Nieuwsbrief

Preview: ‘Op zoek naar mijn zusje’

Op zoek naar mijn zusje

Op zoek naar mijn zusje van Anne-Marie Hooyberghs vertelt het waargebeurde verhaal van twee zusjes. In 1940 worden Celien en Stien liefdevol opgenomen in een doktersgezin in Westerlo, Vlaanderen. De Tweede Wereldoorlog legt al snel een donkere deken over de Kempen en het leven van de zusjes wordt steeds zwaarder. Wanneer zus Stien met de familie wordt verraden en plotseling verdwijnt, besluit Celien haar zus te gaan zoeken. Haar wil en het vertrouwen op een hereniging is sterker dan het gevaar. Anne-Marie Hooyberghs vertelt in Op zoek naar mijn zusje aan de hand van waargebeurde feiten het verhaal van twee moedige Vlaamse zusjes.


Hoofdstuk 1

Het meisje rilde. Haar grote ogen keken met een zweem van angst de kamer in en bleven even rusten op de rug van een vrouw. Ze aarzelde en keek besluiteloos om zich heen. Ze zag de stenen gootsteen voor zich met de pomp erboven en daarnaast de donker gebeitste kast waarin het servies stond. Iets daarvoor, in het midden van het vertrek, zag ze de ruwe houten tafel omringd door stoelen. Aan haar rechterkant liet een smal raampje het zwakke ochtendlicht van een donkere regenlucht binnen. Haar blik gleed terug. Ze zag de omhoog gebogen spijkers tussen de gootsteen en de buitendeur waaraan enkele omslagdoeken hingen en oom Vics pet en jas. Haaks daarop zag ze de openstaande deur van de kamer waar haar tante en haar oom sliepen en waaruit zwak wat daglicht de woonkeuken binnendrong. Ze zuchtte onhoorbaar toen haar blik verder gleed naar de gemakkelijke leunstoelen aan weerszijden van de kachel tot haar ogen ten slotte weer stilhielden op de gebogen rug van de vrouw.

Haar tante pookte in het vuur zodat een ratelend geluid weerklonk. Het meisje zag dat de opflakkerende gloed een krans legde om haar tantes hoofd en schouders.

Ze slikte en staarde naar de grauwe rok en de strik van het schort boven een bol achterste. Ze was zich er goed van bewust dat haar tante boos zou worden om hetgeen ze haar wilde vragen. Het was immers niet de eerste maal dat ze haar hierover aansprak, en ze wist dat haar tante nooit op haar woorden terugkwam.

Maar ze moest het nogmaals proberen. Ze móést! Ze haalde diep adem, raapte al haar moed bij elkaar en zei zacht: ‘Stientje wordt steeds zieker, tante Leonie. Misschien… misschien is het beter dat ze vandaag in bed blijft en dat ik de dokter ga halen.’

De vrouw draaide zich geschrokken naar haar om en drukte een hand tegen haar borst.

‘Goeie genade, Celien! Ik schrok me haast dood! Kun je niet als een normaal mens de kamer binnenkomen in plaats van geniepig naar binnen te sluipen en me de stuipen op het lijf te jagen!’

‘Het spijt me, tante, maar Stientje…’

‘Ik heb wel gehoord wat je zei,’ onderbrak de vrouw haar scherp. ‘Maar ik heb je verleden week al gezegd dat ik voor een stomme hoestbui geen dokter laat komen! Denk je dan dat het geld op onze rug groeit! Dat ondankbare wicht wil er alleen maar van profiteren, dat is het!’

‘Maar ze is echt ziek, tante Leonie,’ probeerde het meisje smekend.

‘Ziek of niet ziek, ze zal moeten werken om haar kost te verdienen! Zeg dat ze dadelijk naar beneden komt of ik zal haar eens leren wat het is om je ziek te voelen. Ziek! Phoe, alsof iedereen zich elke dag kiplekker voelt! Een verwend nest, dat is ze en jij maakt het alleen maar erger met dat betuttelen van je!’

Celien voelde een huivering over haar rug glijden. Ze wist dat dit geen loze woorden waren en dat verder aandringen geen zin had. Ze draaide zich met hangende schouders om en klom teleurgesteld de ladder op naar de vliering.

De twaalfjarige Stien stond reeds naast het bed en was zich aan het aankleden. Ze had tante Leonies harde woorden al opgevangen, en ze keek met een koortsige blik naar de verslagen houding van haar oudere zus terwijl ze haar kousen aantrok.

‘Het geeft niets, Celien,’ zei ze zacht. ‘Ik voel me al een beetje beter. Het zal straks wel over zijn.’

Celien zweeg met een machteloos gevoel, terwijl ze wachtte tot ze samen naar beneden konden gaan.

Tante Leonie stond hen al op te wachten.

Ze keek met een stekende blik naar de twee meisjes en hield toen haar ogen op het jongste kind gericht. ‘Zie je wel! Er is niets aan de hand. Je bent alleen maar lui!’

Hoe jong ze ook was, deze woorden deden Celiens angst voor een ogenblik verdwijnen. Ze duwde Stien beschermend achter haar rug en schudde opstandig het hoofd. ‘Dat is niet waar, tante! Ze is écht ziek! En ze heeft koorts!

Voordat ze wist wat er gebeurde, voelde ze een harde klap op haar linkerwang. Door de slag verloor ze haar evenwicht zodat ze tegen de deurlijst aan vloog. Ze kon zich nog juist vastgrijpen voordat ze op de grond terechtkwam. Een pijnscheut sneed door haar arm en haar wang voelde tintelend en warm aan.

‘Dat zal je leren om mij tegen te spreken!’

‘Laat haar met rust, vrouw!’

Leonies echtgenoot, een grote, stevige man met blond, kortgeschoren haar en een stoppelkin kwam uit de aangrenzende slaapkamer. Hij keek even naar Celien die met tranende ogen over haar pijnlijke arm wreef en vervolgde: ‘Je weet toch dat ze mee naar de Sandershoeve moet. Wil je dan dat iedereen ziet dat ze bont en blauw geslagen is?’

Tante Leonie richtte zich nu geprikkeld tot haar man. ‘Het is jouw schuld! Ik heb er niet om gevraagd om hen hier te hebben! We hebben het zo al moeilijk genoeg zonder die twee erbij!’

‘Sinds Celien op de hoeve werkt, heb je niet te klagen,’ weerlegde Vic Cobbe haar woorden.

‘O nee? En Stien dan? Niemand wil haar in dienst nemen, maar ze eet de oren van mijn hoofd en ze is lastig en lui. Bovendien is Celien maar aangenomen tot de oogsttijd erop zit. En dan? Wat moet er dan van ons worden? Hetgeen jij binnenbrengt, is niet eens voldoende voor je eigen kinderen.’

Vic  zuchtte diep.

‘Hou op, vrouw! Je mag blij zijn dat ik werk heb.’

‘Noem je dat werk! Waarom ga je niet naar de fabriek in Olen? Daar betalen ze je tenminste loon naar werken.’

Hij keek haar geïrriteerd aan. ‘Ik heb je al gezegd dat die fabriek niets voor mij is, Leonie. Ik heb het geprobeerd en ik ben er alleen maar ziek van geworden. Die fabriek is zo ongezond als de pest. Ik heb lucht en licht nodig.’

‘Ja! Mijnheer heeft lucht en licht nodig! Maar van lucht en licht kun je niet leven, als je dat maar weet!’

Vic  klemde zijn kiezen op elkaar en zweeg. Met een nukkig gebaar greep hij zijn pet en jas, hij wierp nog een vernietigende blik in de richting van zijn vrouw en verdween terwijl hij de deur met een klap achter zich dichtsloeg.

‘Ja, ga maar!’ riep ze hem na. ‘Maak maar dat je wegkomt!’

Na deze woorden zakte ze neer in een stoel. Ze boog zuchtend het hoofd en dacht aan haar eigen kinderen die nog lagen te slapen. De oudste was amper zes en er groeide alweer een vijfde in haar schoot. O, wat moest er van hen terechtkomen wanneer het zo verderging! Ze streek met een vermoeid gebaar over haar gezicht.

En alsof dat nog niet genoeg was, moest Vic zo nodig die twee daar ook nog in huis halen. Ze hief haar hoofd en keek verbolgen naar de twee meisjes die nog steeds in de deuropening stonden.

‘Wat staan jullie daar nog te doen? Denk je dat er niet meer gewerkt hoeft te worden? Maak dat je wegkomt, Celien! En jij, jij zorgt dat er vlug wat water aan de kook geraakt! Ziek! Phoe! Alsof iedereen zich niet ellendig voelt!’

Celien drong haar tranen terug en keek bezorgd naar haar zusje, maar het kind glimlachte dapper. ‘Ik voel me al veel beter,’ zei ze fluisterend. ‘Ga nu maar voordat tante Leonie haar geduld verliest.’

Het oudste meisje knikte aarzelend. Ze kon maar beter voortmaken voordat Stien het moest bekopen. Ze streek nog even met een teder gebaar over Stiens wang, greep haar omslagdoek van de spijker en verdween in de frisse, natte ochtendlucht.

Buiten wikkelde ze de omslagdoek om haar hoofd. Het regende en de wind deed haar rok rond haar benen wapperen. Zolang ze de huizen van het dorp naast zich had, was ze enigszins beschut tegen de natte vlagen, maar toen ze het karspoor tussen de velden insloeg, boog ze haar hoofd tegen de wind in en trachtte ze de regen te negeren door aan haar zusje te denken. Ze vroeg zich af wanneer het hoesten begonnen was. Ze kon het zich niet meer herinneren. In het begin viel het ook niet erg op en Stien had er geen hinder van. Maar de laatste weken was ze harder gaan hoesten. Het werd steeds erger, en bovendien was er koorts komen opzetten. Celien was er helemaal niet gerust op en ze wou dat ze haar tante kon overtuigen om Stientje naar een dokter te sturen. Maar ze begreep wel dat het geen zin had.

Ze zuchtte diep. Sinds hun vader een dik jaar geleden was gestorven en ze noodgedwongen bij hun tante Leonie en oom Vic moesten intrekken, was hun leven danig veranderd. Voor zichzelf vond Celien het niet zo erg. Sinds een aantal maanden had ze haar werk op de Sandershoeve en hoewel het zwaar en vermoeiend was, kon ze toch rekenen op de vriendelijkheid van het werkvolk. Ze verdiende er maar een karig loon, maar ze kon zoveel eten als ze wou, zodat ze geen honger hoefde te lijden zoals dat bij tante Leonie soms wel het geval was. Ze wou dat ze een deel van haar eten mee kon nemen, maar dat kon ze niet riskeren zonder van het erf weggestuurd te worden. Zolang ze daar kon blijven werken, had ze het behoorlijk goed, maar ze maakte zich zorgen om haar zusje die voortdurend haar tantes nukken moest verdragen.

Hoewel ze nog jong was, begreep Celien dat het niet alleen de armoede was die haar tante zo verbitterd maakte. Het hele leven stelde haar teleur: de opgebrande liefde voor haar man, de vele kinderen die haar de vrijheid ontnamen en het besef van een steeds terugkerende strijd om te overleven. Dat alles dwong haar hard en opstandig te worden om elke dag weer door te komen. Bovendien hoorde Celien de mensen voortdurend praten over Hitler en Mussolini, over de oorlog die deze mannen in andere landen voerden en over de angst die het bij vele mensen opriep. Ze begreep er niet veel van en ze verdiepte er zich ook niet in. Ze was nog veel te jong om zich zorgen te maken om iets wat ver van haar af leek te staan. Maar ze begreep dat haar tante zich daar wel zorgen om maakte.

Maar ondanks het feit dat Celien haar tante begreep, vond ze dat haar zusje oneerlijk door haar behandeld werd. Begreep zij dan niet dat Stientje alles deed wat ze kon? Het was waar dat ze klein en tenger en niet erg sterk was voor haar leeftijd, maar ze zorgde toch goed voor de kleintjes? En tante Leonies kinderen vroegen nu eenmaal veel aandacht en werk. Hun nichtje Lizzie, de oudste, was pas zes jaar. Daarna volgde Stan. Hij werd vijf. Dan was er Karel die drie jaar oud was, en ten slotte Leentje, een baby van een jaar. Stientje had er haar handen aan vol, maar ze hield van de kinderen en dat maakte het werk minder zwaar.

Celien wist echter dat Stien méér deed dan alleen maar voor de kinderen zorgen, al klaagde haar zusje nooit en zei ze er niets over. Maar de vele kloven en eeltplekken op haar kleine handen bewezen dat maar al te zeer.

Celien zuchtte diep terwijl ze met vlugge stappen verderging.

Ze herinnerde zich nog glashelder dat oom Vic hen op een woensdagochtend had meegenomen nadat hun vader diezelfde nacht was overleden. Die eerste dag al had tante Leonie haar ongenoegen laten blijken over het feit dat ze bij hen introkken. En al die dagen die daarop volgden, bleef ze koel en afstandelijk en drukte ze elk verzet direct de kop in door kwistig met klappen en straf om te gaan. En op hulp van oom Vic konden ze evenmin rekenen. Hij was vrijwel nooit thuis en bemoeide zich zo weinig mogelijk met huishoudelijke zaken. Maar ze mochten niet klagen. Ze hadden een dak boven hun hoofd en ze waren bij elkaar. Zonder hun tante en hun oom hadden ze ongetwijfeld naar het weeshuis moeten gaan, waar ze beslist gescheiden zouden zijn van elkaar. Oom Vic was immers vaders enige jongere broer en er was niemand anders waar ze terechtkonden.

Celien zuchtte nogmaals diep.

Ze stopte even en keek op. Een waterige zon steeg nu duidelijk boven de landerijen. De velden lagen er zwaar en groen bij. Maar de aanhoudende regen van de laatste dagen deed er niet veel goed aan. Het was nu eind juni, het werd hoog tijd dat de zon wat meer in kracht toenam.

De kruinen van de bomen in de verte bogen zwaar door en het dennenbos aan haar linkerkant was een donkergroene muur, bedekt met glinsterende regendruppels. Daarnaast zag ze, als door een grijze mist, het logge silhouet van de kerktoren van de Norbertijnenabdij in het naburige dorp.

Ze draaide haar hoofd en keek naar rechts waar het dak van de Sandershoeve een wazige, bruinrode kleur weergaf.

Ze ademde diep de lucht in en hoopte met heel haar hart dat Stientje zich inderdaad beter voelde en dat ze straks haar zorgen opzij kon zetten. Daarna sloeg ze een smal paadje tussen twee velden in dat naar de Sandershoeve leidde.

Stientje voelde zich ellendig. Haar hoofd bonsde en de hoestbuien leken haar uit elkaar te scheuren, maar ze probeerde dapper al haar ongemakken te negeren en trachtte haar dagelijkse taken zo goed mogelijk te vervullen. Nadat ze de kinderen had aangekleed en ze aan tafel had gezet waar ze tamelijk rustig hun pap uitlepelden, liet ze zich uitgeput op een stoel neerzakken. Ze nam Leentje op haar schoot om het kind te voeren. De baby kraaide en schopte uitgelaten met haar beentjes. Op andere dagen zou dat een glimlach om Stientjes mond gebracht hebben, maar nu voelde ze zich zo moe dat ze het kind slechts met moeite op haar schoot kon houden.

Tante Leonie kwam binnen en nam de baby van haar over. Stientje slaakte een zucht van opluchting, maar dat was slechts van korte duur.

‘De was ligt klaar in het washok, Stien. Je kunt gaan!’ zei tante Leonie kortaf zonder haar aan te kijken.

Stiens kleine, tengere gestalte zakte in elkaar. Ze staarde een ogenblik ontdaan naar haar tantes rug. ‘Maar… maar het is toch zaterdag,’ bracht ze er ten slotte haperend uit.

‘Nou, én?’ snauwde de vrouw terwijl ze haar hoofd omkeerde en het kind met haar blik vastpinde. ‘Als ik zeg dat er nu te wassen valt, dan ga je wassen! Of dacht je dan dat alleen op maandag te wassen viel? Nu, dan heb je het mis! We zullen weleens zien wie er hier ziek is! En maak nu maar dat je wegkomt of ik zal je ernaartoe slaan!’

Stien voelde de tranen in haar ogen springen. Ze zag dat Lizzie opgehouden was met eten en haar met grote ogen aankeek. Ze slikte dapper haar tranen weg, nam haar omslagdoek en ging naar buiten.

Het washok was een bouwsel dat haaks tegen het huis aan was gebouwd. Zodra ze de deur van het hok opende, sloeg de geur van houtskool en soda haar tegemoet. Het was er kil en donker. Met trillende vingers stak ze een stallantaarn aan en ging daarna naar buiten om hout te halen.

Toen ze voldoende hout bij elkaar had gehaald, wachtte ze even tot de pijn in haar hoofd wat minderde. Daarna nam ze de emmer en ging naar de regenput om de wastobbe te vullen. De rand van de wasketel kwam tot aan haar schouders, zodat ze het water slechts met de grootste moeite en met behulp van een bankje in de ketel kon gieten. Ze hijgde en was duizelig toen er eindelijk genoeg water in zat. Ze maakte een vuur onder de wasketel en pas toen het hout naar behoren brandde, liet Stien zich rillend op de kille vloer neerzakken. Ze hoestte en haar hoofd bonsde zo erg dat ze dacht dat het uit elkaar zou spatten. Ze kreunde en keek met een koortsige blik om zich heen. In het licht van het vuur zag ze de grote kookketel met daarnaast de twee spoelbakken en de mangel aan de andere zijde. Naast de deur, iets achter haar, lag een wanordelijke stapel vuile kledingstukken en beddenlakens.

Door de rook begon ze hevig te hoesten. Heel haar pijnlijke lichaam schokte ervan. Toen de aanval eindelijk wat minderde, keek ze weer naar de spoelbakken en er kwamen tranen in haar ogen bij de gedachte dat ze moest opstaan om ze met water te vullen. Ze kreunde en besloot om even te wachten. Heel even maar, juist voldoende tot de pijn wat overging.

Half versuft van de koorts greep ze een deel van het vuile wasgoed, spreidde het een beetje uit en legde zich erop neer. Heel even maar, dacht ze… heel even maar…

Ze werd met een schok wakker doordat ze ruw omhoog werd getrokken. Verward en geschrokken keek ze om zich heen. Het duurde even voordat ze besefte waar ze zich bevond. Ze slaakte een kreet toen ze het gezicht van haar tante vlak bij het hare zag. De grijze ogen staarden woedend op haar neer.

‘Het… het spijt me, tante,’ hakkelde ze. ‘Ik… ik moet in slaap gevallen zijn…’

Tante Leonie liet haar los, zodat ze met een smak terug op het wasgoed viel. Stien kreunde en voelde de misselijkheid weer opkomen.

‘Ik heb zo mijn eigen methodes om diegenen te straffen die te lui zijn om te werken!’ zei tante Leonie woedend.

Ze greep het kind weer bij de arm en trok haar achter zich aan het washok uit. Stiens ogen waren angstig opengesperd bij het besef van wat er komen ging, en ze vergat zelfs het bonzen van haar hoofd. Alleen de misselijkheid werd groter nu ze vermoedde wat haar te wachten stond.

Eenmaal in de keuken liet tante Leonie haar los. Stien zocht steun tegen de tafel en trachtte het kokhalzen tegen te gaan. Ze zag dat Lizzie en Stan naast de kachel met een paar houtblokken aan het spelen waren. Nu staakten ze hun spel en ze keken met grote ogen naar de bleke gestalte bij de keukentafel. Toen hun moeder weer binnenkwam met een lange twijg, begon Lizzies lip te trillen en ze kroop dicht tegen de muur aan waar ze met opgetrokken knieën bleef zitten.

‘Draai je om!’

Stien draaide zich langzaam om en voelde de pijn van de eerste slag nog voordat ze zich volledig had omgedraaid. Toen ze de derde slag op haar rug voelde neerkomen, zakte ze door haar knieën. Ze bleef zitten met haar schouders en hoofd voorovergebogen en gaf over. Tante Leonie keek haar vol walging aan, legde de twijg op de tafel en trok haar ruw overeind.

‘Ditmaal kom je er niet zo vlot vanaf, meisje. Als je dan zo graag wilt slapen, dan mag je dat voor mijn part in de kelder doen!’

Ze trok het kind met zich mee, opende het luik van de kelder, duwde Stien de vijf treden af en liet haar daar achter. Stien hoorde een luide bons toen het luik dichtviel en het knarsen van een grendel. Daarna werd het stil.

Ze probeerde om zich heen te kijken. Het was er aardedonker en het rook er vochtig, naar verrotting en bederf. Ze voelde met haar handen langs de ruwe, natte muur toen een geritsel haar deed verstijven. Het meisje bleef roerloos staan met grote, angstige ogen die nietsziend in het donker staarden. Ratten! dacht ze verschrikt.

Ze schuifelde in doodsangst in de richting van de trap. Op de op één na bovenste trede ging ze zitten. Hoger kon niet, omdat haar hoofd zo al tegen het schuine luik aandrukte. Ze trok haar benen op, sloeg haar armen om haar knieën en jammerde zacht als een dier in nood.

Het begon al te schemeren toen Celien moegewerkt en nat het straatje bereikte waar haar tante en oom woonden. Ze was alleen. Op zaterdag ging oom Vic altijd nog even naar het dorp om een praatje te maken in het café. Celien vond dat niet erg. Nu ze niet op hem hoefde te wachten, was ze vlugger thuis.

Ze slaakte een zucht van opluchting toen ze het Verlorenkoststraatje insloeg. Het was enkel een aarden pad en de huizen die er stonden maakten een armoedige indruk. Alleen het imposante ouderlingengesticht midden in het straatje had iets deftigs. Ze sloeg haastig een kruisteken voor het beeld van de heilige Maria dat voor het gesticht stond en holde naar het huis aan het eind van het straatje. De twee ramen aan de voorgevel waren donker en de verf van de voordeur bladderde af. Ze sloeg het gangpaadje naast het huis in en ging via de achterdeur naar binnen.

De woonkeuken was verlicht en ze zag haar tante aan de tafel zitten. Ze stopte kousen bij het licht van een olielamp. Celien hing haar omslagdoek aan de haak naast de deur en keek de kleine ruimte rond. Ze wist dat de kinderen al naar bed waren, maar meestal bleef haar zusje op om op haar te wachten.

‘Ze is al naar bed,’ hoorde ze tante Leonie zeggen zonder dat deze haar aankeek.

Celien wachtte nog even, maar toen haar tante verder zweeg, begon haar hart onrustig te kloppen. Dit kon alleen maar betekenen dat Stien zich te ziek voelde om op haar te wachten. Haastig ging ze de ladder op naar de vliering. Door het kleine dakraam viel een diffuus licht binnen zodat ze Stien in het bed kon zien liggen. Zelfs in de duisternis zag Celien dat ze er heel bleek en broos uitzag. Op dat moment keek het kind haar aan. Ze glimlachte en haar grote, koortsige ogen lichtten een ogenblik op. Celien liet zich echter niet van de wijs brengen. Ze ging naast haar zusje zitten en keek haar aan.

‘Wat is er, Stientje?’ fluisterde ze ongerust. ‘Je bent zieker dan je wilt toegeven, is het niet?’ Ze legde haar hand op haar zusjes voorhoofd om de koorts op te nemen.

Het kind trok haar hoofd echter weg. ‘Het… het gaat wel,’ bracht ze er zo zachtjes uit dat Celien het amper verstond.

Celien zuchtte diep. ‘Het gaat helemaal niet, Stientje. Je gloeit van de koorts. Je moet naar een dokter en als tante Leonie je niet laat gaan, dan zal ik haar eens flink de waarheid zeggen.’

Het kind schudde het hoofd. ‘Ik ben alleen maar moe,’ zei ze zacht. Ze sloot haar ogen en gaf daarmee te kennen dat ze wilde slapen.

Celien zuchtte diep, keek haar bezorgd aan en dekte haar goed toe. Terwijl ze zich uitkleedde, keek ze nog even naar het andere bed waar twee kleine gestalten zich vaag aftekenden. Lizzie en Stan sliepen bij hen onder de pannen, terwijl de twee kleinsten de kamer van oom Vic en tante Leonie deelden. Toen ze zag dat de kinderen rustig sliepen, kroop ze naast Stien onder de dekens. Terwijl ze Stiens gloeiende lichaampje tegen zich aan voelde, kon ze haar angstige gedachten niet langer voor zich houden.

‘Je moet echt naar een dokter, zusje,’ zei ze zacht. ‘Ik ben bang dat het veel erger is dan je laat doorschemeren. We moeten iets doen. Zo kan het niet langer.’

Er volgde geen antwoord. Ze voelde alleen maar een hevig rillen van het kleine, magere lichaam tegen zich aan. Ze vroeg zich af wat er in haar zusje omging. Ze wist dat Stien hier verre van gelukkig was. Het opgewekte, zorgeloze kind van vroeger was veranderd in een stil en teruggetrokken meisje met ogen die zwijgzaam en verdrietig voor zich uit staarden. Ze wilde zo graag dat ze Stien kon helpen. Ze wilde haar beschermen en haar al de aandacht en genegenheid geven die ze zo broodnodig had. Ze verweet zichzelf dat ze niet méér bij haar zusje kon zijn. Maar ze kon haar werk op de Sandershoeve niet opgeven. Het beetje geld dat ze hierdoor binnenbracht, was hun enige zekerheid dat tante Leonie hen in huis bleef dulden.

Ze kroop nog wat dichter tegen haar zusje aan en hoorde dat ze sliep, ondanks de korte, hijgende ademhaling.

Zelf kon ze de slaap echter niet vatten. De bezorgdheid om Stien drukte als een loden last op haar. Ze wist zeker dat ze van tante Leonie of van oom Vic geen hulp kon verwachten. Maar ze móést iets doen om haar zusje te helpen voordat het te laat was.

Terwijl ze lag te piekeren, hoorde ze de regen op de pannen en het geluid van een tak die langs de muur schuurde. Dichterbij hoorde ze soms een zacht geruis wanneer Lizzie of Stan zich omkeerden in hun slaap. Maar ze hoorde vooral Stiens piepende ademhaling en het vele hoesten dat het kind deed kreunen in haar slaap.

Het was al na middernacht toen ze eindelijk had bedacht wat ze kon doen. Wat een geluk dat het morgen zondag was. Dat was de enige dag waarop ze zich een poosje aan het zicht van hun tante konden onttrekken. En dat zou ze nu ten volle benutten.

Ze haalde opgelucht adem en viel uitgeput in slaap.


>