ze best gebruiken, maar dit materiaal lijkt me zeer ongeschikt.

Linda lijkt te denken dat zij er nog best mee door kan (waar ze voor haar doen gelijk in heeft; ze is als moeder van twee peuters gewend aan weinig slaap) en geeft de journalist antwoord op een paar vragen. Tot slot richt de camera zich op Cas, om wie het allemaal ging. Ik zet zo onopvallend mogelijk een paar stappen in zijn richting zodat ik kan horen wat hij vertelt.

‘Er is keihard voor me gewerkt vannacht,’ zegt hij met een lachje. ‘En het resultaat mag er zijn. Ik ben stukken verder gekomen met de plannen voor One Small World. We zijn nog niet klaar, maar er is me beloofd dat als ik in de toekomst hulp nodig heb, ik weer kan aankloppen.’

Welke slinkse trut heeft hem dat beloofd?

‘Dat klinkt behoorlijk vrijgevig,’ zegt de journalist. Ik ben het helemaal met hem eens.

‘Is het ook,’ antwoordt Cas. ‘Ik ben alle mensen hier heel dankbaar voor hun hulp, ook in de toekomst.’

De journalist knikt. Het staat erop, hij kan inpakken. En wij ook. Maar niet voordat Karel zijn grote waardering heeft geuit voor wat we bereikt hebben in deze nacht, want hij is zeer te spreken over de resultaten die we hebben neergezet. ‘Jullie hebben blijk gegeven van creativiteit en daadkracht, zoals ik van jullie gewend ben,’ formuleert hij. ‘Mijn complimenten daarvoor. En ik wens jullie allemaal een fijn weekend, want daar is het nu hoog tijd voor. Tot maandag!’

Karel draait zich om en loopt weg. Dit mag ik niet laten gebeuren. Ik spoed me achter hem aan, maar hij is al in zijn kamer verdwenen als ik op de gang kom. Zal ik op zijn deur kloppen? Wat moet ik dan zeggen? ‘Karel, gaat het wel goed met je?’ Nee, dat is niks. Mijn hersenen zijn te moe om een reden te bedenken, dus laat staan dat ik een indrukwekkend gesprek met mijn baas kan voeren in deze toestand.

Teleurgesteld druip ik weer af. Ik ga naar huis, dat is het beste idee. En binnenkort misschien een nieuwe baan zoeken.

Terug in de vergaderzaal zie ik dat al mijn collega’s ’m gesmeerd zijn. Ik zet wat etenswaren in de koelkast die anders gedurende het weekend gaan rotten en daarna trek ik zelf ook de deur achter me dicht.

Bij het fietsenhok kom ik Cas tegen. Hij staat te hannesen met een cijferslot, ongelooflijk dat er nog mensen zijn die zulke sloten gebruiken. Ik passeer hem om mijn eigen fiets te pakken. ‘Lukt het?’ vraag ik als hij daarna nog steeds niet klaar is.

‘Ja, heel even, paar cijfertjes, kijk! Open.’

‘Oké. Ik wilde al een tang voor je halen.’

‘Waar moet je naartoe?’ vraagt hij.

‘Hier vlakbij. Statenkwartier.’

‘Dat is mooi, dan kan ik een stukje met je mee fietsen.’

Hij zal wel wat willen napraten. Prima, ik vind het echt prima als hij me naar huis brengt. We fietsen samen langs de Maas en door het Stadspark en de straten en Cas vertelt wat over One Small World, want waarover zou hij het anders moeten hebben. Dan houdt hij ineens stil. ‘Kijk eens hoe mooi. De zon komt al op.’

‘Ik zie het. En het is nog maar halfzes!’

Cas gooit zijn fiets neer en gaat in een grasstrook zitten. Het zou onbeleefd zijn om hem hier alleen te laten, dus ik doe hetzelfde. Het gras is een beetje vochtig aan mijn kont maar dat geeft niet want ik ben zo thuis en dan kan ik mijn pyjama aantrekken.

‘Hoelang werk je al voor Karel?’

‘Twee jaar. Waar ken jij hem van?’ vraag ik. Als je iemand bij de voornaam noemt, ben je aardig close, lijkt me. Ik vond al dat Karel zo joviaal tegen hem deed. Dat had ongetwijfeld ook te maken met de camera’s, maar misschien niet alleen daarmee.

‘Karel is mijn vader.’

‘Hè?’

‘Ja, dat zal een verrassing voor je zijn. We lijken niet erg op elkaar.’

‘Nog los daarvan,’ zeg ik verbijsterd. ‘Je hebt een andere achternaam, toch? Of is Poelstra soms een schuilnaam?’

‘Nee, ik heet echt Poelstra. Dat is de naam van mijn moeder. Karel is bij haar weggegaan toen ze zwanger was van mij en daarom heeft ze me haar eigen naam gegeven. Ik kreeg pas contact met mijn vader toen ik elf jaar was. Sindsdien zien we elkaar zo nu en dan.’

‘Zo nu en dan,’ herhaal ik. Het verbaast me weinig, en toch zeg ik: ‘Goh.’

‘Karel is niet de gezelligste vader die je je kunt voorstellen. Ik vertelde hem laatst over One Small World. Ik was er helemaal vol van, maar hij luisterde er nauwelijks naar. Totdat ik dit project voorstelde om Juice weer eens in de publiciteit te krijgen. En daarmee ook mijn eigen stichting, natuurlijk.’

‘Dus het was jouw idee.’

‘Goed idee hè?’

Ik lach. ‘Geweldig. Jammer alleen dat er van het project zo weinig terecht is gekomen.’

‘Tja. Ik denk dat je collega’s meer bezig waren met eh…’ ‘Jou versieren,’ vul ik aan.

‘Ik kan er niks aan doen,’ zegt hij schouderophalend. ‘Zo’n uitwerking schijn ik te hebben. Op de meeste vrouwen tenminste, want bij jou had ik nou niet het idee dat je stond te springen.’

Hij moest eens weten! Ach, ik kan het hem net zo goed vertellen. ‘Ik had vannacht mijn pijlen gericht op Karel. Ik wilde mezelf bij hem in de kijker spelen, indruk op hem maken. Of dat ook gelukt is, nou ja, laten we het daar liever niet over hebben, maar dat is de reden waarom ik geen interesse in je toonde. Sorry.’

‘Geen excuses, ik vond het juist verfrissend.’

Uit iedere andere mond zou dit arrogant klinken, maar ik zie dat Cas het oprecht meent. Dat het voor hem zelfs vervelend kan zijn, al die vrouwelijke aandacht. Ik voel me haast trots dat ik me kon inhouden. ‘Oké,’ zeg ik.

‘Maar je hebt jezelf wel een lastig doel gesteld.’

‘Indruk willen maken op je vader, bedoel je? Vertel mij wat. Ik dacht net dat ik lekker op weg was, tot hij ineens een paar uur lang verdween. Het lijkt wel of het hem niets kan schelen wat er in zijn bedrijf gebeurt, zolang het maar gebeurt.’

‘Dat klopt wel ongeveer. Ik denk dat hij gewoon moe was en zich even terugtrok in zijn kantoor, hij is immers niet de jongste meer, maar dat zou een ander in zijn positie nooit doen. Het is precies zoals jij zegt: zolang hij geen reden heeft om zich ergens mee te bemoeien, zal hij het ook niet doen.’ Cas zucht. ‘Ik heb jaren gezocht naar manieren om aandacht van hem te krijgen, hem geïnteresseerd te krijgen in wie ik ben en wat ik doe. Ik heb ontdekt dat mijn vader een nogal uitgebreide gebruiksaanwijzing heeft. Maar je hebt geluk, want daar heb ik een pdf’je van.’

‘Handig.’

‘Als je me je mailadres geeft, zal ik het je toesturen. Je zult het hard nodig hebben als je indruk op hem wilt maken.’

‘Heel graag. En eh… als ik indruk op jou wil maken?’

‘Ik kreeg niet de indruk dat je daar op uit was,’ zegt hij.

‘Klopt. Maar dat wil niet zeggen dat ik het niet wil.’

Hij kijkt naar me opzij. Er breekt een voorzichtige lach door op zijn gezicht. ‘Als dat echt zo is, heb je het met mij een stuk makkelijker dan met Karel. Ik ben al van je onder de indruk sinds ongeveer middernacht. Hoe je in actie kwam bij die flipover, dat was magistraal.’

‘Nou…’ begin ik, maar Cas buigt zich naar me toe en voordat ik doorheb wat er gebeurt, voel ik zijn lippen op de mijne. Hij smaakt naar pepermunt met een vleugje thee en ik geloof dat dit nog lekkerder is dan hoe hij eruitziet. Misschien droom ik, misschien heeft het slaaptekort me gek gemaakt en lig ik gewoon alleen in het gras, mijn armen om een boomstam heen geslagen. Misschien heeft de wijn mijn smaakzin aangetast. Ik mag er niet van uitgaan dat dit mij werkelijk overkomt, dat zou een gevaarlijke aanname zijn.

Maar alles lijkt toch wel verdacht echt. Ik lig met Cas in het gras onder de opgaande zon. En hij is Karels zoon, wat betekent dat het carrièreperspectief dat ik dankzij hem krijg heel reëel is – naast alle andere prachtige perspectieven die hij nog steeds bij me oproept. ‘Ik was al van jou onder de indruk toen ik de deur voor je opendeed,’ beken ik.

‘Ik was al van jou onder de indruk voordat ik je ontmoette. Daar kun je niet meer overheen.’

‘Nee,’ zeg ik glimlachend. ‘Zeg, heb je zin om met me mee naar boven te gaan? Ik woon hier verderop. Ik heb een paar romantische films in mijn dvd-kast staan…’

Cas laat me mijn zin niet afmaken, want hij zoent me opnieuw, beter nog dan daarnet. Ik ben in de stemming voor romantische films, voor wegdommelen, voor in iemands armen liggen en wild met hem zoenen, voor alleen zijn met de lieve mooie man die Cas is. Ik ben in de stemming voor hem. En hij voor mij, ik weet het zeker. Na acht uur overwerken ben ik nog helder genoeg om dat te kunnen voelen.


Heb je genoten van dit verhaal? Wil je dan een recensie achterlaten op Hebban, Goodreads, Boekenwereld of Bol.com?

Genoten van 8 uur overwerken? Dan is dit misschien ook wel iets voor jou!

Campus Love (Radio Romance #2)

In Campus Love, het tweede deel van de Radio Romance-serie door Lis Lucassen, beleeft Isobel een wilde nacht met de charmante barkeeper Bennet. Een perfecte rebound na de breuk met jeugdliefde Kevin. Als ze na die nacht met Bennet ongezien wil wegsluipen, wordt ze gefotografeerd door een groep vogelaars. De foto’s belanden op social media en blijven haar achtervolgen. Vooral als die irritante Dr. Love van de campusradio zich erin gaat mengen en ontdekt dat Isobel en Bennet een ongekend hoge matchscore hebben van 99,99 procent. Bennet is echter alles wat Isobel niet wil. Geen campus love voor haar. Maar ze kan hem wel goed gebruiken om mee te gaan naar een familiebijeenkomst en te doen alsof hij haar nieuwe vriendje is. Lis Lucassen krijgt het met haar Radio Romance-serie voor elkaar dat je niet kunt stoppen met lezen!