Nieuwsbrief

Winterverhaal: Wintervacht – Anja Janssen

Amelie besluit een bezoekje te brengen aan een rendierenfarm in Noorwegen die goedkope rendierenvachten verkoopt, de perfecte aanwinst voor haar boetiek Zilver & Vacht. Maar op de route ernaartoe komt ze met haar camper vast te zitten in de sneeuw. Gelukkig rijdt de norse Noor Ivar, de eigenaar van de rendierenfarm, haar tegemoet en bevrijdt haar. Door de aanhoudende sneeuwval zit er niets anders op dan bij hem overnachten. ’s Nachts gaat een rendier in bevalling en zal zij Ivar moeten assisteren om het kleintje ter wereld te brengen. Wanneer ’s ochtends de zon opkomt, ziet ze hem in een heel ander daglicht dan de vorige dag. Niet alleen de eerste tekenen van de naderende lente bloeien op, maar nog veel meer.


Het plan was simpel. Eerst naar de groothandel in het Noorse Bergen om een flinke partij schapenvachten te scoren die in Nederland niet te krijgen zijn. Dan nog driehonderd kilometer noordwaarts tuffen om kwalitatieve maar toch spotgoedkope rendierhuiden te scoren bij een authentieke rendierenfarm. Hun schattige winkel met handgemaakte producten, waaronder prachtige zilveren sieraden, heb ik bij toeval op internet gevonden en voorspelde dat ik vast wel een paar unieke hebbedingen met viraal-potentie kon scoren. En dan zou ik als een speer met mijn bestelbus annex camper annex verkooptruck afzakken naar Utrecht, zodat ik nog net voordat de grote inkoop voor de feestdagen begon de nieuwe voorraad op mijn website Zilver & Vacht kon knallen.
Ik start de bus en rijd weg. Het geluid van de wielen die zonder grip in de sneeuw spinnen, waarschuwt me gierend dat ik maar beter kan stoppen met het gaspedaal tot op de plaat in te trappen. Dit heeft geen enkele zin. Ik draai de sleutel om in het contact en de stilte overvalt me direct als ook de verwarming ermee stopt.
Met een klap op het stuur schreeuw ik mijn omgebouwde Ford Transit toe hoe hij het in vredesnaam in zijn koplamp haalt mij zo in de steek te laten. De oorzaak: lieflijke sneeuwvlokken die al snel veranderden in een gevaarlijke sneeuwstorm en een vos die besloot midden op de spekgladde weg stil te blijven staan. Het stomme beest heeft zeker achteraan gestaan toen de hersencellen werden uitgedeeld! Ik gaf in een reflex een ruk aan het stuur en zwiep, de bus schoof zo de berm in. Nog een geluk dat hij niet op zijn kop is terechtgekomen. Ik tuur door het besneeuwde voorraam. Een winterlandschap bedekt met een wit tapijt van glittersneeuw strekt zich voor de motorkap uit. Dikke vlokken dansen als pluisbloempjes in de wind. De loodgrijze lucht voorspelt dat er nog veel meer gaan vallen de komende uren.
De kou sluipt al snel de bus binnen. Ik vouw mijn handen samen en blaas wat warmte in het holletje dat ze vormen, mijn adem wolkt als dichte mist om mijn vingers. Zonder verwarming haal ik de morgen niet. Ik gluur over mijn schouder naar het bed met daarop de stapel schapenvachten. Eerst zien of ik iemand kan bereiken, want het idee hier dagen door te moeten brengen in een holletje van vacht tot ik ingesneeuwd raak en een of andere local me in de lente vindt, verhongerd, verkleumd en eenzaam gestorven, is niet hoe ik me deze trip had voorgesteld.
Met een grom ruk ik de kaart van de bijrijdersstoel. Het nadeel van weidse landschappen is het gebrek aan bereik en dus ook Google Maps. Ik druk mijn vinger op de denkbeeldige ‘u bevindt zich hier’-plek en schat de afstand in. Allemachtig, echt in niemandsland, geen stip van een dorpje te bekennen. Ik volg de lijn naar het kruisje dat ik erop heb getekend. Volgens mij ben ik nog maar een paar kilometer verwijderd van de rendierenfarm. Ik blik nog een keer naar buiten. Hoe beloopbaar de afstand op de kaart ook lijkt, in dit weer wordt het een eeuwigheid banjeren door de sneeuw met verhoogde kans op bevroren vingers en tenen.
Zuchtend scrol ik door de historie van gebelde nummers en tik op het buitenlandse nummer dat ik vanochtend heb gebeld, maar mijn telefoon is in diepe winterslaap. Shit. Zelfs het telefoonnetwerk heeft het af laten weten. Ook dat nog.

Er kraakt iets. Zijn het mijn vingers… of nog erger, is het mijn neus? Het geluid versterkt. Een harde bons rukt me uit de warme grot die ik met de vachten heb gecreëerd. O help, dit is helemaal niet grappig! Wat als het een losgeslagen rendier is… of nee, nog erger… een beer. Wonen er eigenlijk beren in Noorwegen? Shit. Misschien had ik beter kunnen opletten tijdens de aardrijkskundelessen op de havo. Nee, beren hebben een winterslaap. Maar misschien de Noorse niet?
‘Hallo?’ Een zware mannenstem laat het dreunen op metaal even stoppen.
Loom klim ik uit bed, het lijkt wel alsof mijn ledematen in beton zijn gegoten. Ik trek een vacht dichter om me heen en vloekend door de bijtende kou ploeter ik naar voren. ‘Wie is daar?’
Een rode want veegt over de besneeuwde ruit naast het stuur, oogrimpels plooien zich naast de twee ijsblauwe ogen die door de nauwe opening naar binnen kijken. ‘Openmaken?’ roept hij in gebrekkig Engels. De lange man met een muts tot bijna over zijn ogen geeft nog een keer een klap tegen de deur.
Nou, makker, dat zorgt voor nog meer vrieskou en ik zit al zowat vastgevroren aan de vloer. Daarbij komt dat je wel een of andere seriemoordenaar kunt zijn op zoek naar zijn volgende slachtoffer en een half verkleumd iemand overmeestert gemakkelijk, ik kan me zo al nauwelijks bewegen.
‘Krijg je hem nog open?’ Hij rammelt aan de klink, maar de deur lijkt vastgevroren, want er kraakt wel iets, maar er komt geen enkele beweging in.
Een paniekgolf schiet door mijn lijf. Het idee om vast te zitten in de bus als een ingevroren sardientje in blik bezorgt me genoeg adrenaline om direct in actie te komen. Seriemoordenaars kloppen niet en vragen zeker niet eerst om open te doen voordat ze je koelbloedig gaan vermoorden. Ik werp de vacht van me af, klauter over de stoel naar de deur en begin ertegen te trappen. De man die ik in twee seconden promoveer van seriemoordenaar tot redder helpt me door aan de deur te sjorren. Bij de vierde trap kraakt de deur gevaarlijk als de eerste voetstappen op een dun laagje ijs en bij de volgende uithaal schiet hij met een zwaai open.
‘Jah zo,’ zegt mijn redder met een zwaar Noors accent en hij helpt me naar buiten.
Was de kou binnen al bijna niet te verdragen, hier buiten beneemt het me de adem alsof er een ijskoude zeis door mijn dunne kleren snijdt. ‘Holy shit!’ In een reflex sla ik mijn armen om mijn lijf. Ik blik over mijn schouder naar de vachten. In het moment van twijfel pakt mijn redder mijn arm vast en trekt me naar zich toe. Ik geef hem een schop en schiet terug naar de bus. Als twee grote handen mijn heupen omsluiten, besef ik dat ik geen schijn van kans heb. Ik strek mijn arm uit naar mijn telefoon en weet hem van de console te grissen, voordat ik word weggetrokken van de bestuurdersstoel en de deur met een klap achter me wordt dichtgesmeten. Het volgende moment zwiepen mijn benen in de lucht. Ik roep nog iets van ‘Hé, niet doen’, maar zonder acht te slaan op mijn pogingen om los te komen uit zijn sterke armen, ploegt hij naar de tractor aan de overkant van de weg. Het gevaarte, vaalrood met roestplekken, heeft een sneeuwploeg aan de voorkant, handig op dit soort wegen, maar ondanks mijn verkleumde toestand zweet ik peentjes bij de gedachte de rest van de nacht te moeten doorbrengen in dit gevaarte met die norse Noor aan mijn zijde.
Hij tilt me in de cabine alsof ik een sneeuwvlokje ben en wanneer hij er na mij in klimt, blokkeert hij met zijn grove lichaam de enige ontsnappingsroute. Naast zijn ogen verschijnen weer rimpels. ‘Goed?’
Ik knik. Het is maar wat je onder goed verstaat natuurlijk, maar ik wil voorkomen dat die grote handen me nog een keer vastpakken. Hij heeft al meer gevoeld dan een eerste Tinderdate.
Lage temperatuur neutraliseert meestal alle geuren, maar nu ik zo met hem in deze kleine ruimte zit, dringt zijn geur zich aan me op. Natte wol, leer en een hint van stro, of is het aftershave?
Hij kijkt mijn kant op en werpt me een jongensachtige grijns toe voordat hij de sleutel in het contact omdraait. De sfeer in de cabine verandert naar gespannen, maar wordt plots doorbroken door een aanzwellend geronk. Bulderend komt de tractor tot leven.
‘Wacht! De bus, ik moet hem nog op slot doen!’ protesteer ik nog, maar hij wuift mijn woorden weg.
‘Nah,’ zegt hij hoofdschuddend.
Met een ruk komt de tractor hortend en stotend in beweging en met beide handen moet ik houvast zoeken om niet als een bal in een flipperkast overal tegenaan te beuken.
‘Niet nodig,’ mompelt hij. Met een gemak draait hij de tractor honderdtachtig graden, positioneert hem midden op de weg met de ploeg op de sneeuw, en meerdert vaart. Het landschap verdwijnt achter een witte fontein. Ik kan alleen maar hopen dat de rit een bestemming heeft en dat hij niet net aan zijn avonddienst is begonnen van een kilometertje of tig om de wegen sneeuwvrij te maken.

Tot mijn opluchting duurt de rit niet al te lang. Mijn redder heeft zojuist de ploeg van de weg gehaald en langzaam komt het zicht terug. We naderen een boerderij gemaakt van dikke boomstammen. Het huis, verpakt in glinsterende ijspegels, ziet er knus en vredig uit. Naast het huis staat een grote schuur in de typisch dieprode kleur die alle huizen hier hebben, de stijlen afgezet met wit.
Mijn aandacht wordt getrokken door het bord op de zijwand: Reindrift Haugan & Moen. ‘De rendierenfarm,’ fluister ik.
‘Ja, daar.’ Behendig alsof het een Polo is, parkeert hij de tractor zo dicht mogelijk bij het huis. Als hij de deur van de cabine open zwiept, beneemt een ijzige windvlaag me de adem. Zo snel als ik kan klauter ik naar de uitgang, maar zodra hij me ziet, pakt hij mijn middel vast en tilt me weer in zijn armen. Deze gast heeft iets te veel Disney gekeken, denk ik wrang. De wind die hier raast is zo koud dat ik bijna niet durf te knipperen uit angst dat mijn oogleden vast vriezen. Na een paar stevige stappen knerpend in het dikke pak sneeuw zet hij me uiterst galant net voor de deur neer, opent hem en gebaart vriendelijk doch dringend dat ik naar binnen moet gaan.
Als ik het bedompte, donkere halletje in loop, komt hij stampend met zijn maat vijfenveertig snowboots achter me aan gelopen. Bij de deur blijf ik staan en draai me om. Zijn dikke kleding geeft hem de omvang van een Noorse beer. Ik kijk toe hoe hij laagje voor laagje afpelt, zijn met rendierbont gevulde boots uitdoet en ten slotte zijn muts aftrekt om door zijn dikke, lichtbruine haar te woelen. Eindelijk kan ik hem zien. Zijn gelaatstrekken hebben iets primitiefs: een vierkant gezicht met volle jukbeenderen, een flinke lading sproetjes rond een krachtige neus en de scherpe contouren van zijn door de kou gebarsten lippen. Een trage glimlach verschijnt op zijn gezicht. ‘Ivar,’ zegt hij met een diepe basstem en hij steekt zijn hand naar me uit.
‘Amelie.’ Mijn stem klinkt zacht en een tikkeltje schor. ‘Uit Nederland.’ Worstelend met mijn mouw probeer ik mijn wollen trenchcoat uit te trekken nu de kou is buitengesloten en de warmte me als een behaaglijke deken omringt.
‘Zilver en Vacht?’ Hij trekt zijn dikke wenkbrauw op.
‘Inderdaad. Hoe weet…’ Mijn mond glijdt in een glimlach. ‘Het telefoontje van vanochtend.’
‘Het duurde nogal lang en ik maakte me zorgen.’
‘Wat attent,’ zeg ik verbaasd. ‘Zul je in Nederland niet meemaken.’
‘Het is nog een wonder dat je zover bent gekomen.’
‘Het was een behoorlijk avontuur.’ Ik schokschouder. ‘Trouwens, nog bedankt. Voor de hulp… of redding eigenlijk.’
‘Ja. Dit weer is dodelijk.’ Zijn blik glijdt over mijn lichaam, traag, alsof hij van een mok warme chocomel met slagroom nipt.
Mijn wangen beginnen te gloeien onder zijn keurende blik en ik zie hem worstelen een lach binnen te houden. Nu pas besef ik hoe misplaatst mijn kleding is. De dunne, zwarte col, beige colbert, zwarte pantalon en laarzen met verfijnde hakjes, verdomme, de reden natuurlijk dat hij me steeds droeg… Mijn outfit is gemaakt voor een zaken-tripje naar de stad, niet voor een bezoek aan een rendierenfarm in het ruige en besneeuwde Noorwegen. Ik maak gebruik van het moment en neem hem net zo onbeschaamd op. Zijn verschoten spijkerbroek, grijs gemêleerde sokken en wollen trui met, hoe kan het ook anders, Noorse print zijn helemaal in harmonie met deze omgeving.
‘Kom,’ zegt hij en hij glipt langs me heen. Even raken onze lichamen elkaar aan tijdens het passeren in de smalle ruimte. Een schok schiet door mijn lijf als onze blikken elkaar ontmoeten en mijn wangen worden warm, maar niet door de aangename temperatuur. Hij slaat zijn ogen neer en mompelt een verontschuldiging in het Noors. Met zijn lichaam tegen de deur gedrukt, houdt hij hem voor me open. Toe maar, een redder en een heer en dat alles verpakt in een heerlijk lijf. Kan het nog perfecter?
We betreden een warm ingerichte zitkamer met donkere meubels en een grote wandkast die tot aan het plafond gevuld is met boeken. De grote haard tegen de andere lange wand domineert het vertrek en is buiten een paar kaarsen de enige lichtbron in de ruimte: een knapperend haardvuur dat een goudgele gloed penseelt over de antiek aandoende meubels. Een tweezitsbank bekleed met verschoten stof in rustiek patroon staat prominent in het midden van de kamer en is naar het vuur gericht.
Ivar gebaart naar de bank, voorzichtig ga ik zitten. De bank mag er dan niet uitzien, maar hij zit heerlijk… als oude pantoffels. De geur van koekjes die de houdbaarheidsdatum allang zijn gepasseerd in combinatie met iets kruidigs, volgens mij sinaasappel en kaneel, dringt zich aan me op. Ik fixeer mijn blik op de gietijzeren ketel die pruttelt boven het vuur. Wat een schattig tafereel! Alsof ik honderd jaar terug in de tijd ben geslingerd.
‘Ik ben zo terug,’ verontschuldigt Ivar zich en hij opent een deur waarachter een trap schuilgaat. Een paar seconden later hoor ik hem over de houten planken boven mijn hoofd lopen. Hij stopt even. Een straaltje stof dwarrelt naar beneden. Met mijn ogen volg ik zijn route tussen de dikke houten balken. De treden kraken onder zijn gewicht als hij weer de trap af loopt.
‘Hier, iets warmers.’ Hij geeft me een hoopje kleren, zelf houdt hij een handvol dekens en een kussen vast.
Ik staar naar de trui en joggingbroek in mijn handen. Erbovenop ligt een paar Noorse sokken, dezelfde als Ivar aanheeft. Ik ga er allesbehalve aantrekkelijk uitzien in deze outfit, maar de gedachte me op deze bank te kunnen nestelen in wol en jersey trekt me direct over de streep.
‘Kan ik me boven omkleden?’
Ivar schudt zijn hoofd. ‘Nah, beter van niet.’
‘Niet?’
‘Boven is het bijna net zo koud als buiten. Er ligt zelfs een dun laagje ijs op de bedden, voel maar.’ Hij reikt me een bloedrode deken aan. Als ik mijn hand erop leg, voelt het aan als een dik pak sneeuw. Ivar spreidt de paar dekens voor de haard. ‘Om op te warmen,’ zegt hij grinnikend over zijn schouder. ‘Je kunt beter de keuken nemen.’ Een rukje met zijn kin naar een plek achter me.
‘Maar… hoe werkt het slapen dan?’ Het floept eruit voordat ik er erg in heb. Een blos kruipt over mijn wangen. ‘Ik bedoel… met de bedden en zo?’
‘Ik neem de vacht wel, dan kun jij op de bank. Goed?’
Mijn blik schiet naar de tweezits en vervolgens naar het dikke berenvel bij de haard. Hij maakt zeker een grapje? Mijn linkermondhoek krult omhoog en ik breng mijn hand omhoog met uitgestoken wijsvinger. ‘Je had me bijna te pakken,’ zeg ik lachend.
Er verschijnen geen rimpeltjes naast zijn ooghoeken, zijn gezicht blijft in de ernstige plooi van net. Shit. Hij meent het echt. ‘Het is geen grapje,’ fluister ik.
‘De haard is de enige bron van warmte,’ verontschuldigt hij zich. Er volgt een ongemakkelijke stilte die alleen doorbroken wordt door knapperend hout. Hij ziet mijn verwarring en steekt zijn handen in zijn broekzakken. ‘Ik zou in de stal kunnen gaan slapen. Bij de rendieren is het niet zo koud als boven, als ik er een zo gek krijg om tegen me aan te komen liggen…’ Weer dat grinnikje.
Ik wuif zijn woorden weg. ‘Nee, natuurlijk niet. Dit is jouw huis.’ Ik hoop dat mijn woorden overtuigender klinken dan ik me voel. Ondanks dat hij me gered heeft en daarnet zo galant de deur openhield en warme kleding voor me regelde, is samen in een vertrek slapen een inbreuk op zijn en op mijn privacy en ik weet me niet goed raad met die onrustige gevoelens als ik eraan denk.
‘Ik wil je niet in verlegenheid brengen,’ zegt hij. Zijn wangen kleuren roze.
‘Eenentwintigste eeuw. Moet kunnen toch?’ Ik draai me om en loop naar de keuken voordat hij mijn gezicht kan betrappen op het ongemakkelijke gevoel dat me parten speelt.
Het keukentje is een stuk kouder, maar knus klein, precies zoals je zou verwachten in een huisje als dit. Zwarte en gele tegeltjes tegen de wand, roodbruin gelakte kastjes en zo’n typisch gordijntje onder de gootsteen met daarop geborduurde bloemetjes. Ik verschuif de hendel van de kraan… niets.
‘Er is geen stromend water…’ roept Ivar vanuit de woonkamer. ‘Anders bevriezen de leidingen. Ik kan wel wat water koken, en ik heb een wasteil…’
Ik slaak een diepe zucht. Hoe idyllisch dit alles ook aandoet, praktisch is het niet. Ik snak naar een warme regendouche, of nog beter, een ligbad. ‘Graag.’ Ik steek mijn hand in de zak van mijn broek en haal er mijn telefoon uit. De streepjes geven aan dat ik nog steeds geen bereik heb. ‘Heb je wifi?’ roep ik naar de kamer. Vast wel, die online shop heb ik ook op internet gevonden.
‘Normaal gesproken wel.’ Voetstappen komen dichterbij. ‘Ik denk dat de gps-toren te bedekt is met sneeuw om iets te ontvangen of uit te zenden.’ Hij staat vlak bij de deur. ‘De energie is uitgevallen en het aggregaat geeft net genoeg om de lucht in de stal te verversen…’
Ik ril van de kou die, nu ik hier even sta, alle warmte in mijn lijf verdringt. Kun je nagaan hoe het boven moet zijn… of in de bus, buiten… Snel begin ik mijn blouse los te knopen. ‘Ik ga me nu omkleden,’ roep ik naar de half-open deur. Hopelijk begrijpt hij de hint. Ik hoor hem wegstappen van de deur. Mooi.
Zodra ik de Noorse trui over mijn hoofd trek, schiet er een tinteling van mijn stuitje naar mijn kruin. Dit is zijn kleding, zijn geur omringt me en laat mijn hartslag versnellen. Jezus, ik lijk een kind dat de Python in stapt, zo maf reageert mijn lichaam op deze gast.
Hoofdschuddend vouw ik mijn kleren op en leg ze op een van de twee stoelen bij het kleine, ronde tafeltje. Ietwat verlegen door de te ruime kleding loop ik terug. Ik trek mijn paardenstaart los en schud mijn haren uit, dat voelt al een stuk warmer in mijn nek.
Ivar zit in de haard te porren. Als hij opzijkijkt en me ziet, lijkt het alsof zijn ogen groter worden en zijn adem stokt. Zal vast de dansende schaduwen van de vlammen zijn, spreek ik mezelf vermanend toe.
‘Gløgg?’ Ivar reikt me een hoornen beker aan waarop een rendier is geschilderd.
Ik omhels met mijn handen de mok en geniet van de warmte. De geuren die ik bij binnenkomst rook versterken en een samenspel van alcohol, kaneel en sinaasappel prikkelt de slijmvliezen van mijn neus. ‘Ruikt heerlijk,’ zeg ik goedkeurend en ik nip een slokje. Oei! Niet te veel drinken, want anders sta ik in een mum van tijd jodelend in de sneeuw de vogeltjesdans voor te doen.
‘Om warm te worden,’ zegt hij met een knipoog en hij giet met een pollepel een beker voor zichzelf vol.
Om mezelf een houding te geven, bestudeer ik de afbeelding op de mok. ‘Van de shop,’ mompel ik en als ik de beker draai zie ik in krullerige letters de naam van de farm staan. ‘Leuk,’ zeg ik met een knikje naar mijn handen en ik neem een volgende slok. Een warme, scherpe gloed verspreidt zich over mijn tong en brengt een explosie van smaken tot leven om daarna in een brandend spoor tergend langzaam van mijn mond naar mijn maag te glijden.
‘Bestseller.’ Hij vlijt zich neer op de dekens voor de haard en trekt zijn benen in kleermakerszit. ‘Mijn moeder hield van schilderen.’
‘O, echt? Heeft je moeder dit gemaakt?’ Ik bestudeer nogmaals de afbeelding en zie nu pas de vele details die erin verwerkt zijn: het Noorse patroon op de kerstmuts, de haartjes van de vacht en de glimmende belletjes aan de pompons. ‘O, wat prachtig.’
‘Eigenlijk alles in de winkel, behalve de houten beeldjes, dat is mijn specialiteit.’ Zijn gezicht glimt van trots. ‘Knutselen was haar lust en haar leven.’ Zijn stem breekt bij het laatste woord en om zijn gevoelens te maskeren neemt hij snel nog een slok.
Over de rand van de beker bestudeer ik zijn gezicht. ‘Was?’
Ivar verlaagt zijn blik naar de mok in zijn handen. ‘Ze is vorige winter overleden.’
‘Gecondoleerd,’ zeg ik zacht. ‘Plotseling?’
‘Ze had gelukkig een kort ziekbed, maar…’ Hij slikt.
‘Je hoeft het me niet te vertellen, ik bedoel…’
Ivar steekt een hand op. ‘Nee, het is goed. Hoewel… ik ken je net en stort nu al mijn hele hebben en houwen bij je uit.’ Hij schokschoudert. ‘Je zult me wel raar vinden.’
‘Net zo raar als een Hollandse stadsmeid die haar bus in een meter sneeuw rijdt in de middle of nowhere,’ zeg ik met een knipoog en ik knik naar het raam. ‘Volgens mij hebben we alle tijd.’
Hij lacht terug. Het grapje breekt de spanning die er heerste en ik zie aan zijn schouders dat hij iets ontspant. ‘Ik ben inderdaad bang dat het niet bij deze ene nacht zal blijven.’
‘Zie je wel,’ grinnik ik. ‘Ik ken je nog maar net en ik draag al je trui en blijf bij je slapen.’
Ivar moet er hartelijk om lachen en ik lach schaterend met hem mee. Ik weet niet of het de gløgg is of deze hele situatie, maar het is heerlijk om hem te horen lachen en te ontladen.

Tegen enen heeft Ivar zijn hele leven samengevat en heb ik hem verteld over mijn avontuurlijke uitspattingen tot waar ik nu gekomen ben: bij hem thuis. Zijn grootouders begonnen de rendierenfarm, zijn ouders namen het stokje over en maakten er een toeristische trekpleister van en nu zet Ivar hun levenswerk door, op deze farm en online. Eigenlijk had hij andere plannen. Hij vertelde me dat hij voorheen architect was bij een grote investeringsmaatschappij met een torenhoog kantoor in Oslo, maar toen zijn vader overleed, besloot hij tijdelijk zijn moeder te helpen en dat beviel zo goed dat hij is gebleven.
‘Ik kwam erachter dat mijn leven in Oslo geen reet voorstelde,’ zegt Ivar met een dikke tong. ‘Ik werkte zestig uur per week, verdiende het tienvoudige van wat ik nu verdien, had oppervlakkige vriendschappen en was eigenlijk best eenzaam, maar dat besefte ik pas toen ik hier een aantal maanden terug was.’ Hij leegt zijn mok en zet hem met een iets te harde klap op de grond. ‘Het is een kleine gemeenschap en iedereen kent elkaar. Vroeger noemde ik dat bekrompen, maar gek genoeg geeft het me nu rust en geborgenheid. Werken met de rendieren is het mooiste beroep dat er is en door de toeristen in de zomer en winter is het hier helemaal niet eenzaam. Tenzij er een storm als deze raast,’ zegt hij met een lach. Hoofdschuddend kijkt hij naar de lege mok naast hem. ‘Ik hoef de stress, het gejaagde en het oppervlakkige niet meer.’
Ik staar naar de kersrode vloeistof in mijn mok die ik rond laat walsen. ‘Dat is precies de reden waarom ik mijn baan als directiesecretaresse bij een reisconcern heb ingeruild voor een webshop met handgemaakte spullen. De vrijheid, het plezier, ik heb het allemaal teruggevonden als eigenaar van een eenmanszaak. De eenzaamheid…’ Ik slik de brok weg die in mijn keel is ontstaan. ‘Soms mis ik directe collega’s, de vrijdagmiddagborrel… maar ik krijg er een leven met minder stress voor terug.’ Ik leeg mijn mok. ‘Hoewel… dertig pakketjes wegbrengen op vrijdagmiddag om vier uur en drie kwartier in de rij moeten staan bij het postkantoor in de hoop dat ze het loket niet dichtknallen kan ook best stress opleveren, hoor.’ Een flinke gaap slokt mijn laatste woorden op. ‘Sterk spul,’ zeg ik verontschuldigend. ‘En die warme haard helpt ook niet.’
‘Het is ook al ver voorbij mijn bedtijd,’ zegt Ivar kijkend naar zijn horloge en hij staat op. ‘Ik heb nog wel een tandenborstel voor je als je wilt? Ongebruikt,’ voegt hij er met een knipoog aan toe.
‘Graag.’ Ik strijk met mijn tong langs mijn tanden. ‘Die gløgg is vast niet suikervrij.’

Na een ijskoude wasbeurt en dito poetsbeurt, mijn tanden bonken nog na van de pijn, lig ik nu opgekruld op de tweezitter te staren naar het bloemenpatroon van de leuning. Ik durf me niet goed om te draaien, want daar ligt Ivar. Te horen aan zijn ademhaling heeft hij geen enkele moeite om te slapen in het bijzijn van een vreemde, maar goed, hij is dan ook in zijn eigen vertrouwde omgeving. Als het echt niet langer comfortabel ligt, draai ik me uiteindelijk toch om.
Ik staar naar de gloeiende blokken hout in de haard. Van buiten klinkt tussen de beukende wind een zwaar geloei en ik vraag me opeens af hoeveel rendieren er eigenlijk in die stal zitten en of die niet bevriezen in deze kou. Ik reik naar mijn telefoon op de leuning. Nog steeds geen bereik. Ik scrol even door de foto’s totdat ik mijn oogleden voel zakken. Ik kan de batterij maar beter sparen als de stroom is uitgevallen, geen idee hoelang ik hier nog moet blijven. Langzaam glij ik weg in een spannende droom.

Het geluid van een alarm laat me ontwaken. Als ik mijn ogen open, zie ik Ivar al aangekleed bij de haard staan. ‘Wat is er aan de hand?’
‘Niets. Sorry als mijn alarm je wakker heeft gemaakt.’ Hij sjort aan de riem van zijn spijkerbroek. ‘Ik kijk om vier uur altijd even bij de rendieren of alles goed is. Slaap maar lekker verder.’
Ik laat zijn woorden rondzingen in mijn hoofd en direct doemt er een aantal rampscenario’s op. Wat als Ivar onderweg valt en zijn been breekt? Wat als er iets mis is met de rendieren? Wat als ik hier zit en hij daar en door regenval, lawine of een troep wolven hij niet meer bij mij kan komen en ik niet bij hem? Wat als dit gammele huisje bezwijkt onder het dikke pak sneeuw dat er is gevallen en ik diegene ben die wordt opgepeuzeld? ‘Ik ga met je mee.’ Resoluut gooi ik de dekens van me af en reik naar mijn laarsjes die Ivar zo lief bij de haard heeft gezet.
‘Daarop kom je niet ver,’ zegt Ivar en hij knikt naar mijn schoenen. ‘Ik beloof je dat ik snel terugkom.’
‘Alsjeblieft,’ zeg ik zacht. ‘Laten we samen gaan.’
Ik weet niet of het de smeekbede is of de zielige-puppy-blik, maar Ivar gaat overstag.
‘Ja. Goed dan.’ Hij trekt een sprintje naar boven om binnen een minuut weer beneden te zijn met een paar prachtige, met de hand bewerkte snowboots. Bedenkelijk staart hij naar zijn uitgestoken handen. ‘Ze zijn van mijn moeder geweest, volgens mij hebben jullie dezelfde maat.’
Ik staar naar de boots in zijn handen. Was de mok al een lust voor het oog, deze boots zijn werkelijk adembenemend. De geborduurde stof in druk patroon, het soepele leer bijeengebonden door een ingewikkelde kruissteek, pompons en rendierbont… Gewoon wauw! ‘Weet je het zeker?’
‘Ik weet zeker dat mijn moeder me een trap onder mijn kont zou geven als ik je op die dingen naar buiten laat gaan,’ zegt Ivar met een melancholische glimlach.

Mooi is meestal niet zo praktisch, maar dat geldt niet voor deze boots. ‘Ze had hier een fortuin mee kunnen verdienen,’ zeg ik hijgend, ploeterend door het spoor van losse sneeuw achter Ivar aan die zich een weg baant naar de stal. ‘Ooit van Uggs gehoord? Deze zijn nog beter! En mooier. En warmer.’
‘Ze heeft het van haar moeder geleerd. En die weer van haar moeder…’
‘Zo gaat dat met ambacht,’ mompel ik meer tegen mezelf dan tegen Ivar terwijl ik snuivend door de kniehoge sneeuw ploeg. Eindelijk zijn we bij de stal aangekomen en ik zoek beschutting tegen de snijdende wind door mijn lichaam tegen het hout te drukken. In het veld en het bos om de boerderij zie ik rendieren in groepjes liggen. De wind baant zich een weg door het bos en laat de dennen kraken en piepen. Hoe overleven die arme dieren in deze vrieskou?
Ivar houdt de deur voor mij open. Wat is het toch een lieverd. Beschut tegen de wind zucht ik van verlichting als we binnenstappen. Het is hier koud, maar niet snijdend. Grote ventilatoren boven mijn hoofd verversen de lucht met een zacht gebrom en verspreiden de geur van ammoniak en hooi, scherp zuur met een vleugje zoet, het aroma dat zo onlosmakelijk verbonden is met dieren. Een geloei zwelt aan als we verder lopen. Net als in een koeienstal is deze ruimte opgedeeld in vakken en staan de rendieren opeengepakt bij elkaar.
‘Waarom staat een deel binnen en ligt het overgrote deel van de rendieren buiten?’
Ivar laat zijn zaklamp langs de dieren glijden, inspecteert vervolgens de wanden en het dak op lekkages. Hij houdt even in als hij denkt iets verdachts te zien. ‘Gezonde rendieren kunnen buiten blijven, zelfs in dit weer. Ze zijn het gewend. De rendieren hier zijn herstellende waardoor ze iets meer beschutting nodig hebben om de winter door te komen. Het was een kudde die in het noorden aan de kust rondtrok, maar door regen op sneeuw waardoor de grond in een ijslaag veranderde, waren ze bijna verhongerd. Wat hier staat is wat over is gebleven van een groep van honderd rendieren.’
‘Wat ontzettend zielig.’ Hooguit twintig dieren staan hier in de stal.
‘Klimaatverandering treft niet alleen ijsberen,’ zegt Ivar met een serieuze ondertoon.
Wanneer we de andere kant van de stal bijna hebben bereikt, houdt hij even zijn pas in en fronst. Ik ga naast hem staan, de plotselinge beweging versterkt het geloei om ons heen. Ivar schijnt de bundel licht net boven het hooi. Tussen de hoeven zie ik iets grijs liggen, een rendier dat op de grond ligt en snuivend ademhaalt. Ivar aarzelt geen moment en baant zich een weg tussen de rendieren door naar achteren. Ik besluit hier maar even te wachten, het laatste wat we willen is een op hol geslagen meute die de donkere stal onveilig maakt.
Ik hoor hem lieflijk praten tegen een van de rendieren. Ongemakkelijk kijk ik om me heen om me ervan te verzekeren dat geen van de rendieren het in zijn kop haalt mij te besnuffelen. De wind perst zich met een fluitend geluid door de kieren. In contrast klinkt het geklik van de hoeven van de rendieren geruststellend, maar toch voel ik me niet helemaal op mijn gemak. Ik schrik als ik een hand op mijn schouder voel. ‘Jezus! Wil je dat niet meer doen?’
‘Bente is aan het bevallen,’ zegt hij en hij schijnt nog een keer naar het rendier dat op de grond ligt.
‘Lukt dat of heeft ze hulp nodig?’
Hij begint te grinniken. ‘Dat kalf wordt vannacht geboren. Met of zonder onze hulp.’ Weer die knipoog. En weer reageert mijn lichaam overdreven op zijn aanraking en zijn geur.
Opeens wordt het een stuk stiller in de stal, alsof iemand iets heeft uitgezet en je pas ontdekt dat het zoveel geluid maakte nu het er niet meer is. Ivar loopt naar het einde van de stal en begint verschillende knoppen te beschijnen.
Ik kan hem horen vloeken tussen opeengeklemde kaken. ‘Wat is er aan de hand?’
‘De generator heeft het begeven. Verdomme.’ Ivar laat de zaklamp zakken waardoor ik de expressie op zijn gezicht mis, maar de toon van zijn stem zegt genoeg.
‘Hoe erg is dat?’
Ivar tuurt naar boven waar de grote ventilatoren traag tot stilstand komen. ‘Zonder verse lucht ontstaan er gassen. Dan moet ik alles naar buiten sturen.’
‘Ook Bente?’ In een reflex kijk ik over mijn schouder naar de plek waar ze ligt.
‘Ja.’
‘We kunnen de deur openzetten?’
‘Ik weet niet of het kalf het dan redt. Het is al behoorlijk ondervoed doordat Bente tijdens de zwangerschap geen eten kon vinden.’ Ivar werpt nog een blik in de kast en probeert wat schakelaars, maar het heeft geen enkele zin. Niets doet het. Hij slaakt een diepe zucht. Even blijft hij zo staan, verslagen, alsof alle onheil van de wereld over hem heen is gekomen, dan wenkt hij dat ik hem moet volgen naar het einde van de stal.
Voorbij de meterkast is er links en rechts een deur: de rechter leidt naar de shop, o, wat zou ik daar graag rondsnuffelen, de linker naar een ruimte met gereedschappen en apparatuur. ‘Wat zoek je?’ Ik heb geen zin om op mijn plaat te gaan door een uitstekend stuk roest, dus volg ik zijn spoor op de voet.
‘Ja, daar!’ Hij verplaatst de bundel licht naar een halve, oude fiets op een ijzeren frame.
Ik trek mijn neus op en frons. ‘Ziet er niet echt vernuftig uit, moet ik zeggen.’
Hij hangt twee kabels om zijn nek, controleert de klemmen aan de uiteinden en blikt dan naar de fiets. ‘Kun je me helpen hem te tillen?’
‘Ik ben sterker dan ik eruitzie.’

Tien minuten later staat het gevaarte in de stal. Jeetje, wat was dat ding zwaar. Nog nahijgend werp ik een blik opzij naar Ivar. ‘En nu?’
Ivar tilt de beide kabels van zijn nek over zijn hoofd en bevestigt de klemmen op twee uitsteeksels in de kast. ‘Ik ga de andere rendieren naar de overkant verplaatsen zodat Bente de bak voor zichzelf heeft. Als jij alvast begint te fietsen…’
Ik trek mijn wenkbrauwen hoog op. ‘Fietsen? Op dit stuk schroot? Is dat veilig?’
De rimpels bij zijn ooghoeken verdiepen zich en ik kan zien dat hij een lach smoort. ‘Het stamt nog uit de tijd van mijn grootouders, maar vorige winter deed hij het nog.’ Hij wijst naar de kabels die van de fiets naar het kastje lopen. ‘Hoe harder je trapt, des te meer energie en hoe harder de ventilatoren draaien. Je mag ook de rendieren doen als je dat liever…’
‘Nee! Ik fiets wel.’ Ietwat onwennig klim ik op de fiets. Als er iets kraakt, houd ik even stil, tot ik er zeker van ben dat deze roestbak me houdt. Het fietsen gaat lichter dan ik had verwacht, maar na een tijdje begin ik toch buiten adem te raken. Zweet loopt in straaltjes over mijn rug. Ivar heeft ondertussen extra hooi in de bak gegooid en een doek opgehaald om het jong warm te wrijven als het geboren is zodat de bloedsomloop op gang komt.
Ik stop even om op adem te komen en strijk met mijn mouw langs mijn voorhoofd. ‘Ondanks dat ik regelmatig spin in de sportschool is deze work-out zwaarder dan de heftigste bergetappe op mijn spinningfiets.’
Ivar gebaart dat ik moet afstappen en neemt het van me over. Hij knikt naar de rechterdeur. ‘Pak maar een waterflesje, ze staan in de koeling.’
‘Niet echt nodig, wel?’
Ivar lacht. ‘In de zomer kan het hier behoorlijk warm worden.’
Drinkend maak ik van de gelegenheid gebruik om te kijken wat er in de winkel staat. Er is zoveel te zien dat mijn ogen het nauwelijks allemaal kunnen registreren. Er zijn zilveren sieraden, maar ook truien, mutsen, mokken en, hoe gaaf, boots, dezelfde modellen die ik aanheb. ‘Zodra Bente is bevallen en de storm is gaan liggen, wil ik hier het een en ander van meenemen,’ roep ik over mijn schouder kijkend naar Ivar. Ik zie aan de grimas op zijn gezicht dat het mijn beurt weer is.
We trappen om beurten de halve nacht door. Tegen de ochtend bevalt Bente van een prachtig kalf: een dochter. Even lijkt het kalfje te zwak om te gaan staan, maar na massage van Ivar en een korte pauze probeert ze het nog een keer en ook al duurt het even, uiteindelijk lukt het haar om op haar hoeven te staan. Ik ben apetrots! Het is zo bijzonder om dit mee te mogen maken! Ik snap direct wat Ivar daarstraks bedoelde met dat dit werk meer voldoening geeft. Mijn keel trekt pijnlijk samen, er prikken tranen in mijn ogen en ik wend mijn gezicht af zodat Ivar ze niet ziet. Hij schraapt zijn keel en in een reflex kijk ik opzij. Ook hij lijkt aangedaan, terwijl hij dit toch al vaker moet hebben meegemaakt.
‘Nieuw leven, het blijft een wonder.’ Hij glimlacht, zijn onderlip trilt iets en hij knippert snel zijn tranen weg.
‘Zal ik het weer van je overnemen?’ Mijn billen doen pijn van het harde zadel, mijn handen zijn verkrampt door het te hard knijpen in het handvat en ik voel de spieren in mijn benen niet meer door het vele trappen, maar nu het kleintje eindelijk is geboren, wil ik niet opgeven en haar de best mogelijke start in haar leven geven.
‘Niet nodig,’ zegt Ivar en hij knikt naar boven, naar een raam waardoor oranje licht piept dat een bundel trekt door de stoffige lucht. ‘Nu de zon op is gekomen, kan ik wel een deur openzetten.’
Opgelucht stap ik af. We lopen samen naar de staldeur en stappen naar buiten. De geur van fris beddengoed zweeft langs mijn neus. Ik slaak een diepe zucht als de eerste zonnestralen van de opkomende zon mijn koude wangen begroeten. In de helderblauwe lucht is geen wolkje te bekennen en de blauwe filter van de schemer tovert een adembenemend winterlandschap tevoorschijn. ‘De storm is gaan liggen,’ fluister ik. ‘Wat mooi!’
‘Niet alleen het landschap is mooi,’ zegt Ivar met dikke stem naast me. Hij klinkt ineens zachter en wat twijfelend.
Ik draai mijn gezicht naar hem toe en glimlach. Als onze blikken elkaar kruisen, verwarmt niet alleen de ochtendzon me, maar nog iets anders, iets wat verdacht veel wegheeft van prille liefde. ‘Hoe gaan we haar noemen?’ Ik bijt op mijn lip als ik merk dat ik een bijzonder moment heb verstoord, maar de zenuwen gieren door mijn lijf en ik heb even tijd nodig om mijn lichaam tot bedaren te brengen.
Ivar glimlacht naar me. Hij is zo knap als hij lacht. ‘Amelie.’
Ik pers mijn lippen op elkaar om mijn emotie te beteugelen. Pas als ik zeker weet dat de brok in mijn keel geslonken is, zeg ik zacht: ‘Hoe heette je moeder?’
Ietwat overrompeld kijkt hij me fronsend aan. ‘Johanna.’
‘Dan noemen we haar Johanna. Zonder je moeders boots waren mijn voeten bevroren en was dat fietsen me nooit gelukt.’
Ivar veegt een traan uit zijn ooghoek en haalt een keer diep adem. ‘Ze zou zeer vereerd zijn geweest,’ zegt hij en hij knikt. Dan draait hij zich verder naar me toe en brengt zijn hand naar mijn wang. Ik leun ertegenaan. ‘Mag ik je alsjeblieft kussen?’ vraagt hij met schorre stem en hij laat zijn ogen over mijn gezicht dwalen. Zijn ene mondhoek krult geamuseerd omhoog als hij opnieuw mijn blik vangt. ‘Jij bent het mooiste, liefste meisje dat ik ooit heb ontmoet.’
Ik glimlach goedkeurend naar hem en voel direct een kriebel in mijn buik omhoog fladderen. Zijn mond is slechts een paar centimeter bij de mijne vandaan, mijn hart maakt een vrije val. Mijn hele wereld versmalt tot het gevoel van zijn lippen op mijn mond. Ik maak een laag kreunend geluid als zijn tong langs mijn gehemelte glijdt en een explosie aan gevoelens door mijn lijf laat razen. In een reflex sla ik mijn armen om zijn nek en druk mijn lichaam tegen het zijne.
De zon, zwaar en bol, met de kleur van een eidooier, rijst boven de oostelijke heuvels en verweeft een gouden gloed met het diepe blauw. Het voelt als thuiskomen. Hier in het land van dennenbomen en sneeuw, rendieren, vriendelijkheid en folklore, waar het licht wordt opgeslokt door een parelwitte deken van sneeuw, voel ik me eindelijk compleet en gelukkig.


>