Nieuwsbrief

Preview: ‘Hotel Piek’

Hotel Piek

Wanneer hun enige zoon aangeeft geen interesse in het overnemen van het familiebedrijf te hebben, staan Leendert en Neeltje Piek veel veranderingen te wachten. Wanneer ook zijn oogappel, oudste dochter Eva, haar dromen laat varen voor een ingekwartierde soldaat en zij zwanger wordt, belandt Leendert in een depressie. Als Neeltje een advertentie ziet waarin het deftige hotel-restaurant Van Dartel te koop wordt aangeboden, ziet ze dit als een mooie nieuwe kans. Lukt het hen om het hotel draaiende te houden? Zelfs wanneer de kinderen een voor een het nest verlaten en Leendert en Neeltje er alleen voor staan?

Hotel Piek van Marja Visscher is een authentieke historische roman over de familie Piek, die noodgedwongen hun familiebedrijf moet verruilen voor het leven als hotelbeheerders.


Hoofdstuk 1

Voor de deur van wagenmakerij Piek, in het buurtschap Zuidzijde, staat een flinke door paarden getrokken sleperswagen. Hij is afkomstig van de zaagmolen in Numansdorp. Het is de enige grote houtzagerij op het eiland Hoeksche Waard die in staat is de bomen, die wagenmaker Leendert bij een publieke houtverkoop heeft gekocht, te verzagen tot mooie rechte lange planken. Zijn vrouw Neeltje, die de administratie en de boekhouding voor haar rekening neemt, weet dat er met de aankoop van deze planken een nieuwe order binnen is voor een compleet nieuwe wagen. Achter de werkplaats is een grote open overdekte schuur waar de planken netjes worden opgestapeld met onder elke plank een blok hout, zodat de wind door het opgestapelde hout kan waaien en de boel kan drogen.
Neeltje heeft alvast koffiegezet. Ze kijkt vanuit haar huis, dat onder een dak samen met de werkplaats is gesitueerd aan de dijk, hoe de mannen de zware houten planken in de takels hangen. Deze gaan naar de droogschuur achter de werkplaats. Het heeft altijd iets feestelijks wanneer de droogschuur weer goed gevuld is. De laatste tijd bestonden de opdrachten steeds meer en meer uit reparaties van wielen en askasten. Leendert haalt er zijn neus niet voor op, maar mooier zijn toch wel de opdrachten tot de bouw van een complete wagen.
Leendert verstaat zijn vak en oogst daarmee in zijn omgeving grote bewondering. Hoewel hij als meesterwerk ooit een koets heeft gebouwd, bepaalt hij zich nu voornamelijk tot het bouwen van boerenkarren bestemd voor de boerenbedrijven in de omgeving. De grootste vraag die hij krijgt is naar meerwielige karren en wagens, maar Leendert draait zijn hand niet om voor een bestelling van kruiwagens, eggen, ploegen, botermolens en kafmolens. Toch blijven de speciale wagens die besteld worden, zoals een bakkerswagen of een hondenkar, de grootste uitdaging.
Neeltje slaat een omslagdoek om haar schouders en loopt via de werkplaats naar de droogschuur waar de mannen bezig zijn om het hout daar op te laden.
‘Ah, goedemorgen Van den Berg, dag Huib. Wanneer jullie hebben uitgeladen, heb ik binnen in de werkplaats koffie.’
‘Voortreffelijk, vrouw Piek, we zijn wel toe aan een bakkie, niet Huib?’
‘Nou en of baas, dan eet ik er direct mijn boterham bij op. We zijn namelijk al vroeg begonnen vanmorgen.’
Leendert verlegt in de droogschuur de talloze wielspaken die er liggen te drogen. Vooral het maken van de wielen vereist het meeste vakmanschap, weet Neeltje. Om ervoor te zorgen dat de spaken strak in de wielen zitten en niet gaan rammelen, is het belangrijk dat het hout zeer droog is. Daarom worden de spaken zelfs enkele jaren te drogen gelegd voor ze verder worden afgewerkt. Om die reden is Leendert bijna dagelijks, als er geen ander werk wacht, bezig om de spaken af te werken. Dat gebeurt nog met de hand, gewoon met een snijmes. Het aantal spaken in een wiel kan variëren, veelal zijn het er twaalf.
Het is fris buiten en Neeltje loopt weer snel naar binnen. Niet veel later zitten de mannen in de werkplaats rond de grote zwarte houtkachel aan de koffie met peperkoek, die Neeltje het hele jaar door bakt. Eigenlijk is het een lekkernij die tijdens de paardenmarkt wordt gegeten en verkocht, maar waarom zou je er maar een keer per jaar van smullen als je over een heerlijk recept beschikt? De mannen zitten rond de kachel, want eigenlijk is er verder weinig ruimte in de werkplaats. Het grote draaiwiel staat in de weg, dat vaak door een aantal mannen in beweging moet worden gebracht en dat via een drijfriem in verbinding staat met de draaibank. Het is de belangrijkste machine om de wielen te kunnen fabriceren. Er zijn dan ook perioden dat Leendert enkele knechten heeft, maar niet voor vast, want dat kan Bruin niet trekken. In de werkplaats liggen ook nog een groot aantal wielen, die de mannen na de koffie op de wagen moeten laden. Deze heeft Leendert vanmorgen nog afgewerkt en ze moeten straks naar de smid worden gebracht, die er een ijzeren band omheen legt.
‘Ik zal blij zijn als jullie straks de wielen meenemen naar de smid! Doe hem de groeten maar van mij,’ zegt Neeltje, ‘het zal me een opruiming geven hier. Dan kan ik eindelijk de werkplaats eens even goed aanvegen.’ Overal liggen de krullen hout, houtvezels en snippers, niets geeft zoveel stof als die rommel.
‘Neeltjes handen jeuken,’ merkt Leendert lachend op met een vertrouwelijk knipoog naar haar. Ze is geboren op Hoeve Bouw- en Veelust aan de Boomdijk in Klaaswaal en ze heeft het dan ook van niemand vreemd, want ook zijn schoonmoeder heeft haar zaakjes in huis altijd graag op orde.
Hij houdt veel van Neeltje. Ze brengt orde en regelmaat in zijn leven, ondanks het feit dat ze samen zes kinderen hebben. Ooit waren het er zeven, maar de kleine Leendert, vernoemd naar de vader van Neeltje, heeft maar een jaar geleefd. Ach, wat was hij trots op zijn zoontje… Snel schudt Leendert zijn hoofd. Hij wil er niet te lang bij stilstaan, het is een pijnlijk moment in hun leven.
Hij noemt Neeltje altijd de spil van het gezin. Zijn wielen mogen dan machtig mooi draaien, er is er maar een die de boel echt draaiende houdt, en dat is Neeltje. Zelf komt hij van Nieuw-Beijerland en hij noemt zichzelf nog altijd een bofkont, omdat hij Neeltje leerde kennen op de Paardenmarkt in Numansdorp waar ze in een kraam haar befaamde peperkoeken verkocht. Een recept waaraan de bakkers uit de omgeving niet konden tippen. Hij liet er destijds geen gras over groeien. Het jaar daarop, op 30 april 1896, trouwden ze op Klaaswaal. Het ging destijds snel omdat hij hier op Zuidzijde de timmermanswerkplaats kon overnemen om voor zichzelf als wagenmaker te beginnen. Tot op de dag van vandaag heeft hij er geen spijt van.
‘Nog een tweede bakkie, mannen?’
‘Zeker, want dan gaan we weer snel aan het werk. Huib, hé jongen, wat kijk jij nou begerig naar die schaal met peperkoek,’ merkt Van den Berg lachend op. ‘Die boterham bewaar je zeker voor later?’
‘Dat doe je goed, Van den Berg,’ lacht Leendert, ‘Voor wie het niet heeft gezien: er liggen nog een paar sneden koek voor de liefhebbers. Ga gerust je gang beiden, want ik ben in de gezegende omstandigheden dat mijn vrouw mij bijna maandelijks op deze lekkernij trakteert. Dus tast toe, mannen!’
Er wordt gelachen en nadat ze koffie en koek achter de kraag hebben, worden de zware wielen snel opgeladen en gaat men op weg naar de smid.
Als ze zijn vertrokken, gooit Neeltje de deuren van de werkplaats open en veegt ze de vloer aan, die even later ook nog een flinke boenbeurt ondergaat. Ze zeemt direct ook maar de ramen. Met een schuin oog kijkt ze naar Leendert, die weer binnen komt lopen. ‘Laten we tussen de middag bijtijds eten, want je hebt beloofd om Eva vanmiddag bij de Normaalschool op te halen. Ik ben benieuwd wat onze studiebol nu weer heeft gepresteerd. Ze heeft vanmorgen een proef moeten afleggen, zodat ze weer een beetje dichter bij haar diploma voor onderwijzeres kan komen.’
Eva is hun oudste, vernoemd naar Leenderts moeder: Eva Tol. Ze werd een jaar na hun huwelijk geboren. Zelf komt Leendert uit een gezin waarin er geen geld was om de kinderen te laten studeren. Hij is er trots op dat zijn wagenmakerij goed loopt en hij de oudste, die echt een studiehoofd heeft, voor onderwijzeres kan laten leren. Eva, die veel weg heeft van zijn lieve Neeltje, is zijn oogappel.
Hij slaat een arm om Neeltje heen. ‘Het zou toch wat zijn als ze al direct de eerste keer slaagt voor het tussententamen? Ik ben trots op die dochter van mij. Ze is een voorbeeld voor onze andere kinderen, waarvan ik ook hoop dat ze er in het leven wat van maken. Maar met jou als hun mama moet het goed komen.’
Hij kust haar beide handen. ‘Je ruikt naar groene zeep, als dat geen voorbode is voor reinheid en regelmaat dan weet ik het niet meer.’
Neeltje lacht en weet hem nog net te redden, als hij pardoes over de emmer met groene zeep en de dweil struikelt.
‘Had jij niet nog iets te doen in de droogschuur? Dan kan ik hier mijn schoonmaakwerk even afmaken.’
Na het eten zet Leendert Bles voor de kar en rijdt naar Numansdorp, waar Eva in de kost zit bij de familie Bos. Zij woont dan dichter bij de Normaalschool van de heer Welker. De familie Bos heeft een dochter van Eva’s leeftijd en nam haar aan het begin van haar studie tegen betaling van de huur van haar kamer graag in huis. Maar in het weekend komt Eva naar huis. Zelf heeft hij dat ook liever, want hij heeft graag iedereen van zijn gezin om zich heen. Eva is heel enthousiast en is hem al bijna tot Klaaswaal tegemoet gelopen.
‘Ha kind, stap in. Hoe komt je nu al hier, was je al eerder klaar?’
‘O, het ging voortreffelijk vanmorgen. Ik heb gisterenavond nog tot laat zitten leren, maar toen wist ik dat het goed zou komen. Het viel me vanmorgen dan ook alles mee. Ik was als een van de eersten klaar en in tegenstelling tot anders, mocht ik na inlevering van de toets weg. Maar ik mocht nog wel bij de administratie mijn cijfer gaan ophalen. Nou, en wat denk je?’
Leendert fronst zijn wenkbrauwen en kijkt naar de zijkant, waar zijn enthousiaste dochter hem afwachtend aanstaart. ‘Nou?!’ Hij twijfelt, het liefst zou hij het op een tien gooien, maar stel dat het niet het hoogste cijfer is, dan is dat een beetje zuur voor haar. Hij wil haar niet onder druk zetten, een acht zou tenslotte ook al mooi zijn. ‘Een acht misschien?’
‘Een tien, pa! Echt waar, een tien! Toen ik directeur Welker tegenkwam feliciteerde hij mij. Morgen komt mijn naam zelfs in de krant, want hij zou de hoogste cijfers daaraan doorgeven. Is dat niet leuk? Ik ga het uitknippen, net als de vorige keer. Toen heb ik de artikeltjes in mijn dagboek geplakt.’
‘Ik ben trots op je liefje! Wat zal je moeder blij zijn, om nog maar te zwijgen van oma op Nieuw-Beijerland. Zo’n knappe naamgenoot, dat betekent echt veel voor haar, hoor!’
Eenmaal weer thuis gaat Leendert weer aan het werk en helpt Eva haar moeder. Het is vrijdag en dan wordt er in huis altijd goed gewerkt, zodat in het weekend het huis keurig schoon en aan kant is. Op dit moment kan Neeltje wel wat hulp gebruiken. Ze heeft al een paar ochtenden gemerkt dat ze moeilijk haar bed uit komt. Dat is helemaal niets voor haar. Het najaar is in aantocht, had ze bedacht, zou ze nu al een griep onder de leden hebben?
Vanmorgen was Leendert in verband met de bezorging van het hout al vroeg op. Ze hoorde ook hoe de drie onder Eva – Magdalena, Pleun en Anna – zich klaarmaakten om naar school te gaan. Pas toen de twee kleintjes, de meisjes Leentje en Co, bij haar bed stonden, moest ze er wel uit. Even had ze hen nog in bed genomen, omdat hun blote voetjes wel erg koud aanvoelden. Maar de twee hadden geen rust meer en rollebolden lachend over haar heen met knorrende maagjes. Uiteindelijk moest ze er wel aan toegeven om op te staan.
Toen ze eenmaal bezig was ging het wel weer, maar toen ze de groente uit de kelder wilde halen om het eten alvast voor te bereiden, werd ze misselijk van de braadlucht. Het is nu middag en steeds opnieuw vindt ze het vervelend om de keuken binnen te stappen waar een pan draadjesvlees op het oliestelletje staat te sudderen tot het zacht en gaar is.
De combinatie van misselijkheid en moeheid kwamen haar vanmorgen plotseling niet vreemd meer voor. Het zal toch niet? dacht ze even. Maar toen ze uitrekende wanneer ze voor het laatst ongesteld was geweest, werd haar alles duidelijk. Nummertje acht is op komst. Ach, waarom ook niet? had ze direct gedacht, Leendert zal er blij mee zijn. Alle kinderen zijn immers uit een diepe liefde voor elkaar geboren.
Hoeveel verdriet hebben ze niet gehad toen de pas eenjarige Leendert in de zomer van 1909 overleed. Ze zal het nooit vergeten. Het was juli en de mussen vielen bijna dood van het dak van de hitte. Even ontsnapte hij aan haar aandacht en toen verdronk hij in de sloot achter het huis. Ze heeft hem er na enig zoeken zelf uit gehaald. Toen zijn vingertjes en nageltjes al blauw waren, wist ze dat ze hem niet mochten houden. Ze heeft hem op haar arm genomen en Leendert geroepen. Samen hebben ze hem gestreeld en gefluisterd hoeveel ze van hem hielden.
Het ventje ligt op Nieuw-Beijerland begraven. Ze heeft zich heel lang schuldig gevoeld door dat moment van onoplettendheid. Elke zondag na kerktijd gaan ze allemaal samen naar het graf om de kleine man even gedag te zeggen. Het is een vast ritueel geworden dat, nu het inmiddels vijf jaar geleden is, gek genoeg nog steeds fijn aanvoelt. Zo hoort hij er toch nog echt bij.
Terwijl ze op de kleine slaapkamertjes boven onder het dak alle ramen tegen elkaar openzet om te luchten, voelt ze hoe een koude luchtstroom over de zolder waait. Ze rilt en maakt samen met Eva de bedden op. Bij het tweepersoonsbed van henzelf wordt het haar even te veel. Om Eva even bij haar weg te houden roept ze: ‘Zou jij even alle ramen willen sluiten, want het is nu wel erg koud!’
Ze laat zich op het halfopgemaakte bed achterovervallen. Pfff, dat voelt zalig. Ze zou zo wel in slaap kunnen vallen, een enorme moeheid overvalt haar.
Als Eva klaar is met de laatste slaapkamer en alle ramen heeft gesloten, behalve die op de slaapkamer van haar ouders, ziet ze haar moeder schuin in het onopgemaakte bed liggen. Langzaam komt ze dichterbij. ‘Slaapt u nu, mama? Bent u laat naar bed gegaan? Of bent u ziek?’
Neeltje, zwaar in slaap, reageert niet. Eva tikt haar zachtjes aan.
‘Mama, u ziet zo wit, u bent toch niet ziek?’
Geschrokken schiet Neeltje overeind. Door de snelheid waarmee ze overeind komt en haar toch al zwakke maag, geeft ze over. Zo over de mooie sprei.
‘Ach mama toch, u bent echt ziek!’
Eva komt direct in actie. Ze haalt de sprei eraf en verschoont het bed, terwijl ze haar moeder naar haar eigen kamer brengt en haar daar op bed legt. ‘Blijf maar even liggen, hoor. Ik maak jullie slaapkamer wel af.’ Ze slaat het dek van haar bed open. ‘Zo, kruip er maar gauw onder, want al die open ramen waren niet echt een goed idee zo eind september. Ik denk dat er toen al iets dwars zat.’ Eva gaat aan het voeteneind zitten en houdt haar moeder goed in de gaten. ‘O gelukkig, u trekt al iets bij, u heeft alweer kleur op uw wangen. Sjonge, u laat me wel schrikken, hoor! U heeft vast een griep onder de leden. Gaat het weer een beetje? Dan zal ik nu jullie slaapkamer even afmaken.’ En weg is de ijverige dochter weer. Neeltje zucht en sluit kort haar ogen. Ze is blij dat ze er even aan toe kan geven. Maar niet te lang, anders maakt Eva zich veel te druk!
Niet veel later gaan ze samen naar beneden met een volle wasmand. ‘Zet hem maar in de bijkeuken,’ wijst Neeltje, ‘en zou je de sprei in een teil warm water willen zetten? Maandag is de was aan de beurt.’
Wanneer ze langs de keuken loopt, kokhalst ze met haar hand voor haar mond. Ze is blij dat Eva haar niet ziet, het zou haar maar ongerust maken. Toch wil ze haar nog niet op de hoogte brengen van haar zwangerschap. Vanavond als iedereen naar bed is, zal ze eerst Leendert op de hoogte brengen.
Of hij blij zal zijn? Ze moet er even over nadenken. Ach ja, waarom zou hij er niet blij mee zijn? Misschien wordt de schare meisjes wel aangevuld met nog een jongen. Hij zal welkom zijn, zeker na het verlies van Leendert. Pleun, haar derde kind, heeft als enige jongen soms heel wat te verduren in dit vrouwenhuishouden, denkt ze glimlachend. Hij is nu twaalf jaar en is al een hele vent die voortdurend al dat meidengedoe van zich af weet te houden.
Toch trekt hij ook niet bepaald naar zijn vader. Hij heeft hem al eens fijntjes laten merken, toen Leendert hem in een optimistische bui als zijn opvolger aanwees, dat hij totaal niets van de wagenmakerij moet weten. ‘Ik wil later zelf kiezen wat ik ga doen!’ Wat dat dan zou zijn, vroegen ze hem in koor. Maar dat wist hij nog niet. ‘Ik ben pas twaalf, hoor, wisten jullie toen al wat je wilde worden? Nou dan!’
Het had Leendert erg getroffen zag ze, maar het zal allemaal zo’n vaart niet lopen. Ze had haar zoon geknuffeld, maar ook dat was niet stoer, hij duwde haar weg. ‘Laat me maar met rust, dan kan ik erover nadenken. Maar echt, ik word geen wagenmaker.’
Ze had haar hand maar geruststellend op Leenderts arm gelegd. ‘Ach, laat hem toch zelf kiezen. We hebben gelukkig het geld om hen te laten leren, wie weet wat er in dat jong schuilt.’
Maar ze kon zich de trotse wagenmaker wel voorstellen, die keer op keer een meisje kreeg. Dan kwam er eindelijk een knul en dan kreeg je dit.
Leendert had het afgedaan met de woorden: ‘Bedenk altijd maar wel dat jij later kan doorleren dankzij diezelfde wagenmakerij. Als die niet zo goed draaide, dan zou je waarschijnlijk gewoon ergens bij een boer als boerenknecht werken, jongen!’
‘Misschien wil ik dat ook wel!’
Ze had haar hoofd geschud. ‘Eigenwijs jong’ naar hem geroepen.
Ze schrikt op uit haar mijmeringen. ‘Eva, zou jij even het oliestel uit willen draaien? Het vlees zal nu wel gaar zijn. Doe even de kamerdeur achter je dicht, wil je. Ja, ook de keukendeur dichthouden.’ Maar ondanks dat komt er opnieuw een geur uit de keuken die haar nu niet bepaald welgevallig is.
Als Eva ook nog een kopje thee heeft gezet, zakt haar misselijkheid. Tegen dat de kinderen uit school komen en Leendert de deur van de werkplaats sluit en naar binnen komt, is ze alweer druk in de weer. Maar als Eva heel lief vraagt of zij vandaag zal koken, neemt ze het in dankbaarheid aan.
Al om negen uur ’s avonds staat Leendert op. ‘Kom, we houden het voor gezien, morgen is het weer vroeg dag.’
Om de volgende week al vroeg met een nieuwe klus te kunnen beginnen, gebruikt hij de zaterdag om het werk voor te bereiden. Hij zaagt alvast het nodige aan planken, zodat hij op maandag direct kan beginnen. Ook wil hij graag aanwezig zijn in de werkplaats, omdat de boeren vaak op zaterdag voor reparaties langskomen om de spullen te brengen. Vandaag was wel echt een zware dag, nu het hout van de zaagmolen is aangekomen. ‘Ik voel m’n rug!’ Leendert doet wat rek- en strekoefeningen.
Alle kinderen liggen er al in en ook Neeltje verlangt naar haar bed. Ze brengt de kopjes naar de keuken en om geen vuil aanrecht te hebben, neemt ze de moeite nog even om ze om te wassen en terug te zetten in de kast. Ze kijkt naar zichzelf in het kleine keukenspiegeltje en schrikt als ze plotseling ook tegen het gezicht van Leendert aankijkt.
‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet,’ zegt ze lachend als ze over haar eerste schrik heen is.
Leendert kijkt vertederd haar richting uit en neemt haar geëmotioneerd in zijn armen. ‘Ik zie een mooie zwangere vrouw,’ fluistert hij.
‘Hè, hoe kom jij daar zo ineens bij?’ vraagt ze en ze houdt hem met haar handen op afstand om hem in zijn gezicht te kunnen kijken.
‘Ervaring misschien?’ Zijn lach klinkt door de keuken. ‘Of weet je het zelf nog niet?’
‘Ach rare, hoe kom je daar nu zo bij?’
‘Vrouwen zijn op hun mooist als ze zwanger zijn. Daarbij, toen je die heerlijke peperkoek aan die mannen liet en er zelf niet een stukje van nam, bekeek ik je eens goed. Ik zie aan je ogen, aan je hele gezicht dat je opnieuw een kindje in je draagt. Het is misschien gek, maar ik heb dat bij allemaal gezien, zonder dat je het nog bevestigd had.’
‘Ach rare, dat heb je me nooit verteld!’
‘Nou, bij deze dan!’ Hij pakt haar gezicht tussen zijn handen en kust haar. ‘Alles is goed en om het even, hoor, maar wellicht is het een jongen.’
‘Haha tja, dat is gemakkelijk, meer smaken zijn er niet,’ fluistert ze als ze achter elkaar de trap op lopen naar de slaapkamer. Met de blaker in haar hand kijkt ze nog even naar de allerkleinsten of ze er nog goed onder liggen. Het is nog maar september en toch al erg fris. Door het raam ziet ze dat het mistig is.
‘Ik ben er razend gelukkig mee, jij ook?’ fluistert hij wanneer ze zich dicht tegen hem aan nestelt.
‘Jazeker,’ beaamt ze met een besmuikt plagend lachje. ‘Heerlijk weer, zo’n wiegje naast het bed, dat heerlijke gehuil. En zalig toch die gebroken nachten, die lekkere grote was met al die luiers.’
‘Mmm, toch was Cootje een voorbeeldig meisje. Nog net geen… eh…’ Hij rekende even. ‘Nog net geen twee en nu al bijna zindelijk, dat is toch ook wel een bijdehand nummer, hoor. Maar zonder gekheid, zie je ertegen op?’
‘Nee hoor, alleen heb ik nu wat ongemakken. Vanmiddag was ik spuugmisselijk van de vleeslucht die op het pitje stond te sudderen. Maar lief van Eva, ze veronderstelde dat ik griep had en heeft me vanmiddag op haar vrije middag voortreffelijk geholpen. Wel fijn, hoor, al zo’n grote dochter, daar heb ik wat aan.’
‘Ik ben apetrots op haar. Heb je gehoord dat ze morgen in de krant staat met het haar behaalde tussenresultaten?’ Hij drukt haar dicht tegen zich aan. ‘Wij samen, wij brengen toch maar wat mooie producten voort, toch?’
Ze geeuwt, de slaap krijgt vat op haar. ‘Nou producten… nou ja, als je het… als je het zo wilt noemen…’
Voorzichtig draait Leendert zich van haar af en hij dekt haar zorgvuldig toe. De kus op haar voorhoofd voelt ze niet meer.
‘Slaap lekker lieve, mooie, zwangere vrouw van mij.’
De volgende dag besluit ze het in de familie nog niet van de daken te schreeuwen dat ze zwanger is. Haar moeder zal bedenkelijk reageren, of ze het al niet druk genoeg heeft. Haar schoonmoeder zal het toejuichen. Zij ziet elk kind weer als een door God gegeven cadeautje dat ze blijkbaar heeft verdiend. Met beiden is ze niet echt vertrouwelijk, al zijn het in haar ogen beste mensen. Maar haar gewezen mevrouw Johanna Tak-Verhoeven uit Nieuw-Beijerland, waar ze jaren voor haar huwelijk heeft gediend als dienstbode, wil ze het heel graag vertellen.
Al jaren komt ze er erg graag. Ze is, zeker toen haar man Thomas Tak stierf, als een warme, oudere vriendin voor haar geweest. Zij was het ook die troostende woorden sprak toen de kleine Leendert stierf. Van alles wat ze haar toevertrouwt weet ze dat het in goede handen is. Hoewel ze in hetzelfde dorp woont als haar schoonmoeder, blijft alles wat ze vertelt tussen hen.
De zon schijnt en ze zou de fiets kunnen pakken, maar nu Eva op de kleintjes wil letten, kan ze er net zo goed een heerlijke lange wandeling aan vastknopen. Alleen moet ze tijdens haar bezoekje aan Johanna goed op de tijd letten, omdat ze het hele eind ook nog terug moet. Vanmorgen heeft ze met het opstaan maar heel even moeite gehad. Nu voelt ze zich prima en het geeft haar een goed gevoel om Johanna alvast op de hoogte te brengen.
Thomas en Johanna hebben nooit kinderen gekregen. Misschien waren ze daarom ook wel zo aardig voor haar toen ze er al als jong meisje werkte. Van Johanna heeft ze leren breien, maar ze herinnert zich ook nog de prachtige stekenlap die ze haar met veel geduld leerde. Daarna heeft ze onder haar leiding nog een merklap geborduurd. Ze was er zo trots op en liet hem inlijsten. Hij hangt nu nog op haar slaapkamer.
Het waren heerlijke, vertrouwelijke uurtjes wanneer ze beiden over hun handwerk zaten gebogen. Op het theetafeltje een gevulde theepot en een schaaltje chocolaatjes. Iets wat ze thuis helemaal niet kende, maar die haar man Thomas meebracht uit Dordrecht waar hij zakendeed. Er was daar in de Voorstraat een chocolateriewinkel waar de bonbons met de hand gemaakt werden door een mevrouw die in de Eerste Wereldoorlog vanuit België naar Dordrecht was verhuisd. Thomas mocht dan lekkere uitzoeken die zij altijd in een mooi doosje deed met een lint eromheen. Thomas, die veel van Johanna hield, kende haar smaak. Zo’n doosje werd dan ook door haar in dank aanvaard en uiteindelijk met haar gedeeld.
Ze maakt werk van haar uiterlijk, omdat ze weet dat Johanna dat op prijs stelt. Ze haalt haar ondermuts, keuvel en sieraden tevoorschijn. Ze is er altijd nog trots op haar ‘krullenmuts’ te dragen. Haar handen strijken even over het prachtige kant. Doordeweeks draagt ze een gehaakt mutsje van breikatoen, ook dat draagt ze graag. Als ze maar even tijd heeft voor een handwerkje dan haakt ze aan weer een andere muts, eerst in de vorm van een zespuntige ster en dan heen en weer gaande toeren versierd met noppen. Soms maakt ze er een met een ander patroon, maar ze hoeft er niet meer op te kijken, kan hem zo uit haar hoofd haken.
Nu ze besloten heeft om in dracht op pad te gaan, moet ze er wel even de tijd voor nemen. Voor de grote spiegel kamt ze haar haren, om die eerst onder de ondermuts te stoppen en vervolgens onder de krullenmuts. Ze heeft ook al volgens de laatste mode een kiep gekocht, een grote hoed die ze bovenop haar muts draagt, die van haar is voor de zomer en van riet met gekleurde linten. Zelf moet ze er nog even aan wennen, maar zodra ze er meer vrouwen mee ziet lopen, gaat ze hem ook dragen. Nu alleen maar de muts.
Snel trekt ze het zachtblauwe jak aan dat is afgezet met iets donkerdere kraaltjes met aan de onderkant een schootje, waardoor haar onderlichaam mooi gevuld en breder lijkt. Om die reden hoeft ze de keuteprie niet om. Ook nog eens twee kleine kussentjes onder de rok om de heupen breder te laten lijken is te veel van het goede. Als ze zwanger is, zoals nu, kan ze het jak en de rok eronder nog lang dragen.
Haar mutsspelden hebben dezelfde stenen als haar armband en halsketting, die ze van Leendert heeft gekregen. Het opzetten van de muts is nog een heel gedoe, dat ze bijna nog nooit alleen heeft gedaan. Ze roept Eva om haar ermee te helpen.
Als ze eenmaal is aangekleed, keurt ze zichzelf in de passpiegel aan de binnenkant van haar linnenkast. Ze glimlacht naar zichzelf. ‘Zo, aangekleed gaat uit!’ mompelt ze tevreden. Haar krullen mogen dan weliswaar niet van goud zijn, maar als ze alles aanheeft, voelt het toch werkelijk alsof ze de koningin zelf is. Ze draagt ook op zondag met een zekere trots haar dracht, net als Eva, die er ook al van houdt, ook al is ze nog jong. Misschien zijn een mooie ketting en armband een leuk cadeau als ze straks is geslaagd.
Als ze vlak bij Nieuw-Beijerland is, voelt ze de zwaarte in haar benen. Mmm, misschien is het toch niet zo handig om er zo’n wandeling aan vast te knopen. Zoals ze al verwachtte, is Johanna dolgelukkig om haar weer eens te zien. Ze begint gelijk te ratelen. ‘Het is zo’n heerlijke najaarsdag, ik kan me voorstellen dat je zin had om te gaan lopen. Als mijn benen beter waren, liep ik zo een eind met je mee. Maar ik geniet ook, hoor, heb vanmiddag zelfs even met het raam open in de zon gezeten. Nu de winter eraan komt, zie ik daar gezien mijn leeftijd steeds meer tegen op. Tja, als je maar alleen bent… Ach kom, wat zeur ik, daar kom je vast niet voor. Doe je manteltje uit en vertel: hoe is het bij jullie? Ik zet terwijl een kopje thee, is dat goed, of heb je liever koffie?’
‘Nee hoor, thee is goed. Ik zal maar direct met de deur in huis vallen, Johanna. Ik ben weer zwanger!’
‘Ach kind, wat leuk voor jullie! Kom hier, dan krijg je een geweldige pakkerd van mij! Niet misselijk zoals toen van Leentje?’
‘Sjonge, dat u dat nog weet! Dat is waar, van hem ben ik bijna tot op het laatst heel erg naar geweest. Maar nu ben ik wel wat moe en gisteren heb ik toevallig een keer overgegeven. Maar dat kwam omdat ik de lucht van het gebraden vlees niet kon velen. Gek hè, al die rare dingen als je zwanger bent.’
‘Ja, ik kan er niet erg van meespreken, maar wel een beetje. Ik ben ooit een maand zwanger geweest en kreeg toen een miskraam, als je daar na een maand al over kan spreken. Blijkbaar had ik een chronisch gebrek aan kalk toen. We hadden een soort knikkerspel in de kast staan met van die kalkknikkers, ik denk dat ik dat hele spel heb opgegeten.’ Ze gooit haar hoofd achterover en door de keuken klinkt haar schaterende lach. ‘Als snoepjes, ik kon gewoon niet meer stoppen wanneer ik die doos opendeed. Die kalkknikkers hadden ook nog eens allemaal kleurtjes, dus naast de kalk kreeg ik ook nog een flinke portie misschien wel giftige verf naar binnen, denk ik. Dat zei een schilder mij eens, die ziek was geworden en later doodging omdat hij in een fabriek loodwit in pakjes moest verpakken. Zijn vingers stonden krom van het gif, maar hij deed het, want anders was er voor zijn gezin gewoon geen geld. Een jaar of tien geleden las ik in de krant dat er nog steeds zo’n fabriek bestaat in Schoonhoven. Een predikant had al tientallen jaren daarvoor in de krant persoonlijk geklaagd over het gedrag van de directie van die loodwitfabriek. Dus in die eeuw zijn we ook niks wijzer geworden, kind.’
Als ze haar thee opheeft zijn ze nog lang niet uitgekletst, maar toch moet ze verstandig zijn als ze het hele eind nog terug moet. Ze heeft haar jas al aan, als er een bekende paard en wagen voor de deur van Johanna stopt. Het is Leendert die wat vracht weg moet brengen op Nieuw-Beijerland en daar ook een bezoekje aan zijn ouders aan vast wil knopen.
‘Ik hoorde al van Eva dat je hier was. Ha Johanna, alles goed? Niet verstandig hoor, Neeltje, zo’n heel eind lopen in jouw positie. Maar goed, doe je jas maar weer uit. Ik ga nog even langs bij mijn ouders, dan kom ik je zo wel weer halen!’
Johanna knikt tevreden. ‘Wat heb je toch een lieve, attente man aan Leendert, Neeltje. Gezellig, kunnen we nog even lekker verder praten.’


>