Nieuwsbrief

Preview: Stilte voor de storm

Stilte voor de storm

Stilte voor de storm van Gerda van Wageningen is het tweede deel van de Vuurtorentrilogie. Hoofdpersoon Joppa van der Klooster weet wat ze wil, ook al is haar familie het niet met haar eens. Na de dood van haar vader begint ze een pension. De crisisjaren dertig maken het leven niet gemakkelijk, maar het toerisme is in opkomst. Joppa krijgt allerlei gasten over de vloer en een van hen maakt veel werk van haar. Maar is dat wel een goede keuze?

Stilte voor de storm van Gerda van Wageningen is het tweede deel van de Vuurtorentrilogie, waarin het eerste deel De dochter van de lichtwachter is en het derde deel Verduisterd licht.


Hoofdstuk 1

Klompen kletterden op het tuinpad. De achterdeur werd nogal hardhandig opengetrokken. ‘Joppa! Joppa!’
De jonge vrouw die net over de wastobbe gebogen stond om met een harde borstel en groene zeep de boorden van een mannenoverhemd schoon te boenen, keek vragend op. ‘Rustig maar! Waar is de brand?’ Ze wilde al grinniken, maar de uitdrukking op het gezicht van haar schoonzuster Betsy deed elk gegrinnik verdwijnen. ‘Wat is er?’ vroeg ze argeloos terwijl ze haar natte zeepsophanden haastig droogde aan haar schort en met een pijnlijk gebaar haar kromgebogen rug strekte.
‘Het is pa! Hij is niet goed geworden. Kom alsjeblieft meteen mee! Kobus is al om de dokter gestuurd.’
Zomaar van het ene moment op het andere was het zingen dat ze zo graag deed onder haar bezigheden opgehouden. Ze nam niet eens de tijd om het losgeraakte piekhaar weer netjes in haar knot te krijgen. ‘Maar…’ Hijgend en zonder antwoord te krijgen rende ze achter Betsy aan naar de boerderij van de familie Van der Klooster, een stuk verderop, gelegen net buiten het dorp Haamstede, op de plek waar de poldergrond overging in de zanderige grond van het duingebied op de kop van Schouwen-Duiveland.
Haar adem kwam zo snel dat ze het onder alle andere omstandigheden angstig zou hebben gevonden. Haar hart bonsde zo hard dat het leek alsof haar oren niets anders meer hoorden dan die snelle mokerslagen. Ze moest heel even de pas inhouden om adem te krijgen.
Betsy rende al verder. Joppa haalde hortend adem. Na een diepe ademteug kletterden ook haar eigen klompen weer in rap tempo over de klinkerweg en even later over het zanderige pad de duinen in. Ze zweette over haar hele lijf toen ze eindelijk het erf op rende van de boerderij van de familie, waar haar broer Korstiaan over een roerloze gestalte gebogen stond die midden op het erf lag.
Joppa bleef geschokt staan. ‘Pa?’ De vraag kwam zo aarzelend omdat ze die eigenlijk niet eens durfde te stellen.
Korstiaan keek verslagen op. ‘Hij zakte zomaar in elkaar. Hij zei nog een paar dingen die we niet konden verstaan. Wartaal.’ De ogen van haar halfbroer waren groot. Zijn wangen waren nat van tranen. ‘Hij ademt nog wel, maar verder… We krijgen hem niet wakker.’
Ze knielde bij de oudere man. Zijn mond hing scheef. Zijn gezicht zag rood, misschien zelfs een beetje blauwig. Bijna op hetzelfde moment hoorde ze de motor van de dokter, die met een bulderend geluid het erf op stoof en nauwelijks de tijd nam om het gas uit te zetten. ‘Weg, weg, laat mij kijken.’
Het duurde een eeuwigheid en tegelijkertijd maar een seconde. Tijd was een gek ding, als het er in het leven om spande. ‘Een beroerte, zo goed als zeker. We leggen hem in de bedstee en als ik denk dat het nog zin heeft , laat ik jullie vader met de
ambulance naar Noordgouwe brengen.’
Daar was het ziekenhuis. Maar de oude Cente van der Klooster had zijn ogen dicht, reageerde nergens op, en het gezicht van de dokter sprak boekdelen. Hier was nog maar weinig hoop, begrepen alle anderen. Joppa hijgde nog steeds, maar nu ook van pure angst. Kobus kwam nu met zijn fiets het erf op scheuren, hij had zijn vrouw meegenomen. Ook Maatje boog zich even later geschokt over het roerloze lichaam van haar vader. Kobus, Korstiaan en de dokter schoven het lichaam van de bewusteloze man even later op een haastig uit de sponning getilde staldeur en droegen hem de kamer in om hem daar in de bedstee te leggen waarin hij ooit, jaren geleden alweer, had geslapen toen hij hier de boer was en waarin hij ooit, nog weer veel langer geleden, was geboren. Daarna onderzocht de dokter de man nog een keer, grondiger. ‘Even aankijken, dat is alles wat er kan worden gedaan,’ bromde hij ten slotte nogal
binnensmonds. ‘Ik ben bang dat…’
De dokter keerde zich om en keek recht in de verbijsterde gezichten van de kinderen en schoonkinderen van de patiënt in de bedstee. ‘Ik kan jullie niet veel hoop geven.’ Zijn gezicht stond ook verslagen. Het was altijd een schok als een mens, weliswaar niet de jongste meer maar toch gezond en altijd bezig, zomaar ineens veranderde in een kwetsbaar iemand die zweefde op de rand van leven en dood.
‘Gaat hij dood?’ Het was de jongste van hen allemaal, Joppa, die de vraag stelde die niemand anders durfde te stellen.
De dokter trok een stoel naar zich toe en zocht even naar woorden. ‘In sommige gevallen is dat het beste, Joppa. Je vader is geen man voor een leven als verlamde man, afhankelijk in alles, en dat zou waarschijnlijk gebeuren als hij toch weer bij bewustzijn zou komen en zou blijven leven.’
Na deze woorden wist niemand minutenlang wat te zeggen. Ten slotte schraapte de dokter zijn keel. ‘Jullie moeten je maar voorbereiden op het ergste, en ik kan het slechts als schrale troost zeggen: soms komt de dood als een verlossing. Soms kan moeten doorleven erger zijn dan de dood.’

Drie dagen duurde het nog. Dagen waarin Joppa, afgewisseld door haar halfzus Maatje en Betsy, haar halfschoonzuster, of hoe noemde je dat eigenlijk, over de oude Cente van der Klooster waakten. Dagen waarin hij zijn gesloten ogen niet meer opende, dagen waarin ze zich moesten neerleggen bij het onvermijdelijk naderende en zo plotselinge einde van de oudere man. Ze waren er allemaal bij toen de laatste adem kwam. Verbijsterd door het onverwachte, opgelucht dat hun vader of schoonvader niet nodeloos hoefde te lijden, want kennelijk had hij geen pijn meer gevoeld.
Toen het zover was, kwam de dokter opnieuw om de dood vast te stellen. Omdat het lichaam van hun vader nog steeds in de boerderij lag, besloot Korstiaan dat hij dan ook maar begraven moest worden vanuit de boerderij waar hij ruim vijfenzestig jaar geleden was geboren, waar hij was opgegroeid en waar ook zijn kinderen waren opgegroeid, voor hij met zijn tweede vrouw naar het dorp was verhuisd toen zijn zoon Korstiaan trouwde en hem uiteindelijk was opgevolgd als boer. De kleinkinderen hadden allemaal, soms nogal angstig, soms stil, afscheid genomen van hun grootvader. Lies, Cente en Th ijs, de drie kinderen van Betsy en Korstiaan, Mia en Coba, de dochters van Maatje en Kobus. Zelf was Joppa ongetrouwd gebleven. Ze had de afgelopen nachten over haar vader gewaakt en op de boerderij geslapen. Maar nu lag het lichaam van haar vader onder een wit laken in de bedstee waarin hij was gestorven en Kobus zou de kistenmaker en de aanzegger gaan waarschuwen.
Korstiaan bracht haar twee uur later terug naar het huis aan de rand van het dorp dat ze met haar vader had gedeeld en waar ze dus voortaan alleen zou wonen. Ze aarzelde toen ze er eenmaal waren. De stilte in huis was overweldigend en maakte haar ineens erg onzeker. In de schuur aan de achterkant van het huis stond de wastobbe nog steeds met het afgekoelde sop erin, het overhemd van haar vader met het schoongeboende boord hing nog half in de wringer. Kors pakte een stoel in de grote keuken en knikte. Joppa ging gehoorzaam tegenover hem zitten. ‘We moeten het binnenkort over jou hebben,’ bromde hij. ‘Wat ga jij voortaan doen? Je hebt jarenlang gezorgd, eerst voor je moeder en toen die was gestorven de laatste vijf jaar voor pa.’
‘Jij betaalde de huur.’
‘Zo lag het niet. Pa was nog steeds eigenaar van de grond van de boerderij. Ik pachtte die van hem en van de pacht leefden jullie,’ verzuchtte Korstiaan. ‘Nu hij er niet meer is, zal de erfenis moeten worden verdeeld onder ons drieën, Joppa. Misschien kun je het redden van jouw erfdeel, misschien ook niet.’
Zijn woorden hingen zwaar in de lucht. Dat zou waarschijnlijk niet lukken, beseft e ze, en dat was een nieuwe schok. Haar toekomst was ineens totaal onzeker, nu haar vader zo onverwacht gestorven was. In betrekking gewerkt had ze nooit. Ze had, zoals Kors zei, voor haar beide ouders gezorgd. Haar moeder was eerst alleen maar lui geweest en later nogal ziekelijk, misschien omdat ze veel te dik was geworden, misschien omdat ze na jaren van nooit meer iets doen behalve het hoogstnoodzakelijke, suikerziekte had gekregen en toch was blijven snoepen zoals ze altijd gewend was geweest. Natuurlijk, ruim tien jaar geleden was de insuline ontdekt en sindsdien konden mensen die suikerziekte kregen dat overleven, omdat de wijkzuster dan twee keer per dag langskwam om een injectie met die insuline te geven, maar wie maar raak bleef eten en snoepen, ging er ten slotte nog steeds aan dood. Haar vader daarentegen was altijd gezond geweest, een sterke en nog steeds vitale man, hij had altijd meegeholpen op de boerderij van zijn zoon. En nu ineens was dat allemaal anders.
‘Denk er rustig over na,’ dacht Korstiaan terwijl hij alweer opstond. ‘Haast heeft het niet. De notaris moet alles verdelen. Als je wilt, kun je de grond die jij erft aan mij verkopen. Dan heb je geld om voorlopig van te kunnen leven en voor de boerderij is het beter als ik de grond bij elkaar kan houden. Ik zal dat Kobus ook voorstellen. Jammer dat je nooit getrouwd bent, Joppa. Elke vrouw heeft een man nodig die voor haar zorgt en die dergelijke beslissingen voor haar kan nemen.’
Ze schokschouderde. ‘Is dit niet het lot van zovele jongste dochters? Zorgen voor je ouders tot ze er niet meer zijn, om dan te ontdekken dat je te oud bent geworden voor alle andere dingen.’
‘Dat hoeft niet,’ probeerde Korstiaan tevergeefs te troosten.
‘Laat maar,’ somberde ze. ‘Ik zal inderdaad nadenken. Misschien kan ik ergens werk vinden als huishoudster of zo.’ Ze moest zuchten van dat idee alleen al.
‘Misschien,’ knikte Kors. ‘Ik zal er in ieder geval de komende tijd voor zorgen dat de huur wordt betaald. Haast heeft het niet.’
Toen hij vertrokken was, keek ze om zich heen. Ze wilde hier helemaal niet weg, beseft e ze, en een plotseling gevoel van hartstocht overviel haar. Het was een leuk huis, hier aan de rand van het dorp. Het was haar thuis! Er lag een flinke lap grond omheen. Voor het huis had ze een mooie tuin aangelegd en een grindpad liep tot aan de voordeur en ook om het huis heen naar de keukendeur achter. Aan de achterkant van het huis had ze een moestuin die bijna alles leverde wat ze nodig had, met de schuur waarin ze de was had gedaan en waar ze haar fiets opborg en waar ook een kast met gevulde weckflessen stond. Eveneens was er een met bomen omringd grasveld en zelfs een kippenhok, waaruit een vrolijk gekakel haar tegemoetkwam.
Het was best goede grond, die ze hier had. Als ze meer geld had gehad, zou ze het huis graag zelf kopen, maar het zou waarschijnlijk wel meer dan duizend gulden moeten kosten en dat was heel veel geld. Als ze de grond die ze nu zou erven aan Kors zou verkopen, zou dat dan misschien voldoende zijn om het huis te kopen? En zou de man van wie haar vader het huis huurde, het eigenlijk wel willen verkopen? Zijn zaken gingen niet zo best. Dat wist ze. In een klein dorp als Haamstede bleef immers niet zo heel veel verborgen. Het was bovendien crisistijd. Veel mensen leden armoe. Veel mannen waren werkloos. Kobus had de laatste jaren gewerkt bij de aanleg van het nieuwe vliegveld, dat ten noorden van hun dorp moest komen. Zelfs Korstiaan kon niet langer een vaste knecht in dienst houden, nu de tijden zo slecht waren geworden. Maar ze beseft e één ding duidelijk: ze wilde het liefst hier blijven wonen. En ze had er totaal geen zin in om in een vreemd huis naar de pijpen te moeten gaan dansen van een vreemde man en vrouw, waar ze dan als huishoudster moest gaan dienen. Ze was er niet geschikt voor om te doen wat een ander haar opdroeg, dat wist ze zeker.
Ze wilde onafhankelijk zijn. Trouwen? Ach, dat had ze nooit eerder overwogen. Ze was thuis nodig geweest. En ze was heus weleens verliefd geweest, maar dat was op niets uitgelopen.
Kors had gelijk. Ze moest eerst maar eens goed nadenken. Overhaaste beslissingen waren zelden de beste!

Het was druk op de begraafplaats, die middag toen Cente van der Klooster naar zijn laatste rustplaats werd gebracht en begraven werd in het stukje grond waar zijn beide reeds eerder overleden echtgenotes al voor eeuwig rustten. Toen de kist in de grond zakte, voelde Joppa een verraderlijke prop in haar keel en erger nog, tegelijkertijd werd ze overvallen door een enorm gevoel van vrijheid. O, ze had met liefde voor haar vader gezorgd, maar hij was niet altijd de gemakkelijkste geweest. En één gedachte overheerste alle andere: vanaf vandaag kon ze zelf bepalen wat ze wilde doen met haar leven. Ze zou er de tijd voor nemen om dat allemaal goed uit te denken en te overwegen.
Joppa schudde eindeloos veel handen. Ze stond naast haar halfbroer Korstiaan en zijn vrouw Betsy, daarnaast stonden haar halfzuster Maatje en haar man Kobus van Galen, toen zijzelf en daarna nog de kleinkinderen. Twee zoons en een dochter van Kors, en de twee dochters van Maatje. Zijzelf was het enige kind gebleven uit haar vaders tweede huwelijk. Onder de drukte door deed ze haar best niets van de verwarrende gevoelens te laten blijken die haar dreigden te overweldigen. Verdriet en opluchting die vanbinnen beurtelings om voorrang streden. Straks zouden ze allemaal naar de boerderij teruggaan om daar met elkaar te eten. Pas over een poosje zou de steen geplaatst worden op het graf. En ze had een ingeving gekregen, vannacht toen ze een tijd wakker had gelegen, over hoe ze de komende tijd misschien het hoofd boven water kon houden, zonder dat ze haar huis uit zou moeten. Al wist ze nu al dat Korstiaan niets in die plannen zou zien! Maar het moest maar, want ze wist niets beters te verzinnen.
Tot de laatste gasten die hen sterkte kwamen wensen, behoorden de ouders en de tante van haar schoonzuster. De oude lichtwachter werkte niet langer op de vuurtoren en genoot inmiddels van zijn rust. Het geld waar hij nu van leefde moest worden opgebracht door zijn kinderen. In zijn plaats was, wonder boven wonder, de man van zijn oudste dochter Annie tot opvolger benoemd. Job Vlaander woonde met zijn vrouw en hun zes kinderen in het huisje dat vroeger aan zijn schoonvader had toebehoord en zijn schoonouders woonden sindsdien in een piepklein huisje vlak bij de boerderij van Kors. Betsy zorgde voor haar ouders, nu die bejaard geworden waren. Maar de oude vuurtorenwachter, het bloed kroop kennelijk waar het niet gaan kon, fi etste wekelijks nog wel een of twee keer naar zijn oude werkplek, en vaak ging zijn jongste kleinzoon Th ijs dan met hem mee. Al werd het de oude man te veel om helemaal naar boven te gaan, een enkele keer waagde hij het er toch op en met een paar keer rusten onderweg zat hij dan een paar uur boven om naar de vogels te kijken. Veel vogels lieten overigens het leven, als ze tegen de vuurtoren op vlogen en dat niet overleefden. Vooral tijdens de schemering kwamen vogels gemakkelijk op het licht af. De oude De Feiter verzamelde die dan, soms wilde iemand een bijzondere vogel opzetten, en hij gaf door welke vogels er werden gezien, en vooral ook welke soorten en hoeveel ervan hij dood op de grond had aangetroffen. Die natuurmensen waren gekke mensen, vond Joppa diep in haar hart, maar het feit dat ze sinds een paar jaar zo nu en dan in de streek opdoken in de zomermaanden, hielp haar enorm bij haar plannen. Ze wilde namelijk een pension beginnen, al zei ze dat nog tegen niemand. Dat kwam nog wel, bedacht ze met een onverwachte glimlach om haar lippen. Tijden veranderden! En zeker de afgelopen jaren waren niet gemakkelijk geweest, voor niemand.
Eindelijk was de eindeloze rij mensen opgedroogd en waren ze onder elkaar op de boerderij. Ze zwegen. Hoewel er niets werd gezegd, niet door haar, niet door de anderen, tolden de gedachten in volle vaart door haar hoofd. Korstiaan schonk een borrel in voor de mannen en Betsy schonk zelfgemaakte advocaat in glaasjes voor de vrouwen. De kinderen moesten het vanzelfsprekend met ranja doen. Ze praatten na over hun vader en schoonvader. Een halfuurtje later haalde Betsy een schaal met klaargemaakte broodjes en met boter en suiker besmeerde krentenbollen uit de kelder en maakte Maatje de pan met soep warm. De hele familie schoof om de grote eettafel in de boerenkeuken en nu was er maar weinig ruimte over. Het geklets laaide weer op. Joppa keek er eens rustig naar. Ze at haar soep op en een broodje met kaas. De krentenbol liet ze staan, of misschien nam ze die nog wel mee naar huis voor later vandaag. Nu zat ze te vol, te vol met emoties, te vol met gedachten, sommige vrolijk en sommige juist niet.
‘Je bent stil,’ dacht Maatje hardop.
Korstiaan knikte. ‘Ja, en jij bent nu onze grootste zorg, Joppa. Want wat moet je nu alleen in het huis van pa?’
‘Voorlopig wil ik er blijven,’ haastte ze zich te zeggen, voor haar broer zich geroepen zou voelen om beslissingen te nemen over haar toekomst. Iets wat ze tot elke prijs in eigen hand wilde houden! ‘Laten we eerst maar eens afwachten wat de bezittingen van pa waard zijn en hoe die moeten worden verdeeld.’ Kors knikte met enige tegenzin.
Kobus schoof onrustig heen en weer. ‘Ik wil ons erfdeel wel aan jou verkopen, Kors. Daar hebben we het immers al eens over gehad.’
De oudste van de kinderen Van der Klooster knikte. ‘Dat is fijn, Kobus. Het is al moeilijk genoeg om in deze crisistijd het hoofd boven water te houden en genoeg aan de boerderij te verdienen om mijn gezin te onderhouden. De laatste jaren waren zwaar. Niet alleen voor ons.’
Hij had dus pacht aan pa betaald en daar hadden zij en haar vader van geleefd, wist Joppa. Kors zou het nu gemakkelijker krijgen, maar hij had gelijk. De afgelopen jaren waren voor heel veel mensen zwaar geweest. Hij had zelfs zijn zwager Kobus, die toen al jaren de vaste knecht op de boerderij was, een paar jaar geleden moeten ontslaan, en gelukkig voor de familie kon Kobus toen meteen ander werk krijgen omdat juist in die tijd het vliegveld aangelegd werd.
Zes jaar geleden, in 1929, hadden ze voor het eerst van de plannen gehoord die een paar welgestelde heren maakten om ten noorden van Haamstede een stuk hobbelig duinterrein dat schaars was begroeid en zelfs overging in kale duingrond, de plaats die bij hen bekendstond als de Buitenpolder, deels geschikt te maken voor het opstijgen en landen van vliegtuigen. Een paar jaar daarvoor, halverwege de jaren twintig, waren er een paar welgestelde mensen uit de stad naar het eiland gekomen die daar een villa of zomerhuis hadden laten bouwen, en een van hen was nogal in de ban geweest van vliegtuigen. Er ontstond na de Grote Oorlog een heuse vliegtuigindustrie. Een jaar na de oorlog was de KLM opgericht, weer even later werd er voor het eerst naar Londen gevlogen. Rijke mannen waren er soms gek mee. Er kwam een paar jaar later grond te koop in de Buitenpolder en zo was het allemaal begonnen. Kobus behoorde tot de eerste mensen die blij waren dat er een einde kwam aan hun werkloosheid, veroorzaakt door de crisis. Dat alles was gekomen door de Zwarte Donderdag in oktober 1929. Ze wist niet precies wat dat was geweest, alleen dat het verschrikkelijk was en dat het grote gevolgen had, vooral voor gewone werkmensen. De werkloosheid was sindsdien hand over hand toegenomen.
In het begin was dat vliegveld niet meer dan een tamelijk vlakke lap grond die eerst met een frees werd bewerkt met de bedoeling er landbouwgrond van te maken, en rijkelui uit de stad kregen toen grote dromen over een vliegveld en het in cultuur brengen van de omringende landbouwgronden, zodat snel vervoer van groenten en fruit van hun streek mogelijk zou worden, zelfs naar wereldsteden als Londen of Parijs. Veel behoudende boeren uit de streek hadden toen al wijselijk hun hoofden geschud, maar rijkelui dachten altijd dat ze het beter wisten, en wie geld had, had nu eenmaal ook invloed. Een jaar na de crisis, Kobus was er zelf bij geweest, hadden ze toegekeken hoe de burgemeester van hun dorp, omringd door enkele hoge en deftig geklede heren, op een fraaie oktoberdag eigenhandig de eerste spa in de grond had gestoken. Kobus was er gelukkig mee dat hij daar op het vliegveld nog steeds werk had, en Korstiaan was opgelucht omdat hij op het loon van zijn knecht kon besparen toen zijn oudste zoon, vanzelfsprekend vernoemd naar zijn grootvader, van school kwam en dus net als de meeste andere jongens van twaalf jaar, moest gaan werken. Inmiddels was Cente ervan overtuigd dat hij net als zijn vader boer zou worden. Kors was blij een opvolger te hebben, maar het kon de laatste tijd ook aardig knetteren tussen vader en zoon vanwege verschillende inzichten over het rendabel houden van de boerderij.
Zelfs toen de eerste vliegtuigen landden en het gloednieuwe vliegveld al snel in zwaar weer kwam te verkeren, bleef Kobus er werken, tot opluchting van Kors. En haar eigen plannen… Joppa was er heel erg zeker van dat haar broer het er totaal niet mee eens zou zijn. Maar ze was met de dag vastbeslotener geworden om voor het eerst in haar leven haar eigen zin door te zetten. En waarom ook niet? Ze was niet getrouwd omdat ze voor haar ouders had moeten zorgen. Nu was ze eenendertig, het was niet erg waarschijnlijk dat ze alsnog een man zou vinden en ze was er ook niet zeker van of ze dat wel wilde, dus de beslissingen die ze nu nam of juist niet, zouden bepalend zijn voor de rest van haar leven, en ze wist één ding heel zeker: dat zou eruit gaan zien zoals zij dat wilde, niet zoals een ander dat voor haar bepaalde.
Het was al schemerig toen ze met Maatje en haar gezin terugliep naar het dorp. Kobus bracht haar tot bij de deur en niet veel later sloot ze die met een gevoel van opluchting achter zich. Ze was alleen. Eindelijk! Ze ging zitten en schonk zich een glas bier in. Eindelijk geen afkeurende blikken. Ze hield van bier, maar het leverde altijd afkeurende gezichten op als anderen dat zagen. Vrouwen hoorden geen bier te drinken! Vrouwen hoorden geen kortgeknipt haar te hebben, zoals zij graag wilde. Vrouwen hoorden al helemaal geen sigaretten te roken. En zij deed lekker alles wat eigenlijk verboden was. Joppa nam een ferme slok, leunde behaaglijk achterover en stak een sigaret op.
Ziezo. Vanaf nu zou haar leven er heel anders uit gaan zien!


>