Nieuwsbrief

Stapstenen – Hoofdstuk 10

Stapstenen

Stapstenen, een familieroman van Margreet Maljers, gaat over Victorien, moeder van twee en getrouwd met Bob. Bob vertelt op zijn sterfbed dat hij een kind heeft gekregen met een ander. Deze vrouw, de twintigjarige Claudia, is naar Amerika vertrokken. Het kindje is nu bij Claudia's tante, maar als die voor een operatie naar het ziekenhuis moet, ontfermt Victorien zich erover. De bemoeienis van haar schoonfamilie met haar leven en gezin doet haar besluiten de stad Amsterdam te verruilen voor het oosten van het land.

Stapstenen is een indrukwekkende roman, met veel inlevingsvermogen geschreven door Margreet Maljers.


Hoofdstuk 10

De verhuiswagen was weggereden. Victorien liep voor de laatste keer door de kamers en de keuken van het appartement waar ze de eerste jaren alleen met Bob en later met de kinderen had gewoond. Ze raapte een paar legoblokjes op die half onder de radiator waren blijven liggen en stopte ze in de zak van haar jack. Nu niet huilen. Geen tranen. Het was al moeilijk genoeg. De kinderen stonden wat verwezen dicht tegen elkaar aan voor het raam.

‘Kom, Matthieu, kom Yvette, nog even dag zeggen tegen buurvrouw Corry,’ zei ze en ze pakte de hand van Matthieu. Ze draaide de sleutel om en langzaam liepen ze de trap af.

Corry had tranen in haar ogen toen ze haar voordeur opendeed. ‘Kijk, nog iets voor onderweg,’ zei ze en ze duwde de kinderen een zakje in hun hand. ‘Dag Vicky. We komen je vlug opzoeken. Als je een beetje op orde bent natuurlijk.’

Victorien sloeg haar armen om de vrouw heen die haar zo trouw had bijgestaan tijdens Bobs ziekte en overlijden. ‘Dag Corry. Kom wel naar Munnikenwold alsjeblieft,’ zei ze gesmoord.

‘Tuurlijk. Nou, vooruit. We gaan hier niet staan snotteren. Volgende maand gaan wij ook verhuizen. Als je hier was gebleven, zouden we toch ook geen buren meer zijn gebleven.’ Corry deed resoluut een stap achteruit, streek vlug langs haar ogen en klemde de kinderen alle twee tegelijk tegen zich aan. ‘Dag, dag… we komen vlug kijken naar jullie nieuwe huis en de tuin. Misschien zijn daar wel eekhoorntjes en konijntjes. Die lopen daar gewoon rond heb ik eens gehoord.’

Matthieu sperde zijn ogen, die ook al nattig werden, open en wendde zich tot zijn moeder. ‘Echt? Wonen daar ook eekhoorns en konijntjes? En jaagt ons hondje die dan niet weg?’ vroeg hij opgewonden.

‘Vast niet. Dat moeten we hem maar leren. Nou, kom, we gaan.’ Corry liep mee naar beneden en wees naar de zijkant van de trap. ‘Kijk uit. Daar is gisteren een stuk afgebroken. Het is ook wel hard nodig dat hier gerenoveerd wordt. Je schoonvader had het veel eerder aan moeten pakken. Is die vriendin met dat kleine neefje van haar ook al op weg?’

Victorien was blij dat de emoties weer onder controle waren. ‘Liesbeth is een paar uur geleden al vertrokken. Die heeft bijna

al haar meubels laten ophalen door iemand van de kringloopwinkel en hoefde alleen maar een bestelbus te huren om de rest over te brengen. Een buurman van haar verhuist haar en die wilde ook helpen met sjouwen bij mij. En Hugo komt ook nog. Een overvloed aan helpende handen. Als dat geen licht werk wordt… Nou, in de auto, kinderen.’

Yvette en Matthieu gingen zitten. Yvette hielp haar broertje met het vastmaken van zijn gordel en klikte toen haar eigen gordel vast. Ze hadden het speelgoed dat niet in de verhuiswagen mee was gegaan, in een bonte verzameling om zich heen gestapeld en Yvette pakte haar telefoon.

‘Je hebt daar in ieder geval dus al een paar mensen die je kent,’ zei Corry troostend en ze pakte Victorien nog een keer beet. ‘Dag Vicky. Hou je haaks! Je komt me toch ook opzoeken in Osdorp? Daaaag.’

De kinderen wuifden met twee handen tegelijk tot ze de hoek om waren.

‘Nou, daar gaan we dan,’ zei Victorien meer tegen zichzelf dan tegen haar kinderen.

‘Ik weet niet of ik het wel leuk vind,’ jammerde Matthieu. ‘Ik blijf liever hier.’

‘O, joch, dat kan toch niet. We moesten toch verhuizen en dan maar liever naar een huis waar we een hondje mogen hebben.’ Yvette streek haar broertje over zijn hand.

Victorien was dankbaar voor de werkelijkheidszin van haar dochter. Wie had ook alweer gezegd dat ze later veel aan haar zou hebben? Ach, dat was Bob geweest. Ze had nu al veel aan haar.

Ze slikte een brok weg. Hoe zou het leven zijn gelopen als ze eerder hiervandaan waren gegaan. Geen Claudia, geen Robbie misschien? Maar wel die ziekte waarschijnlijk. Of ook niet? Ze zou het allemaal nooit weten. Ze miste hem pijnlijk nu ze afscheid nam van het leven dat ze samen hadden gehad.

De kinderen waren stil. Yvette deed spelletjes op haar telefoon en Matthieu speelde met het speelgoed. De knuffels verhuisden van de grond naar de bank en hij zette een houten speelgoedboerderij op de plank voor zich en daarnaast een paar houten en een paar pluchen beestjes. Toen hij ook een vrachtauto neer wilde zetten, werd het Victorien te gek. Als ze moest remmen, vlogen de spullen nog door de auto. ‘Mag niet, Mattie. Dat is gevaarlijk.’

‘Maar Ollie wil ook iets zien,’ protesteerde hij en hield zijn olifantje omhoog.

‘Alleen Ollie dan,’ gaf Victorien toe. ‘Geen auto!’ ‘En de andere knuffels en de beestjes?’

‘Niet!’ zei Victorien kort. ‘Naast je neerzetten.’


Het landschap waar ze door reden veranderde na een uur rijden. De weilanden maakten eerst plaats voor dichte dennenbossen en daarna voor donkere, door loofhout omzoomde akkers. Uit de grijze lucht dwarrelden wat bijna doorzichtige sneeuwvlokken naar beneden. Op de weg smolten ze meteen weg, maar na een tijdje bleef de sneeuw liggen en werden de akkers bedekt door een dunne witte waas. Wel een late sneeuwbui, na de maanden dat het bijna geen winter was geweest. Ze had er geen rekening mee gehouden dat dat nog kon.

Victorien hoopte dat John Wiltink naar de verwarming had gekeken. Dat was iets wat Bob zeker vergeten zou zijn. Dat soort praktische zaken waren meer haar terrein geweest. Omdat ze vaker thuis was natuurlijk, vergoelijkte ze meteen. Ze hadden er een handige verdeling op na gehouden. Dat had voor hen goed gewerkt. Bob zorgde er altijd voor dat de benzinetank vol zat. Dat was erg lief geweest, want zij maakte het meest gebruik van de auto. Ai, daar had ze niet meer op gelet. Stom. Ze had de tank vol moeten gooien. Ze keek op de meter. Dat ging ze niet redden tot het huis in Munnikenwold.

‘Ik moet plassen,’ verkondigde Yvette even later.

Dat kwam goed uit. ‘We stoppen zo. Bij het volgende benzinestation,’ beloofde Victorien. Ze herinnerde zich van de eerste keer dat ze hier had gereden dat er binnen een kwartier een benzinestation aan de provinciale weg stond.

Even later sloeg ze van de snelweg af en vijf minuten later doemde het benzinestation op. Victorien parkeerde de auto, draaide de benzinedop open en deed de slang in de tank. Ze keek ondertussen naar de lucht, die donkergrijs was geworden. Als het maar niet te hard ging sneeuwen. Op dit laatste stuk waren de wegen echt smal en je kon niet verwachten dat er meteen gestrooid werd.

Dat was het voordeel van een grote stad, en van de snelwegen eromheen. Maar deze provinciewegen? Werd daar wel meteen gestrooid? Vast niet. Even kneep het vooruitzicht van het onbekende leven waarin ze zich ging storten, haar keel dicht. Had ze er wel verstandig aan gedaan om weg te gaan uit Amsterdam? Ze haalde diep adem en zag toen het gezicht van haar schoonvader voor zich. Dat was genoeg. Natuurlijk was het nodig dat ze daar vertrok. Geen dwang in het leven van haar kinderen en geen gevechten die zij zou moeten leveren als ze daar waren gebleven.

Matthieu had intussen meteen zijn knuffels en wat ander speelgoed, waaronder een kiepwagen, hoog op de hoedenplank gestapeld, zodat ze geen uitzicht meer had door de achterruit. Straks alles maar weghalen. Ze lachte even om het aandachtige gezichtje van haar zoon. Hij zag kennelijk graag wat hij allemaal had meegesjouwd.

Nadat ze de tank vol had gegooid, parkeerde ze de auto bij een strook. ‘Kom maar. Dan kijken we of ze daar ook warme chocola hebben.’ Ze keek op haar horloge. Er was nog wel even tijd. Hugo zou er niet voor halfdrie zijn.

Ze pakte Matthieus hand vast en ze liepen naar het lage gebouw. De toiletten waren gelukkig tamelijk schoon en er was inderdaad ook warme chocolademelk bij de balie te krijgen. Zou ze zelf koffie nemen? Nee, voor een keer ook maar eens chocola. ‘Wel hier opdrinken hoor,’ zei ze. ‘Kijk, daar kunnen we wel even zitten.’

Tevreden dronken ze hun chocola op. Matthieu schommelde zijn beentjes heen en weer onder de zitting van de bank waarop ze zaten.

Na een kwartier stond Victorien op en gooide de lege kartonnen bekertjes in de prullenmand. ‘Kom, we gaan weer.’

De deur van het benzinestation ging open en met de sneeuwvlaag die binnen woei, kwam een lange man binnen. Op zijn donkere haar en zijn jas lagen een paar witte vlokken. Hij keek naar Victorien en de kinderen. ‘Die auto die daar geparkeerd staat. Is die van u?’

Verbaasd keek ze hem aan. Ze stond toch goed in een parkeervak? ‘Ja.’

‘Weet u niet hoe gevaarlijk het is om geen achteruitzicht te hebben door al die rommel? En zeker met dit weer is het levensgevaarlijk!’

O, was je de ene bazige man kwijt, kwam je meteen een andere tegen. Net zo’n bevelende stem als haar schoonvader, die op zich best aardig kon klinken. Maar dat aardige kende ze inmiddels. Aardig als je maar deed wat hij wilde, jaja. Waar bemoeide die man zich trouwens mee? Die propvolle hoedenplank waardoor je niet kon zien wat er achter je rug was en al het speelgoed dat bij een noodstop door de auto zou vliegen… Het leek ook dom. Die man dacht zeker dat ze achterlijk was en dat ze daar zo mee de weg op zou gaan. Ze kneep haar handen in haar zakken in elkaar en richtte zich hoog op.

‘Wat buitengewoon attent dat u dat opmerkt. Ik kan u geruststellen. Voor ik de auto start, is de hoedenplank weer leeg. Soms denken vrouwen wel na,’ zei ze sarcastisch.

Yvette stond ook op en keek de man ook verontwaardigd aan. ‘Dat heeft mijn broertje gedaan. En dat mag helemaal niet van mama en ze haalt het straks weer weg en dan moet Mattie alles weer op de grond leggen. Zo!’

De toon in de stem van haar dochter was een kopie van haar eigen stem als ze, zoals nu, haar boosheid in bedwang hield.

De man schoot in de lach en keek naar het boze gezichtje van Yvette. ‘O, sorry jongedame, wees maar niet zo aangebrand. Ik bedoel het goed.’ Toen keek hij naar Victorien. ‘Met dit weer moet je goed zicht hebben.’

‘Dat weet ik.’

‘O.’ Hij liep naar de kassa toe en zei over zijn schouder: ‘Soms rijden mensen erg ondoordacht en met dit weer…’

‘Ja mevrouw,’ zei de caissière. ‘Daar heeft meneer Pol wel gelijk in. Een ongeluk zit in een klein hoekje.’

‘Dat weet ik,’ zei Victorien weer. Haar boosheid zakte af. Deze mensen bedoelden het waarschijnlijk echt goed. Die meneer Pol vast ook. ‘Toch bedankt voor de waarschuwing.’ Ze glimlachte even naar de vrouw achter de kassa. ‘Ik hoop dat ik zonder brokken op de plaats aankom waar ik moet zijn.’

De lach gaf haar iets liefs en de twee anderen keken verrast naar het veranderde gezicht.

‘Kom jongens. Dag mevrouw, dag meneer Pól.’ De nadruk op de naam klonk spottender dan ze wilde. Nou ja, die man zag ze toch nooit meer. Victorien greep de handen van haar kinderen en verliet het pand.

De twee in het station keken haar na.

‘Ze weet vast niet hoe vlug het glad kan worden op de binnenwegen,’ zei de caissière.

‘Waarschijnlijk niet. Dag Sjaantje.’

De man betaalde en stapte naar zijn auto die naast die van Victorien stond. Het was een donkerblauwe Volvo. Victorien zag zijn profiel duidelijk in de binnenverlichting die aanstond: een scherpe neus, een krachtige kin en een hoekige kaak. Hij keek even opzij en groette met een hoofdknik. Victorien knikte terug. Ze reageerde misschien wel te sterk op dat soort opmerkingen. Nou ja, dat was zo gek ook niet.

‘Kom, even de rest nog van het speelgoed van de hoedenplank halen,’ zei ze en liet de kinderen instappen.

Yvette was al aan de gang gegaan en Victorien veegde met een paar handbewegingen de rest van het speelgoed weer op de vloer en de bank van de auto. Ze gaf Matthieu de houten speelgoedbeestjes in zijn hand die hij met Sinterklaas had gekregen en die sindsdien favoriet waren. Ook Yvette speelde er graag mee. ‘Met de rest mag je gerust spelen. Je mag ze alleen niet meer daar leggen.’

‘Ja mam…’ zei Matthieu zoet en Victorien startte de auto. Geukkig dat ze op tijd vertrokken waren. Nu hoefde ze zich in ieder geval niet te haasten. Als het een beetje meezat, was ze voor twee uur in Munnikenwold. De verhuiswagen zou er waarschijnlijk iets langer over doen dan zij. Wel vervelend dat het sneeuwde. Een regenbui was iets waar verhuizers wel op verdacht waren. Ach, dan zou een beetje sneeuw niet uitmaken. Het enige wat belangrijk was, was dat de kinderen vlug werden opgehaald door haar vader en moeder, zodat die in ieder geval vannacht een slaapplaats hadden. Ook Robbie namen ze mee. Zij zou vanavond met Liesbeth ook naar haar ouders gaan. Wat een zegen dat die op een afstand van een halfuur zaten, dacht ze dankbaar.


Even voor tweeën reed ze Munnikenwold binnen en parkeerde de auto achter de auto van Liesbeth. De deuren van de bestelbus stonden open en twee mannen, van wie ze in de een John Wiltink herkende, brachten net een kast en een box naar binnen. Als Liesbeth nu maar zo verstandig was om niet te veel te sjouwen, dacht Victorien. Dat kon die knie van haar nog niet hebben. Ze zou er vanavond nog wel even naar kijken.

Liesbeth kwam net naar buiten en zwaaide verheugd toen ze Victoriens auto zag. De sneeuw was niet blijven liggen en de straat was alleen maar vochtig. Door het wolkendek kwam een aarzelende straal zonlicht.

‘Dit is symbolisch,’ lachte Victorien en ze wees naar de lucht. ‘De zon doet mee. Je was er dus al. Waar is Robbie?’

‘Zit in de kamer. Onder zeil gegaan in het autostoeltje. Heerlijk rustig. Hij is dol op autorijden.’

‘Dan houd ik mijn kinderen even uit zijn buurt,’ zei Victorien praktisch. ‘Het meeste is zeker al uit de bus?’ Ze keek even door het raam van Liesbeths huis. De lange tafel met de stoelen was blijven staan. De bank ook en midden in de kamer zetten de twee mannen een kast neer. De buurman riep: ‘Waar moet-ie staan, Lies?’

‘Ga naar binnen voor ze je kast op een verkeerde plaats zetten,’ drong Victorien aan en ze gaf Liesbeth een duwtje tegen haar arm. ‘Bofkont. Kijk eens hoe goed je kast bij de tafel en de stoelen past. Je zou niet zeggen dat ze gebruikt zijn.’

Liesbeth knikte. Vicky wist vast niet dat ze nooit eerder zulke nieuw uitziende meubels had gehad. Dat had ook aan haarzelf gelegen, realiseerde ze zich. Ze was gewoon in het huis van haar ouders blijven wonen. Toen haar moeder nog leefde, had ze het hart niet gehad om er andere meubels neer te zetten. Alleen haar slaapkamer had ze naar haar eigen smaak ingericht. Maar ze had er eerder iets aan kunnen doen. De etage van Bob en Victorien, hoe aftands die ook was geweest, was leuk ingericht geweest. Dat zou zij nu ook doen. Hun huisbaas was werkelijk erg genereus geweest.

‘Ga vlug kijken in jullie huis. Ik heb net door het raam gekeken.

Je weet niet wat je ziet daar,’ zei ze.

Victorien keek haar aan. Ze herinnerde zich hoe smerig de ruimte was geweest toen ze er voor het eerst waren geweest. Hopelijk was het een beetje schoongemaakt en was het verfje dat John haar had toegezegd met een ‘dat laat Paul wel doen’, niet al te lelijk. Nou ja, ze had ervaring met schilderen. Dat had ze in hun etage ook altijd gedaan. Met iedere streek knapte een muur op.

‘Echt. Valt alles mee. En haal die kinderen uit de auto.’ Op haar beurt gaf Liesbeth Victorien een duwtje. ‘John Wiltink wil je vast rondleiden. John!’ Ze wenkte hem. ‘Ga even met Vicky mee, als je wilt.’

John was er ook meteen geweest toen zij aan was gekomen en hij had meegeholpen met het uitladen en het naar boven sjouwen van het ledikantje van Robbie en haar eigen bed. Wat een aardige man was het toch. Waren er geen kinderen en een mevrouw Wiltink? Hij leek de tijd aan zichzelf te hebben. Een geluk voor Vicky en haar.

Victorien opende het autoportier en haalde Matthieu uit zijn stoeltje. Yvette sprong er zelf uit en liep met kleine stappen naar het huis.

John opende de deur en liet Victorien en de kinderen voorgaan in het vierkante halletje. Het licht viel binnen door een bovenlicht en het rook er nog naar verf. De kamerdeur stond half open.

‘Kom maar niet aan de deur. Misschien is de verf nog niet droog,’ waarschuwde Victorien haar kinderen.

‘Die is droog,’ zei John.

Victorien duwde de deur met een vinger verder open. Inderdaad droog, constateerde ze en ze liep achter haar kinderen aan de kamer in.

John Wiltink glimlachte. Die dame zou niet vlug iets aannemen op het gezag van een ander, dacht hij vermaakt.

Matthieu had zijn knuffel tegen zich aan geklemd en keek met grote ogen rond in de lichte ruimte. Yvette liep naar het raam in de achtermuur toe en wees op de witte, stenen melkkan die gevuld met rode tulpen in de vensterbank stond. ‘Kijk. Bloemen!’ Toen keek ze in de tuin en zei blij: ‘En in de tuin staan gele bloemen.’

Ze pakte de klink van de openslaande deuren en probeerde die te openen. ‘Meneer… kan de deur open?’

John schudde zijn hoofd. ‘Nu even niet zo handig, Yvette. Het gras is nat en dan komt er allemaal modder op de nieuwe vloer.’

‘U weet hoe ik heet,’ zei ze verrast.

‘O ja. Ik weet alles. Bijna alles.’ John Wiltink glimlachte.

‘Net als Sinterklaas en de Here God?’ Matthieu keek hem vol respect aan.

John Wiltink lachte breed. ‘Tuurlijk niet, joh. Ik maak maar een grapje.’

‘Oh.’

Grote mensen hadden vaak rare grapjes, dacht Matthieu. ‘Mama heeft hem natuurlijk verteld hoe we heten, Yvette.’

Yvette en John knikten.

‘Ik wilde toch weten wie er in dit huis kwamen wonen.’ John legde zijn hand in de smalle hals van de jongen en schudde hem even heen en weer. ‘En jij heet Matthieu. Ook van je moeder gehoord.’

Wat was die man toch lekker handig. Victorien voelde dankbaarheid in zich opkomen.

‘Wat is die vloer mooi geworden,’ zei ze en ze liep langzaam naar het midden van de kamer. Die had een metamorfose ondergaan: de donkere muren en de bruine lambrisering waren crèmewit geverfd en in de hoek bij het raam was een muur weggebroken, zodat de kamer een L-vorm had gekregen. Tegen de achterwand stond een keukenblok. Was dat inderdaad een ingebouwde koelkast? Ja. En ook een fornuis. De kastdeurtjes waren lichtgeel en het aanrecht was van hout. Ze opende een kastje. Eindelijk een kastje dat niet klemde zoals de aanrechtkastjes in het appartement.

‘Mam! Yvet!’ De stem van Matthieu was hoog en verrukt. ‘Kijk!’ Hij wees met een vingertje naar de vensterbank naast de openslaande deuren. Daar stonden zeven houten speelgoedbeestjes van dezelfde soort als hij voor Sinterklaas had gekregen. Drie varkentjes en vier kipjes. De varkentjes leken te lachen en de kippen hadden hun snavels in de lucht gestoken. Ze leken elk moment in gekakel los te kunnen barsten.

‘Ach, kijk, die heeft Paul voor de kinderen neergezet,’ zei John Wiltink. ‘Gelijk met die vaas bloemen. Maar die zal Amelia wel meegegeven hebben.’

Ja, daar moest je een vrouw voor zijn, om te weten dat een bos bloemen alleen maar in de weg lag als er geen vaas bij was. En meteen zo’n leuke kan ook. Die zou ze teruggeven natuurlijk. Victorien voelde zich bijna bezwaard. Zoals het opgeknapt was… Zouden alle andere huisbazen zo goed voor hun huurders zorgen en was haar schoonvader een vervelende uitzondering? Ach nee. Dat was niet eerlijk van haar. Andere appartementen in de straat waren na de renovatie echt mooi geworden en die hadden ook een verfje gekregen. Alleen hun etages en die van de buren naast hen waren nooit opgeknapt.

‘Wat aardig. Van alle twee,’ zei ze. ‘En wat grappig, die speelgoedbeestjes. Net waar Matthieu zo dol op is.’

‘Heeft Paul ontworpen. Voor z’n plezier. Hij houdt van werken met hout. Vloeren leggen en dat soort dingen is praktisch en noodzakelijk, maar die beestjes… Hij had ze gemaakt voor de kinderen van zijn zus. En hij houdt ook van meubels ontwerpen. Dit waren eerst alleen maar verjaardagscadeautjes. Annette zei toen tegen hem dat hij er meer van moest maken en dat heeft hij gedaan. Verstandig. Niemand had gedacht dat het zo’n succes zou worden. Hij exporteert ze inmiddels ook naar het buitenland. Naar Denemarken en Engeland. Daar zijn ze er gek op.’

Victorien keek naar de lachende varkentjes. Ze kon zich er alles bij voorstellen. Die Paul had in ieder geval gevoel voor humor als hij dit kon ontwerpen. Ze werd nieuwsgierig naar hem.

Matthieu had het gesprek gevolgd. ‘Mijn koetjes en mijn ganzen komen uit Spanje, meneer,’ zei hij. ‘Maar deze vind ik ook heel lief.’ Hij ging op de vloer zitten en zette de beestjes op een rij. Die was wel even zoet, dacht Victorien. Ze was opeens heel benieuwd naar de bovenverdieping. Zou die ook zo veranderd zijn? ‘Hier blijven, Mattie. Ik ga even naar boven.’

‘Ik ga ook mee. Ik wil mijn kamertje zien.’ Yvette zette de kippetjes bij haar broertje en liep mee naar het halletje waar de trap op uit kwam. Ook die was aangepakt. De treden waren geschuurd en er zat een dikke laag bruine lak op. Victorien en haar dochter liepen achter John aan naar boven. De ramen stonden half op een kier en John sloot ze. ‘Beetje frisse lucht. Maar de echte verflucht is al verdwenen,’ zei hij zakelijk.

Yvette liep voor haar moeder uit de ene kamer na de andere in. Victorien zag de badkamer en vocht tegen de tranen die bij haar opkwamen. ‘Wat is het hier mooi geworden. Ik weet even niet wat ik zeggen moet. Ik heb zelf een paar potten verf gekocht, maar het is niet nodig.’ Ze kuchte en keek John Wiltink aan. ‘Ik ben er blij mee. Heel erg blij. Ik hoop dat ik Paul vlug kan bedanken.’

Beneden riep iemand: ‘Hallo. Hallo daar! Kan ik al wat doen?’ ‘Oom Hugo,’ zei Yvette vlug en ze riep terug: ‘Oom Hugo. Kom

eens boven kijken. Het is hier zo mooi. We hebben een echt bad. Daar kan Matthieu meteen in leren zwemmen.’

John schoot in de lach. ‘Zwemmen? Beetje krap. Misschien heeft Paul nog wel een paar eendjes in de aanbieding om te laten zwemmen. Wat extra hulptroepen meegenomen, Victorien?’

‘Ja. Een goede vriend van Bob. Eh, van ons. We zijn boven, Huug!’ riep ze naar beneden.

Hugo kwam boven, gaf Victorien vluchtig een kus, stak zijn hand uit naar John Wiltink en trok Yvette even tegen zich aan. ‘Zo, mevrouwtje. Een eigen zwembad, hoorde ik.’

‘Ja, maar deze meneer zegt dat we er niet in kunnen zwemmen. Kom eens mee. Dan kan je mijn kamer zien.’ Yvette trok Hugo mee naar de kamer die ze na één blik als de hare had bestempeld. ‘Kijk!’ Hij glimlachte naar Victorien en liep met Yvette mee. ‘Nou, laat zien. O, Vicky, je verhuiswagen komt er zo aan. Ik ben ze gepasseerd onderweg. Ze zijn hier met een paar minuten.’

Victorien liep naar de slaapkamer die aan de straatkant lag en keek door het raam naar buiten. De verhuiswagen was er nog niet, maar er stopte een blauwe Volvo. Precies zo’n auto als die van die meneer Pol. Er stapte een man uit en automatisch deed ze een stap naar achteren, weg van het venster. Het zou toch niet? Nee toch! Maar het kon niet missen, zag ze, toen de man met wie ze bijna ruzie had gemaakt, uit de auto stapte en naar het huis van Liesbeth liep.

Meneer Pol had die vrouw tegen hem gezegd. Ja hoor. Pol? Pol? Had ze die vrouw bij het tankstation niet goed verstaan? Ze spraken hier met een dialect. Was Pol soms Paul? Meneer Paul. Dat klonk bijna feodaal. Maar was dat ook niet een beetje zo? Ze dacht aan mevrouw Van Ravenschot. Niet bazig, maar je kon heel goed merken dat ze flink wat in de melk te brokkelen had. Hoe aardig ze ook was. Nee, ze wás gewoon aardig. Dat ze veel invloed had, was geen minpunt. Niet iedereen die de kans kreeg, was uit op macht.


John Wiltink was naar beneden gegaan en zag ook de auto van Paul van Ravenschot langs de kant van de weg staan. Hij stapte naar buiten en ging ook naar het huis dat nu van Liesbeth Prins was geworden. Hij tikte even op de deur en liep de kamer in waar Liesbeth net Paul een hand gaf. De kleine jongen lag nog steeds in het autostoeltje. Diep in slaap. Haar buurman was inmiddels verdwenen, nadat hij drie broodjes had gegeten en een paar koppen koffie had gedronken die Liesbeth in een thermoskan van huis had meegenomen. ‘Je redt het verder wel, meid. Ik wil voor de spits weer thuis zijn, dan kan ik de bus nog even wegbrengen. Geen dank! Toedeloe en kom nog eens langs,’ zei hij nog, en met een brede zwaai was hij verdwenen.

‘Als je tijd hebt, kom even verderop kijken, Paul. De fysiotherapeute van je moeder is in de wolken met het huis. Het verschil tussen de eerste keer dat ze het zag en nu, is ook wel erg groot. O, en dat kleine joch van haar is trouwens helemaal verrukt van jouw speelgoedbeesten. Een beste beurt mee gemaakt, jongen. Enfin. Dit is je huisbaas dus, Liesbeth.’

Liesbeth glimlachte omhoog naar het gezicht van Paul van Ravenschot. ‘Ik weet het. Erg plezierig om kennis te maken. Ik ben erg nieuwsgierig naar het huis van Vicky. Dat was eerst zo’n bende, al was ze daar niet van haar stuk door gebracht. Vicky kan wel wat hebben. Die stroopt haar mouwen op en gaat aan de slag. Maar nu… Fijn voor haar dat het niet nodig lijkt te zijn.’

Ze had even door het raam gekeken. Meer dan een vluchtige indruk was het niet geweest, maar in die ene blik had ze al gezien dat het een enorm verschil was.

Ze keek naar Robbie. Hij sliep zo vast. Even in het andere huis kijken. Hij werd het eerste halfuur niet wakker. Een zegen dat dat kind zo vast kon slapen.

‘Erg fijn om kennis te maken. Wat ziet het er geweldig uit,’ zei ze dankbaar.

‘Wij zijn blij dat er weer een paar huizen permanent bewoond worden,’ zei Paul. ‘Ik hoor nu dat je collega… vriendin?’

‘Allebei,’ zei Liesbeth.

‘Dat zij er ook blij mee is. We hebben het maar een beetje wit gehouden. Als ze wat anders wil, kan dat altijd nog.’ Hij glimlachte. ‘Ik loop er even naartoe, al is ze misschien niet blij om me te zien.’

‘Natuurlijk wel. Ik ga even mee. Een paar minuten moet kunnen,’ zei Liesbeth een beetje verbaasd. Waarom zou Victorien niet blij zijn om hem te zien? ‘Ik ben zo benieuwd naar haar huis.’

‘Het is de moeite waard.’ John keek naar Robbie. ‘Eh… de kleine jongen?’

‘Slaapt als een blok. Dan wordt hij het eerste uur niet wakker. ’


Terwijl ze de deur uit gingen, arriveerde de verhuiswagen van Victoriens meubelen en daarachteraan een personenauto, die achteruitreed om wat verder weg te parkeren. Twee mannen sprongen uit de verhuiswagen. Een van de twee opende alvast de achterdeuren en de andere bonsde met zijn knokkels op de in de hal geopende deur. John Wiltink liep langs hem naar binnen en riep: ‘Victorien! Je spullen zijn er!’

Liesbeth volgde hem naar binnen. En ook Paul van Ravenschot liep het halletje in.


Heeft u genoten van het tiende hoofdstuk van Stapstenen?

Misschien is Scheerlicht van Annemartien Berkelaar dan iets voor u!

Scheerlicht, een familieroman van Annemartien Berkelaar, gaat over het legenestsyndroom van een single moeder. Roos mist haar enige dochter Willemijn, die sinds een paar weken het huis uit is. In haar studiestad ontmoet Willemijn een jongen, Maarten, met wie ze een relatie krijgt. Op Maartens verjaardag maakt Roos kennis met zijn ouders. Ze wordt smoorverliefd op zijn vader, Hein. Dat wil ze absoluut niet, maar ze kan het gevoel niet ontkennen.

Annemartien Berkelaar debuteerde met de familieroman Opnieuw beginnen. Scheerlicht is haar tweede boek.