Nieuwsbrief

Preview: Samen alleen

Samen alleen

‘Samen alleen’ van Ina van der Beek is een roman met veel inleveringsvermogen over twee heel verschillende koppels. Het is 1947. Tijdens haar werk in het ziekenhuis van Gouda ontmoet Trude de Bruin de jonge boer Maarten van Zon. Tegen de zin van haar vader, een trotse boer, trouwt Trude met hem. De twee trekken in bij Hugo, Maartens broer, en diens vrouw Clara. Wanneer Maarten en Trude kinderen krijgen, maar het andere stel kinderloos blijft, lopen de spanningen tussen de twee schoonzussen op. Zal het hen lukken om hun verschillen naast zich neer te leggen en hun relatie te herstellen? 'Samen alleen' van Ina van der Beek is een indrukwekkende roman over geluk, verlies en troost.


Hoofstuk 1

 TRUDE

Gehaast loopt Trude het korte stukje van het zusterhuis naar het ziekenhuis. Ze heeft de kraag van haar jas omhooggeslagen, het is kil buiten en er valt een fijn motregentje.
In de schemering is ze het plantsoen al bijna weer uit als haar oog op de ineengedoken figuur op het houten bankje valt. Even houdt ze haar pas in, ze aarzelt, maar dan staat ze stil en doet een paar stappen terug.
Een man zit roerloos op de bank, wijdbeens, de ellebogen gesteund op zijn knieën, zijn hoofd in zijn handen. Hij lijkt het niet te merken dat zijn haar en jas nat zijn van de regen.
‘Meneer?’ vraagt ze, nog steeds op afstand van de stille figuur op het bankje. ‘Voelt u zich wel goed?’
Hij lijkt haar nu pas op te merken, hij richt zich op vanuit zijn gebogen houding. Trude heeft nog een paar passen in zijn richting gezet. Even kijken ze elkaar aan, dan ziet ze herkenning in zijn ogen.
‘Zuster Trude de Bruin!’ zegt hij, terwijl hij nu helemaal rechtop gaat zitten. ‘Hoe gaat het met u?’
Trude fronst haar wenkbrauwen, ze kent de man, maar wie is hij ook alweer?
Als hij opstaat en glimlacht, weet ze het weer.
‘Maarten! Ik bedoel, meneer Van Zon,’ verbetert ze zichzelf direct. ‘Dat is een poos geleden, hoe gaat het met u?’
Hij haalt kort zijn schouders op, zijn gezicht betrekt weer.
‘Mijn moeder is vanochtend vroeg overleden, hier in ditzelfde ziekenhuis, net als… toen. Ik was eigenlijk op weg naar huis, de koeien moeten gemolken worden hè? Maar opeens overviel de herinnering me aan die nacht van twee jaar geleden. Toen heb ik hier ook een poos gezeten.’
Ze knikt. Twee jaar alweer… Ze weet even niet wat ze verder moet zeggen.
Dan steekt ze haar hand naar hem uit. ‘Gecondoleerd,’ zegt ze, ‘was uw moeder lang ziek?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Nee, blindedarmontsteking, te lang mee doorgelopen.’
‘Ach…’ Ze laat zijn hand weer los. ‘Ik moet gaan,’ zegt ze dan, ‘mijn dienst begint zo.’
Hij knikt en steekt zijn handen in zijn zak. ‘Goede dienst!’
‘En u veel sterkte, ook voor uw vader.’
Hij knikt. ‘Dank u.’
Even kijken ze elkaar nog aan. Trude zou zo veel meer willen zeggen, ze voelt medelijden voor de man die zoveel verdriet en
eenzaamheid uitstraalt. Maar ze weet geen woorden. Het is weer precies zoals toen, toen ze zijn verloofde verpleegde, Cobie, die lieve en zachte jonge vrouw, die ze maanden begeleidde totdat Cobie langzaam de strijd tegen de ziekte verloor.
Als ze zich al heeft omgedraaid, hoort ze zijn stem weer.
‘Heb ik je ooit wel bedankt voor alles wat je voor Cobie hebt gedaan?’ Zijn stem klinkt schor en hij is haar opeens gaan tutoyeren. ‘Ze was echt ontzettend op je gesteld,’ gaat hij verder.
Ze haalt even haar schouders op, ze weet niet goed wat ze met deze woorden moet.
‘Het was gewoon mijn werk,’ zegt ze dan. Ze hoort zelf hoe bot dat klinkt, daarom zegt ze er snel achteraan: ‘En zo’n maandenlange verpleging geeft natuurlijk een band, zeker met iemand die zo lief was als uw verloofde.’
Hij knikt, weer glimlacht hij. ‘Ja, dat was ze zeker… lief!’ Hij steekt even zijn hand op als een korte groet en draait zich om. ‘Tot ziens!’
Dan loopt hij met grote stappen weg, het terrein van het ziekenhuis af.
Trude kijkt hem heel even na, de hemel wordt langzaam lichter, tijd om de nieuwe werkdag te beginnen.
Nadenkend loopt ze naar de ingang van het ziekenhuis. Onderweg naar haar afdeling op de tweede etage denkt ze na over de ontmoeting en komen de herinneringen weer boven aan Cobie, de jonge patiënte, die ze verzorgde in de periode dat ze op de tbc-afdeling werkte.
Cobie was een poosje opgenomen geweest, daarna mocht ze naar huis om buiten in een speciaal voor haar gemaakt tuinhuisje te kuren. Eigenlijk had ze naar Zwitserland gemoeten, naar de gezonde berglucht, maar daarvoor was geen geld, had Trude begrepen.
Na een paar maanden was ze weer terug in het ziekenhuis. Eerst leek ze wat op te knappen, maar na een aantal weken zagen ze haar achteruit gaan. Nog zes weken had het geduurd, zes weken waarin ze steeds zwakker en bleker werd. Toen was ze, toch nog onverwacht, gestorven.
Terwijl Trude haar kapje vaststeekt in haar haren en de rapporten van de nachtzuster doorneemt, dwingt ze zichzelf om aan iets anders te denken.
Nu ze op de kraamafdeling werkt, is haar werk meestal een stuk vrolijker.

Trude weet heel goed hoe patiënten en collega’s over haar denken en soms ook praten. Ze vinden haar een ‘harde’. En het klopt wel een beetje: ze kan niet tegen aanstellerij of kleinzerigheid, daarmee heeft ze geen geduld en dan kan ze soms best wat scherp uit de hoek komen.
Maar patiënten die echt pijn of verdriet hebben, kennen ook haar andere kant. In die gevallen is ze zacht en vol medeleven, dat weet ze ook van zichzelf. Haar hart gaat uit naar mensen die het moeilijk hebben. Zoals Cobie… Nu zijn haar gedachten toch weer bij de ontmoeting van zo-even.
Ze was er min of meer aan gewend geraakt dat sommige van haar patiënten die aan tuberculose leden, niet beter werden. Ze had steeds geprobeerd zich af te schermen tegen de emotionele kant van haar werk, dat was nodig om goed te kunnen blijven functioneren. En meestal lukte dat wel, maar niet altijd. Daar was het overlijden van Cobie een voorbeeld van.
Kwam het misschien omdat ze ongeveer van dezelfde leeftijd waren? Dat zal zeker meegespeeld hebben. Maar ook doordat ze de jonge vrouw zo bewonderd had. Altijd had ze belangstelling voor haar medepatiënten, en bijna altijd had ze een opgewekt praatje of een grapje paraat voor de zusters die haar verzorgden.
Intussen heeft ze geroutineerd Jan, een stevige baby, verschoond en hem bij zijn moeder op bed gelegd.
‘Kijk eens aan, een schone hongerige knul! Gaat het lukken met voeden of moet ik je helpen?’ vraagt ze.
‘Het lukt wel, maar ik ben nog steeds zo moe,’ zucht de jonge vrouw. ‘Misschien had ik toch beter voor flesvoeding kunnen
kiezen, dan had een van de zusters hem misschien die eerste voeding in de ochtend kunnen geven.’
Trude kijkt even op haar neer en slikt een scherp antwoord in.
‘Na het voeden kun je weer uitrusten hoor,’ zegt ze wat kortaf. ‘En ook de fles had je zelf moeten geven, daar hebben wij geen tijd voor, tenzij het echt nodig is. Wees blij dat je een gezond kind hebt!’ Dat laatste klinkt niet echt vriendelijk, ze hoort het zelf. Maar ze kan hier zo slecht tegen!
De vrouw die eergisteren tegelijk met deze moeder aan het bevallen was, heeft een levenloos kindje ter wereld gebracht. Zij zou er alles voor over gehad hebben om nu haar kindje aan de borst te krijgen. Maar zij ligt alleen op een kleine kamer, afgescheiden van de andere moeders, alleen met haar verdriet. Zonder baby, maar of ze wil of niet, wel steeds geconfronteerd met het geluid van huilende baby’s op de afdeling.
Als Trude even later die kleine kamer binnengaat, ligt er een warme glimlach op haar gezicht en is haar stem zacht.

Als Trude aan het eind van de middag weer van het ziekenhuis naar het zusterhuis loopt, is het droog en de zon komt even
tussen de wolken door.
Heerlijk, ze voelt opeens een beetje het voorjaar! In het plantsoentje lopen wat mensen en op het bankje zitten twee oude mensen.
Ze moet weer denken aan de ontmoeting van deze ochtend.
Meneer Van Zon, Maarten, de ernstige, maar altijd zorgzame verloofde van haar patiënte van toen.
Omdat Cobie vaak over hem sprak, noemde ook Trude hem in gedachten altijd Maarten. Ze herinnert zich dat ze hem in het begin maar een stijve, wat saaie man vond. Maar door de verhalen van Cobie had ze toch een ander beeld van hem gekregen.
Cobie noemde hem vaak haar rots in de branding, herinnert ze zich. Wat was het toch triest dat dat jonge leven, die mooie liefde, zo eindigen moest.
Maarten van Zon had deze ochtend iets eenzaams en verdrietigs uitgestraald. Maar dat was natuurlijk niet gek, nu juist zijn moeder was overleden. Dezelfde plaats, hetzelfde ziekenhuis… Dat had voor hem natuurlijk weer extra de herinneringen naar boven gebracht.
Als Trude de deur van haar kamer opendoet, haar jas ophangt en haar schoenen uitschopt, denkt ze niet langer over Maarten en Cobie.
Het is niet goed om stil te blijven staan bij het overlijden van patiënten. Als je dat wel doet, houd je dit werk niet vol.
Over Cobie heeft ze toen al veel te lang nagedacht, dat moet niet opnieuw beginnen.
Ze besluit om even een kop thee te drinken en dan een flinke wandeling te gaan maken. Heerlijk, voorjaar! De avonden worden weer langer en de bomen beginnen uit te lopen.
Het komende weekend is ze vrij, misschien moet ze zaterdag maar weer eens naar haar ouders gaan. Het is een flinke fietstocht, maar als het weer zo blijft, heel goed te doen.
Het moet er toch weer eens van komen.


>